Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA)

Datum 17/02/2012

Inhoudstafel

  1. VERSLAG AAN DE REGERING
  2. HOOFDSTUK 1. Algemene Bepalingen
    1. Afdeling 1.1. Inleidende bepalingen
    2. Afdeling 1.2. Definities
  3. HOOFDSTUK 2. Afbakening van de afvalfase
    1. Afdeling 2.1. Lijst van afvalstoffen
    2. [Afdeling 2.2. Europese criteria (verv. BVR 2 juli 2021, art. 13, I: 27 augustus 2021)]
    3. Afdeling 2.3. Specifieke criteria
      1. [Onderafdeling 2.3.1. Algemene bepalingen voor specifieke criteria (verv. BVR 2 juli 2021, art. 14, I: 27 augustus 2021)]
      2. Onderafdeling 2.3.2. Criteria voor grondstoffen, bestemd voor gebruik als bouwstof
      3. [Onderafdeling 2.3.3. Criteria voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel (verv. BVR 2 juli 2021, art. 18, I: 27 augustus 2021)]
      4. Onderafdeling 2.3.4. ...
      5. Onderafdeling 2.3.5. Criteria voor grondstoffen afkomstig van en bestemd voor metallurgische productieprocessen voor non-ferrometalen
      6. Onderafdeling 2.3.6. Criteria voor grondstoffen afkomstig van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen
      7. Onderafdeling 2.3.7. Criteria voor grondstoffen die bestemd zijn voor gebruik als blendcomponent in scheepsbrandstof
    4. Afdeling 2.4. Grondstofverklaring
      1. Onderafdeling 2.4.1. Algemene bepalingen
      2. Onderafdeling 2.4.2. Aanvraagprocedure voor een grondstofverklaring
      3. Onderafdeling 2.4.3. Opheffing van de grondstofverklaring
    5. [Afdeling 2.5. Kwaliteitsborgingssysteem en traceringssysteem (ing. BVR 22 december 2017, art. 14, I: op een door de Vlaamse minister voor leefmilieu en waterbeleid te bepalen datum)]
      1. [Onderafdeling 2.5.1. Kwaliteitsborgingssysteem (ing. BVR 22 december 2017, art. 14, I: op een door de Vlaamse minister voor leefmilieu en waterbeleid te bepalen datum)]
      2. [Onderafdeling 2.5.2. Traceringssysteem (ing. BVR 22 december 2017, art. 14, I: op een door de Vlaamse minister voor leefmilieu en waterbeleid te bepalen datum)]
    6. [Afdeling 2.6. Materialen waarvoor geen Europese criteria en geen specifieke criteria bestaan (ing. BVR 2 juli 2021, art. 23, I: 27 augustus 2021)]
  4. HOOFDSTUK 3. Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
    1. Afdeling 3.1. Algemene bepalingen
    2. Afdeling 3.2. Aanvaardingsplicht
      1. Onderafdeling 3.2.1. Algemene bepalingen
      2. [Onderafdeling 3.2.2. Collectieve invulling van de aanvaardingsplicht (verv. BVR 22 maart 2019, art. 15, I: 17 juni 2019)]
      3. [Onderafdeling 3.2.3. Individuele invulling van de aanvaardingsplicht (verv. BVR 22 maart 2019, art. 19, I: 17 juni 2019)]
    3. Afdeling 3.3. Collectief plan
    4. Afdeling 3.4. Afvalstofspecifieke bepalingen
      1. Onderafdeling 3.4.1. Drukwerkafval
      2. Onderafdeling 3.4.2. Afgedankte voertuigen
      3. Onderafdeling 3.4.3. Afvalbanden
      4. Onderafdeling 3.4.4. Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur
      5. Onderafdeling 3.4.5. Afgedankte batterijen en accu's
      6. [Onderafdeling 3.4.6. Afvalolie (verv. BVR 22 maart 2019, art. 30, I: 17 juni 2019)]
      7. Onderafdeling 3.4.7. Oude en vervallen geneesmiddelen
      8. [Onderafdeling 3.4.8. Afgedankte matrassen (verv. BVR 23 september 2016, art. 14, I: 16 december 2016)]
      9. Onderafdeling 3.4.9. Afgedankte fotovoltaïsche zonnepanelen
      10. Onderafdeling 3.4.10. [... (opgeh. BVR 23 september 2016, art. 15, I: 16 december 2016)]
      11. Onderafdeling 3.4.11. Zwerfvuil
      12. Onderafdeling 3.4.12. [... (opgeh. BVR 23 september 2016, art. 16, I: 16 december 2016)]
      13. Onderafdeling 3.4.13. Gebruikte wegwerpluiers
      14. [Onderafdeling 3.4.14. Kunststofhoudend vistuigafval (ing. BVR mei 2023, art. 5, I: 3 juni 2023)]
    5. [Afdeling 3.5. Vrijwillige terugname van huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen (ing. BVR 2 juli 2021, art. 43, I: 27 augustus 2021)]
  5. HOOFDSTUK 4. Algemene bepalingen over het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
    1. Afdeling 4.1. Indeling van afvalstoffen
    2. Afdeling 4.2. Indeling van afvalstoffenhandelingen
    3. Afdeling 4.3. Afzonderlijke inzameling van afvalstoffen
    4. Afdeling 4.4. Algemene regels voor verwerking van afvalstoffen
    5. Afdeling 4.5. Stort- en verbrandingsverboden
    6. [Afdeling 4.6. Verbod op sluikstorten en zwerfvuil (ing. BVR 2 juli 2021, art. 53, I: 27 augustus 2021)]
  6. HOOFDSTUK 5. Bepalingen over het beheer van specifieke materiaalkringlopen en afvalstoffen
    1. Afdeling 5.1. Bepalingen over het beheer van huishoudelijke afvalstoffen
    2. Afdeling 5.2. Bepalingen over het beheer van sommige bijzondere afvalstoffen
      1. Onderafdeling 5.2.1. Afvalstoffen die ontstaan bij het onderhouden, herstellen en slopen van motorvoertuigen, motorvaartuigen, motorvliegtuigen en hun toebehoren
      2. Onderafdeling 5.2.2. Klein gevaarlijk afval
      3. Onderafdeling 5.2.3. Medisch afval
      4. Onderafdeling 5.2.4. Afgedankte voertuigen
      5. Onderafdeling 5.2.5. -Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur
      6. Onderafdeling 5.2.6. Afvalbanden
      7. Onderafdeling 5.2.7. Afgedankte batterijen en accu's
      8. Onderafdeling 5.2.8. Pcb's
      9. Onderafdeling 5.2.9. Afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten
      10. [Onderafdeling 5.2.10. Afval van schepen van de zeevaart (verv. BVR 2 juli 2021, art. 58, I: 1 januari 2022)]
      11. Onderafdeling 5.2.11. Afval van de binnenvaart
      12. [Onderafdeling 5.2.12. Gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong (ing. BVR 23 september 2016, art. 35, I: 16 december 2016)]
      13. [Onderafdeling 5.2.13. Afvalolie (ing. BVR 2 juli 2021, art. 59, I: 27 augustus 2021)]
      14. [Onderafdeling 5.2.14. Afgedankte matrassen (ing. BVR 2 juli 2021, art. 60, I: 27 augustus 2021)]
      15. Onderafdeling 5.2.15. Gebruikte wegwerpluiers
      16. Onderafdeling 5.2.16. Bepalingen over het beheer van gemengd bouw- en sloopafval
    3. Afdeling 5.3. Bepalingen over het beheer van specifieke materialen die geen afvalstof zijn
      1. Onderafdeling 5.3.1. Algemene bepalingen
      2. Onderafdeling 5.3.2. Voorwaarden voor het gebruik van grondstoffen als meststof of bodemverbeterend middel
      3. Onderafdeling 5.3.3. Voorwaarden voor het gebruik van grondstoffen als bouwstoffen
      4. Onderafdeling 5.3.4. [... (opgeh. BVR 21 september 2018, art. 71, I: 1 april 2019)]
      5. Onderafdeling 5.3.5. ...
      6. Onderafdeling 5.3.6. Voorwaarden voor het gebruik van rubbergranulaat van gerecycleerde afvalbanden als instrooimateriaal in kunstgrasvelden
      7. [Onderafdeling 5.3.7. Voorwaarden voor het gebruik van afvalbanden als afdekmateriaal op voedersilo's (ing. BVR 16 november 2012, art. 13, I: 1 januari 2013)]
      8. [Onderafdeling 5.3.8. Voorwaarden voor het beheer van kabels en leidingen (ing. BVR 23 mei 2014, art. 57, I: 22 september 2014)]
      9. [Onderafdeling 5.3.9. Voorwaarden voor het verstoken van gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 1-, 2- en 3-materiaal (ing. BVR 22 december 2017, art. 41, I: 5 maart 2018)]
      10. [Onderafdeling 5.3.10. Voorwaarden voor het gebruik van boerderijcompost als meststof of als bodemverbeterend middel (ing. BVR 22 december 2017, art. 42, I: 5 maart 2018)]
      11. [Onderafdeling 5.3.11 Voorwaarden voor het gebruik van draagtassen voor eenmalig gebruik (ing. BVR 22 maart 2019, art. 65, I: 17 juni 2019)]
      12. [Onderafdeling 5.3.12. Voorwaarden voor het gebruik van cateringmateriaal (ing. BVR 22 maart 2019, art. 66, I: 17 juni 2019)]
      13. [Onderafdeling 5.3.13. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen afvalzakken (ing. BVR 22 maart 2019, art. 67, I: 17 juni 2019)]
      14. [Onderafdeling 5.3.14 Voorwaarden voor het gebruik van stickers op groenten en fruit (ing. BVR 22 maart 2019, art. 68, I: 1 januari 2021)]
      15. Onderafdeling 5.3.15. Voorwaarden voor het gebruik van houtsnippers als bodembedekker
      16. Onderafdeling 5.3.16. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen compostvaten en compostbakken
      17. Onderafdeling 5.3.17. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen rolcontainers voor afval
      18. Onderafdeling 5.3.18. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen kweekpotten, kweektrays en plantentrays
      19. Onderafdeling 5.3.19. Voorwaarden voor het gebruik van meubilair met kunststoffen onderdelen in de openbare buitenruimte
      20. Onderafdeling 5.3.20. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen geluidsschermen
      21. Onderafdeling 5.3.21. Voorwaarden voor het gebruik van ondergrondse drukloze kunststoffen buizen voor de afvoer van regen- en afvalwater
      22. Onderafdeling 5.3.22. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen afdekplaten voor kabels, gasleidingen en andere nutsvoorzieningen
      23. Onderafdeling 5.3.23. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen raamsystemen
    4. [Afdeling 5.4 Bepalingen over het beheer van asbesthoudende materialen (ing. BVR 2 juli 2021, art. 63, I: 27 augustus 2021)]
    5. [Afdeling 5.5. Bepalingen over het beheer van bedrijfsrestafval (ing. BVR 2 juli 2021, art. 64, I: 27 augustus 2021)]
      1. [Onderafdeling 5.5.1. Algemene bepalingen (ing. BVR 2 juli 2021, art. 64, I: 27 augustus 2021)]
      2. Onderafdeling 5.5.2. Regels voor inzamelaars, afvalstoffenhandelaars en -makelaars van bedrijfsrestafval inzake de algemene informatieverstrekking aan de eerste afvalstoffenproducent
      3. [Onderafdeling 5.5.3. Regels voor de inzamelaars, afvalstoffenhandelaars en -makelaars van bedrijfsrestafval als de inzameling bij meerdere afvalstoffenproducenten in één ronde met één voertuig gebeurt, waarbij het bedrijfsrestafval van die afvalstoffenproducenten in dat voertuig gemengd raakt (ing. BVR 2 juli 2021, art. 64, I: 27 augustus 2021)]
      4. [Onderafdeling 5.5.4. Regels voor de inzamelaars, afvalstoffenhandelaars en -makelaars van bedrijfsrestafval als de inzameling individueel per afvalstoffenproducent gebeurt, waarbij bedrijfsrestafval van meerdere afvalstoffenproducenten niet in één voertuig gemengd raakt (ing. BVR 2 juli 2021, art. 64, I: 27 augustus 2021)]
      5. [Onderafdeling 5.5.5. Regels voor vergunde verwerkers die bedrijfsrestafval aanvaarden (ing. BVR 2 juli 2021, art. 64, I: 27 augustus 2021)]
      6. [Onderafdeling 5.5.6. Regels over transparantie en samenwerking in de keten (ing. BVR 2 juli 2021, art. 64, I: 27 augustus 2021)]
  7. HOOFDSTUK 6. Inzamelen en vervoeren van afvalstoffen
    1. Afdeling 6.1. Vervoeren en inzamelen van en handelen en makelen in afvalstoffen
      1. Onderafdeling 6.1.1. Voorwaarden voor het vervoeren en inzamelen van en het handelen en makelen in afvalstoffen
      2. Onderafdeling 6.1.2. Registratie van vervoerders van afvalstoffen
      3. Onderafdeling 6.1.3. Registratie van inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars
      4. Onderafdeling 6.1.4. Aanvaarding van registraties voor het vervoer van afvalstoffen uit andere gewesten en staten van de Europese Economische Ruimte
      5. [Onderafdeling 6.1.5. Goedkeuring van systemen voor het afleveren van digitale identificatieformulieren (ing. BVR 2 juli 2021, art. 71, I: 27 augustus 2021)]
    2. Afdeling 6.2. Invoer en uitvoer van afvalstoffen
  8. HOOFDSTUK 7. Registreren en rapporteren van afvalstoffen- en materiaalgegevens
    1. Afdeling 7.1. Algemene bepalingen
    2. Afdeling 7.2. Registers van afvalstoffen en materialen
      1. Onderafdeling 7.2.1. Registers van afvalstoffen
      2. Onderafdeling 7.2.2. Registers van materialen die geen afvalstoffen zijn
      3. Onderafdeling 7.2.3. Bewaren en uitwisselen van afvalstoffen- en materialenregisters
    3. Afdeling 7.3. Melding van gegevens over de productie en inzameling van afvalstoffen en materialen
      1. Onderafdeling 7.3.1. Jaarlijkse melding van de productie van bedrijfsafvalstoffen en grondstoffen
      2. Onderafdeling 7.3.2. Kwartaalmelding van gegevens over de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen en van bedrijfsafvalstoffen die vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, in het materialeninformatiesysteem
      3. Onderafdeling 7.3.3. Kwartaalmelding in het materialeninformatiesysteem van gegevens over de inzameling, in het Vlaamse Gewest, van andere afvalstoffen dan huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen
      4. Onderafdeling 7.3.4. Kwartaalmelding van gegevens over de productie van grondstoffen in het materialeninformatiesysteem
    4. Afdeling 7.4. Gegevens over het gebruik van grondstoffen
    5. Afdeling 7.5 Kwartaalmelding van gegevens over de verwerking van afvalstoffen in het materialeninformatiesysteem
  9. HOOFDSTUK 8. Monsterneming en analyse van afvalstoffen en andere materialen
  10. HOOFDSTUK 9. Milieuheffingen [,retributies (ing. BVR 2 juli 2021, art. 72, I: 27 augustus 2021)] en milieubijdragen
    1. Afdeling 9.1. Milieuheffingen
    2. [Afdeling 9.2 Retributies (ing. BVR 2 juli 2021, art. 72, I: 27 augustus 2021)]
  11. HOOFDSTUK 9/1. Verwerking van persoonsgegevens
  12. HOOFDSTUK 10. Wijzigingsbepalingen
    1. Afdeling 10.1. Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende milieuvergunning
    2. Afdeling 10.2. Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
    3. Afdeling 10.3. Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 januari 2004 betreffende de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die in het Vlaamse Gewest door of op initiatief van lagere besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd
    4. Afdeling 10.4. Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag
    5. Afdeling 10.5. Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2005 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake de erkenning en de subsidiëring van kringloopcentra
    6. Afdeling 10.6. Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming
    7. Afdeling 10.7. Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
    8. Afdeling 10.8. Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van bedrijven en hun technici voor brandbeveiligingssystemen die ozonlaag afbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten
  13. HOOFDSTUK 11. Overgangsbepalingen
  14. HOOFDSTUK 12. Slotbepalingen
  15. BIJLAGEN
    1. BIJLAGE 2.1. LIJST VAN AFVALSTOFFEN
    2. BIJLAGE 2.2. LIJST VAN MATERIALEN DIE OVEREENKOMSTIG HOOFDSTUK 2 IN AANMERKING KOMEN VOOR GEBRUIK ALS GRONDSTOFFEN
    3. BIJLAGE 2.3.1. VOORWAARDEN INZAKE SAMENSTELLING EN GEBRUIK ALS MESTSTOF OF BODEMVERBETEREND MIDDEL
    4. BIJLAGE 2.3.2. VOORWAARDEN INZAKE SAMENSTELLING VOOR GEBRUIK ALS BOUWSTOF
    5. BIJLAGE 2.3.3. SAMENSTELLINGSVOORWAARDEN MAXIMUMGEHALTEN AAN VERONTREINIGENDE STOFFEN VOOR OPGEWERKTE AFVALOLIE EN OPGEWERKTE BRANDSTOFRESTEN
    6. BIJLAGE 2.3.4. ...
    7. BIJLAGE 2.3.5. METALLURGISCH PRODUCTIEPROCES VOOR NON-FERROMETALEN
    8. BIJLAGE 2.3.6. METALLURGISCH PRODUCTIEPROCES VOOR FERROMETALEN
    9. BIJLAGE 3.4.6. [AFVALOLIE (verv. BVR 22 maart 2019, art. 80, I: 17 juni 2019)] DIE ONDER HET TOEPASSINGSGEBIED VAN DE AANVAARDINGSPLICHT VALT
    10. BIJLAGE 5.1.4. TARIEVEN VOOR INZAMELING EN VERWERKING HUISHOUDELIJKE AFVALSTOFFEN
    11. BIJLAGE 5.2.3. MEDISCHE AFVALSTOFFEN
    12. [BIJLAGE 5.2.3. C LIJST VAN DE RISICOHOUDENDE MEDISCHE AFVALSTOFFEN DIE NIET IN AANMERKING KOMEN VOOR DECONTAMINATIE (ing. BVR 29 november 2013, art. 20, I: 1 januari 2014)]
    13. BIJLAGE 5.2.4. GEGEVENS OP HET CERTIFICAAT VAN VERNIETIGING VAN EEN VOERTUIG
    14. BIJLAGE 5.2.10.A.AANMELDING VAN SCHEEPSAFVAL EN LADINGRESIDUEN
    15. BIJLAGE 5.2.10.B BEREKENINGSWIJZE BIJDRAGE KOSTENDEKKINGSSYSTEEM
    16. BIJLAGE 5.2.10. C
    17. BIJLAGE 5.2.10. D
    18. BIJLAGE 5.2.15. WEGWERPLUIERS
    19. BIJLAGE 10.4 ...
    20. BIJLAGE 10.7. BIJLAGE VIII BIJ HET HANDHAVINGSBESLUIT

Inhoud

VERSLAG AAN DE REGERING

(01/06/2012- ...)

Dit Verslag bevat een gedetailleerde inhoudelijke, juridische en beleidsmatige onderbouwing van alle maatregelen in het uitvoeringsbesluit. Het Verslag bestaat uit drie delen :
1.Een situatieschets met de aanleiding en achtergrond van het nieuwe besluit;
2. Een inhoudelijke bespreking per hoofdstuk;
3. Een artikelsgewijze bespreking.

Het VLAREMA werkt gedetailleerde en uitvoerende regelingen uit voor het beheer van afvalstoffen en materialen. Dit besluit zal het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming- en beheer (VLAREA) vervangen. De totstandkoming van het VLAREMA houdt direct verband met de omzetting en uitvoering van Europese en decretale regelgeving.

In december 2008 trad de Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen in werking, hierna genoemd "kaderrichtlijn".

Naast deze kaderrichtlijn is er zowel op Vlaams niveau, als op Europees en internationaal niveau een trend om het afvalbeleid te plaatsen in een bredere context. Om de milieueffecten van de afvalfase te verlagen, moet er immers gekeken worden naar beslissingen die worden genomen nog voor het materiaal afval is geworden. In de wijze waarop producten worden ontworpen, geproduceerd, verdeeld, geconsumeerd of gebruikt en terug ingezameld eens ze afval zijn geworden, zijn vaak grote milieuwinsten te halen. Tegelijkertijd moet worden vermeden dat maatregelen genomen in de ene fase van de levenscyclus de milieu- en gezondheidseffecten van de andere fase verhogen. Het streefdoel is de milieudruk zo klein mogelijk houden over de hele levenscyclus van een product. Daarnaast is het de wens afvalstoffen zoveel mogelijk opnieuw in te zetten als grondstoffen met het oog op het sluiten van materiaalkringlopen. Uiteindelijk is het doel om tot materiaalkringlopen te komen die binnen het ecologische draagvlak blijven en voldoende welzijn genereren voor de huidige en toekomstige generaties. Dit vergt een ver doorgedreven geïntegreerd beleid dat benoemd wordt met de term "duurzaam materialenbeleid" of "duurzaam beheer van materiaalkringlopen".

Met het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, kortweg Materialendecreet, wordt de rechtsgrond gecreëerd voor een correcte omzetting van de kaderrichtlijn. Dit decreet vervangt het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (hierna "Afvalstoffendecreet"). Tegelijk creëert het de basis voor een beleid gericht op het duurzaam beheer van materiaalkringlopen.

Er zijn grosso modo vier belangrijke overwegingen die het opnemen van maatregelen in dit uitvoeringsbesluit rechtvaardigen :

1. Voor verschillende aspecten van het Materialendecreet geeft de decreetgever aan de Vlaamse Regering de bevoegdheid om nadere uitvoeringsregels vast te stellen. Dit mandaat is evenwel beperkt tot de bepalingen waarin de decreetgever deze mogelijkheid stelt. Het voorliggend ontwerpbesluit reikt deze uitvoerende bepalingen aan en zal samen met het Materialendecreet in werking treden.

2. Er zijn uitvoeringsmaatregelen die in eerste instantie gericht zijn op aanpassingen die noodzakelijk zijn voor een correcte omzetting van de kaderrichtlijn, en om het geheel aan bepalingen te doen kloppen met de nieuwe terminologie en denkwijze van het Materialendecreet.

3. Om de doorwerking en de uitvoering van het VLAREA als bepalende factor van het Vlaamse afvalstoffenbeleid en zijn successen in de afgelopen jaren te verzekeren, zijn er maatregelen die ongewijzigd worden overgenomen;

4. Enkele nieuwe of aangepaste regelingen of maatregelen zijn geïnspireerd door de nood aan efficiëntieverbeteringen en door de nood aan een aansluiting op de praktijk en bestaande afspraken, zoals bijvoorbeeld in MBO's of uitvoeringsplannen.

De komende jaren kan dit uitvoeringsbesluit worden gebruikt en aangepast zodat het optimaal invulling geeft aan de doelstellingen van het materialenbeleid. Aanpassingen zijn ook nodig naar aanleiding van voortdurende evaluaties van beleid. Zo zal de OVAM een evaluatie doorvoeren van de economische instrumenten die kunnen worden ingezet in het kader van een materialenbeleid. De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zal nader worden bekeken. Met name zal worden nagegaan of er naast de aanvaardingsplicht andere invullingen mogelijk zijn voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. We zullen ook nagaan of bestaande uitvoeringsplannen aan herziening toe zijn om te kunnen beantwoorden aan nieuwe ontwikkelingen, zoals de internationalisering van de afvalstoffenmarkt en de nood aan een meer geïntegreerde beleidsaanpak gericht op de hele levenscyclus van een product. Alvast de voorziene evaluatie van de het uitvoeringsplan 'Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen' zal worden aangegrepen om een eventuele bijsturing door te voeren.

Bij de totstandkoming van dit ontwerp is uitgegaan van de inbreng van betrokken maatschappelijke sectoren, bedrijfsfederaties, gemeenten en administraties bij de Vlaamse overheid.

BIJLAGE (01/06/2012- ...)

Het nieuwe VLAREA bestaat uit 12 hoofdstukken, waarvan de inhoud kort wordt voorgesteld.

2.1 Hoofdstuk 1 : Algemene bepalingen

Veel definities zijn ongewijzigd overgenomen uit het VLAREA. Sommige definities zijn licht aangepast of weggevallen, vanwege het verlies aan relevantie naar aanleiding van de vorige aanpassingen aan het VLAREA, of gedeeltelijk gewijzigde bepalingen in dit besluit. Enkele definities zijn nieuw in functie van een inhoudelijke bepaling.

2.2 Hoofdstuk 2 : Afbakening van de afvalfase

Dit hoofdstuk bevat de cruciale omzetting van de Europeesrechtelijke bepalingen voor end-of-Waste (einde-afval) en bijproducten die geen afvalstoffen zijn. In navolging van de doelstellingen van het Materialendecreet en de afbakening van de afvalfase (artikelen 36-40) en de Kaderrichtlijn afvalstoffen (zie met name artikel 5 en 6 en overwegende nr. 22) voorziet deze uitvoeringsregeling passende procedures en een gecoördineerde en actuele beleidslijn die het mogelijk maken om de verwarring die er kan bestaan over de diverse aspecten van de definitie van afvalstoffen, weg te nemen.

Dit hoofdstuk bevat de minimale voorwaarden die vervuld moeten zijn opdat een materiaal, overeenkomstig het Materialendecreet, kan worden beschouwd als een bijproduct of wanneer een afvalstof kan worden beschouwd als een materiaal dat het einde van de afvalfase heeft bereikt. Het doel is een eenduidig afwegingskader te creëren voor het omslagpunt van afvalstoffen naar materialen die geen afvalstoffen zijn. Dit wil zeggen dat we in de praktijk dezelfde criteria zullen toepassen om een materiaal dat vrijkomt in een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van dat materiaal, te beschouwen als een bijproduct, als degene die gelden om een afvalstof die qua aard en samenstelling vergelijkbaar is te beschouwen als een materiaal dat het einde van de afvalfase heeft bereikt. Zo vermijden we dat materialen die milieutechnisch gezien dezelfde eigenschappen hebben, door hun verschillend juridisch statuut toch verschillend zouden worden behandeld.

Dit hoofdstuk en bij uitbreiding het hele uitvoeringsbesluit verstaat onder grondstoffen, bijproducten of materialen die het einde van de afvalfase hebben bereikt. Het past het huidige hoofdstuk 4 (secundaire grondstoffen) van het VLAREA aan de nieuwe bepalingen voor einde-afval en bijproducten aan. De term gebruikscertificaat wordt verlaten en vervangen door "grondstofverklaring". Dit is gedefinieerd in het Materialendecreet als een verklaring afgeleverd door de Vlaamse overheid waarin wordt gesteld dat een bepaald materiaal niet of niet meer als een afvalstof moet worden beschouwd, eventueel gekoppeld aan een aantal randvoorwaarden.

De bijlagen met de lijsten van materialen waarvoor criteria zijn opgesteld, voor de toepassingsgebieden gebruik als meststof of bodemverbeterend middel, gebruik als bodem, als bouwstof of in kunstmatige afdichtingslagen, blijven behouden in vergelijking met het VLAREA, mits kleine aanpassingen. Voor beoogde grondstoffen afkomstig uit metallurgische processen voor ferro- en non-ferrometalen zijn nieuwe bepalingen opgenomen. Europa laat de lidstaten de ruimte dergelijke specifieke criteria op te stellen en vraagt een notificatie van deze regelingen. Dit geeft ook de kans te reageren op notificaties van einde-afvalcriteria in andere lidstaten en waar mogelijk tot afstemming te komen.

De samenstellingscriteria inzake beoogde grondstoffen staan in dit hoofdstuk. De gebruiksvoorwaarden voor die materialen zijn vermeld in afdeling 5.3. Het omslagpunt van een afvalstof naar een grondstof ligt steeds aan de uitgang van een proces. Aan de uitgang van het proces is alleen de herkomst, de verwerkingswijze en samenstelling van het materiaal bekend. Deze factoren moeten volstaan om te beoordelen of een materiaal aan alle voorwaarden voldoet om niet (langer) als afvalstof te worden beschouwd. Het verder gebruik van de grondstof kan worden onderworpen aan gebruiksvoorwaarden. Zijn deze gebruiksvoorwaarden niet voldaan, dan wordt de grondstof terug een afvalstof. Het omslagpunt afvalstof/grondstof ligt dus niet aan het begin van een proces bij een eindgebruiker. Nog anders gesteld, als een materiaal bij bedrijf A vertrekt als een afvalstof, dan komt het materiaal bij bedrijf B of eindgebruiker B ook toe als een afvalstof en moet het daar als een afvalstof worden verwerkt. Indien het bedrijf B of de eindgebruiker B niet in staat is om afvalstoffen te verwerken, dan kan het betreffende materiaal door B alleen worden verwerkt als het bij bedrijf A vertrekt als een grondstof. Hiermee wordt het omslagpunt afvalstof/grondstof duidelijker aangegeven dan het geval was in het Afvalstoffendecreet en het VLAREA.

De aanvraagprocedure voor grondstofverklaringen wordt vastgelegd. Naast de 'secundaire grondstoffen' uit het VLAREA is een regeling opgesteld voor andere materialen waarvoor nu regelmatig einde-afvalvragen worden gesteld. Men kan altijd de OVAM laten aftoetsen of een bepaald materiaal een grondstof genoemd mag worden en geen afvalstof is. Daarmee wordt de vroegere procedure voor grondstofverklaringen geformaliseerd, inclusief beroepsprocedure.

Voor de minimale beoordelingselementen bij de aanvraag van een grondstofverklaring, is verwezen naar de opgenomen criteria, indien beschikbaar, en naar de artikelen die in het Materialendecreet zijn opgenomen. Die dragen het primair beoordelingskader voor (niet-)afvalstoffen aan. Bijproducten en materialen die het einde van de afvalfase hebben bereikt, hebben dezelfde status als volwaardige producten.

Indien een materiaal voldoet aan rechtstreeks toepasselijke Europeesrechtelijk vastgelegde voorwaarden en criteria, dan is het in principe niet nodig een grondstofverklaring af te leveren, noch Vlaamse criteria toe te passen, zelfs indien er op Vlaams niveau een grondstofverklaring geëist wordt. Zo is een verordening rond end-of-waste criteria voor aluminium en schroot in werking getreden vanaf 9 oktober 2011 (1). Een operator die aan deze eisen wil voldoen, zal te maken krijgen met kwaliteitseisen, eisen naar tracering en kwaliteitsborging. Een registratieplicht blijft wel bestaan, waarvan de modaliteiten moeten worden vastgesteld. Dit houdt in dat er een zicht blijft op de houders van grondstoffen die zich beroepen op EU-criteria. Ook wordt hen gevraagd op simpel verzoek aan te tonen op welke manier voldaan wordt aan de EU-criteria. Naast een registratieplicht, blijft het mogelijk gebruiksvoorwaarden op te leggen aan materialen, conform de bepalingen in het Materialendecreet.

De bijlagen bij dit hoofdstuk (technische stukken, normen, en lijsten met materiaalstromen) werden overgenomen uit het VLAREA en op enkele punten aangepast. Zo wordt voor enkele materialen het verplichte gebruikscertificaat (of nu : grondstofverklaring) geschrapt. Hierbij speelt mee dat een administratieve procedure niet altijd overzicht en inzicht in de sectoren, de bedrijven en gebruikers van grondstoffen impliceert en dat effectieve controles niet gegarandeerd zijn. Voor deze zaken moeten andere inspanningen in aanmerking genomen worden. Bovendien wordt de REACH-regelgeving van toepassing zijn van zodra iets niet of niet meer als afval beschouwd wordt. Conform REACH zal veel informatie voorhanden moeten zijn.

In hoofdstuk 2 en bijbehorende afdeling 5.3, is een uitgebreide wijziging voorgesteld ten aanzien van het gebruik van bagger- en ruimingsspecie. Dit beoogt een meer logische en werkbare situatie, aangezien er geen grondstofverklaring - voorheen gebruikscertificaat - meer verplicht is voor de specie die voldoet aan de criteria voor grondstoffen bestemd voor het gebruik als bodem. De aanvraag van een grondstofverklaring blijft evenwel verplicht indien niet wordt voldaan aan de initiële parameters.

De samenstellingscriteria voor grondstoffen bestemd voor gebruik in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas op stortplaatsen van categorie 1 en 2 (onderafdeling 2.3.4) zijn inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van het VLAREA.

De praktische implicaties van de uitgebreide regeling voor niet-afvalstoffen in dit ontwerp van uitvoeringsbesluit moeten in perspectief geplaatst worden : het is geenszins de bedoeling, noch de verwachting dat afvalstoffen plots hun statuut afvalstof verliezen, of dat materialen plots als afvalstoffen worden gezien. De lijsten in de bijlagen en de toepassingsgebieden zijn quasi ongewijzigd gebleven, waardoor er voor de bestaande producenten of houders van grondstoffen voor de bestaande toepassingsgebieden geen verschil zal optreden. Wel is de typering van het materiaal niet a-priori een afvalstof. Bijvoorbeeld : kalkhoudend drinkwaterslib, afkomstig uit de drinkwaterproductie, werd in het VLAREA aanzien als een 'afvalstof' dat, indien het een toepassing kreeg in de landbouw als bodemverbeterend middel, moest voldoen aan bepaalde samenstellingseisen en een gebruikscertificaat. In het VLAREMA wordt dit gelabeld als een 'beoogde grondstof' waarvoor het statuut grondstof geldt zodra aan de samenstellingseisen wordt voldaan. Een grondstofverklaring is niet meer nodig. Uit de bijlagen bij dit besluit blijkt overigens een vermindering van het aantal grondstofverklaringen of doublures (bijv. in het geval een verplicht gebruikscertificaat en een eenheidsreglement van kracht waren).

Bovendien moet worden benadrukt dat er geen enkele bepaling oplegt dat een materiaal, dat niet in de bepalingen van het VLAREMA of de bijlagen wordt benoemd, verplicht onderworpen is aan de toets van een grondstofverklaring. Materiaalstromen waarvoor in de context van het Afvalstoffendecreet en het VLAREA geen (informele) grondstofverklaring is gegeven, en waarover geen twijfels bestaan ten aanzien van herkomst, milieuhygiënisch gebruik, inzet bij verdere productie, vermarkting en afzet, kunnen op basis van de inschatting van de producent verder worden ingezet als grondstof. Denk aan de klassieke nevenstromen uit de voedingsindustrie als veevoeding of waardevolle 'reststromen' van en voor chemische processen. Indien er in het verleden aanleiding was tot het aanvragen van een grondstofverklaring, of onduidelijkheden bestonden in functie van de milieuvergunning, gevaarlijke eigenschappen, milieu-impact, grensoverschrijdend verkeer en economische afzetmogelijkheden, kan het aangewezen zijn de status van het materiaal via een grondstofverklaring te laten beoordelen. Maar ook hier blijft de appreciatiebevoegdheid van de producent of houder van het materiaal spelen.

De verschillende scenario's voor materialen als grondstoffen (wel of niet vallend onder hoofdstuk 2 van het VLAREMA, wel of niet onderhevig aan Europese criteria, wel of geen grondstofverklaring, enz.) komen aan bod in een handleiding die de OVAM zo snel mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit, ter beschikking zal stellen.

2.3 Hoofdstuk 3 : Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

Hoofdstuk 3 geeft invulling aan artikel 21 van het Materialendecreet. Door dit artikel krijgt de Vlaamse Regering het mandaat om verantwoordelijkheden met betrekking tot het beheer van afvalstoffen toe te wijzen aan verschillende actoren die betrokken zijn binnen een materiaalkringloop. Deze verantwoordelijkheden kunnen zowel slaan op financiële als op operationele aspecten. De financiële aspecten slaan op de vraag wie moet instaan voor de financiering van het afvalbeheer. De operationele aspecten slaan op de vraag wie moet instaan voor het effectieve beheer van de afvalstoffen. Het instrument "aanvaardingsplicht" uit het vroegere Afvalstoffendecreet blijft bestaan, maar wordt geïntegreerd in een breder kader rond uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Deze verbreding moet toelaten instrumenten voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid op een flexibelere, effectievere en efficiëntere manier in te vullen op maat van specifieke stromen. Deze instrumenten zullen hoofdzakelijk worden ingezet om de gescheiden inzameling en de verwerking van afvalstoffen conform de hiërarchie te bevorderen en, waar mogelijk, ook preventie en hergebruik. De OVAM legt zich toe op de verdere ontwikkeling van het instrumentarium. Het zal in de loop van de volgende jaren omgezet worden in regelgeving, op te nemen in dit besluit. Tevens is een evaluatie van de huidige regelgeving inzake de producentenverantwoordelijkheid in de maak en wordt onderzocht of zij succesvol zou kunnen toegepast worden op bijkomende productgroepen. Met het huidige wettelijke kader van de aanvaardingsplicht gaat Vlaanderen trouwens al veel verder dan de meeste andere landen : het aantal afvalstoffen waarvoor een vorm van producentenverantwoordelijkheid geldt ligt hoger dan waar ook; daarnaast bestaan er in onze regio succesvolle en laagdrempelige oplossingen zoals het verplichte gebruik (tegen een correcte vergoeding) van gemeentelijke inzamelinfrastructuur voor huishoudelijke afvalstoffen waarop een aanvaardingsplicht van toepassing is.

De herwerking van dit hoofdstuk betreft hoofdzakelijk een herstructurering en verduidelijking van het VLAREA. De inhoudelijke wijzigingen zijn beperkt. De grootste vernieuwing is de invoering van algemene regels voor collectieve plannen. Daar waar het bestaande hoofdstuk alleen over de aanvaardingsplicht gaat, wordt de aanvaardingsplicht nu als instrument gepositioneerd binnen het overkoepelende kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. De algemene principes van de aanvaardingsplicht veranderen niet. Een grondige herwerking hiervan gebeurde met de wijziging van het VLAREA die van kracht is sinds 1 mei 2009. Wel worden de afvalstofspecifieke bepalingen die in de huidige versie in de algemene bepalingen staan, verschoven naar de afvalstofspecifieke bepalingen (afdeling 4 van hoofdstuk 3). Tot slot kan worden opgemerkt dat de aanvaardingsplicht voor een bijkomende afvalstroom wordt ingevoerd, namelijk afgedankte zonnepanelen.

Het hoofdstuk wordt ingedeeld in 4 afdelingen. In afdeling 1 worden de algemene bepalingen over de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid opgenomen. Vervolgens worden de instrumenten opgesomd die kunnen worden ingezet om uitvoering te geven aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid : de aanvaardingsplicht en het collectief plan. Afdeling 2 bespreekt de aanvaardingsplicht, afdeling 3 het collectief plan. De collectieve plannen, voorheen ook wel beheersplannen genoemd, zijn in het VLAREA opgenomen in hoofdstuk 5 onder de bijzondere afvalstoffen. Gezien dit toepassingen zijn van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt dit nu opgenomen in hoofdstuk 3. In het VLAREA zijn geen definities of algemene bepalingen voor het instrument collectief plan opgenomen. Teneinde het instrument duidelijker te omschrijven en te formaliseren wordt nu een afdeling opgenomen met algemene bepalingen over het instrument.

In afdeling 4 worden de afvalstofspecifieke bepalingen opgenomen. Voor elke afvalstof wordt hierin aangegeven op welke manier uitvoering wordt gegeven aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Vooreerst wordt aangegeven welk instrument wordt ingezet. Vervolgens kunnen bijkomende bepalingen worden opgesomd die alleen voor die afvalstof van toepassing zijn.

2.4 Hoofdstuk 4 : Algemene bepalingen over het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen

In het hoofdstuk 'Algemene bepalingen over het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen', worden onder meer de basisbeginselen van het VLAREA hoofdstuk I afdelingen II, III en IV en hoofdstuk II hernomen. De lijsten van afvalstoffenhandelingen (R- en D-codes) zijn integraal overgenomen uit de kaderrichtlijn, net zoals de lijst met gevaarlijke eigenschappen van afvalstoffen.

Enkele aandachtspunten : bij de lijst afzonderlijk in te zamelen huishoudelijke afvalstoffen werden PMD en asbestcementhoudende afvalstoffen opgenomen. Dit is in lijn met het UP MBHA. De verplichtingen voor lokale besturen wijzigen niet.

Alle afvalstofstromen die vallen onder de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, zijn opgenomen in de lijst van bijzondere afvalstoffen. Dit is strikt juridisch niet noodzakelijk, maar raadzaam uit de overweging dat voor veel stromen al bijzondere bepalingen gelden, of dat de kans groot is dat die er in de toekomst zullen komen.

Er werd een aanscherping van de bepalingen rond het selectief slopen ingevoegd om, naast het opstellen van een sloopinventaris, ook het feitelijk selectief slopen verplicht te stellen. Het principe moet zijn dat er nog meer selectief gesloopt wordt, door de sloopinventaris deel uit te laten maken van het bestek. Dit ligt in het verlengde van de laatste VLAREA-wijziging van mei 2009.

Het Materialendecreet maakt het mogelijk stort- en verbrandingsverboden in te stellen, zoals gebeurt in dit hoofdstuk.

2.5 Hoofdstuk 5 : Bepalingen over het beheer van specifieke materiaalkringlopen en afvalstoffen

In hoofdstuk 5 komt het beheer van sommige bijzondere afvalstoffen aan bod, zonder grote inhoudelijke wijzigingen aan de huidige regelingen, zoals voor KGA, medisch afval, afgedankte voertuigen, AEEA, pcb's, afval van de zee- en binnenvaart. Voor afgedankte voertuigen zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd in uitvoering van de overeengekomen milieubeleidsovereenkomst.

Voor wat betreft huishoudelijke afvalstoffen, wordt er een aanzet gegeven voor de harmonisering van afvaltarieven bij gemeenten. Dit beoogt de gemeentelijke afvaltarieven en inzamelwijzen meer op één lijn te krijgen, met respect voor de grondwettelijk gewaarborgde fiscale autonomie.

Er wordt bepaald dat een producent, makelaar of handelaar van afvalbanden ook verantwoordelijk wordt gesteld voor het behalen van de doelstellingen inzake hergebruik en nuttige toepassing.

Tenslotte zijn in afdeling 5.3 alle voormalige VLAREA-bepalingen ondergebracht die betrekking hebben op het gebruik van een materiaal nadat het einde-afval wordt.

Wanneer de gebruiksvoorwaarden, vermeld in deze afdeling, niet worden gerespecteerd of de grondstoffen niet worden gebruikt in de in de grondstofverklaring opgenomen toepassing, worden de betreffende materialen beschouwd als afvalstoffen.

Grondstoffen (einde-afval of bijproducten) blijven ook tijdens het transport en gedurende de tussentijdse opslag met het oog op het effectieve gebruik grondstoffen. De einde afvalstatus gaat in bij de uitgang van het proces en niet bij de ingang. Dit betekent dat REACH - waar voorgeschreven - van toepassing is vanaf het moment dat het materiaal de 'poort' verlaat.

Voor de toepassing van waterzuiveringsslibs als grondverbeteraar in de landbouw, is het nodig de relatie tussen de REACH-regelgeving en het materialenbeleid nader toe te lichten. Uitgangspunt is dat de materialenwetgeving geen hinderpaal mag vormen voor de effectieve (organische) recyclage van materialen, zoals waterzuiveringsslibs die naar herkomst en samenstelling worden gecontroleerd. Ook bij de toepassing van de slibs op het land vindt er een controle plaats van de eigenschappen en geschiktheid van het materiaal, bijv. door de FOD-ontheffing.

Het advies van de Minaraad/SERV van 23 september 2011 pleit voor een "pragmatische oplossing" als het gaat om de afstemming van het VLAREMA met REACH bij de inzet van bepaalde waterzuiveringsslibs in de landbouw. Daarbij gaat het in de eerste plaats om slibs afkomstig van de drinkwaterproductie, de voedingsnijverheid en de papierindustrie. Rioolwaterzuiveringsslibs kunnen alleen naar de landbouw indien aan de bepalingen van de toepasselijke Europese wetgeving voldaan is. De raden poneren dat aan de kant van het productbeleid (een federale bevoegdheid) en REACH (een Europese bevoegdheid) gekeken moet worden naar de marges en mogelijkheden voor materialen als slibs die een nuttige toepassing kennen in de landbouw. Waterzuiveringsslib als grondverbeteraar, dat door het materialenbeleid een volwaardig productstatuut krijgt, draagt een risico in zich een REACH-procedure te moeten doorlopen. Dit brengt onredelijke kosten met zich mee en betekent dat deze toepassing in Vlaanderen niet meer haalbaar is. In overleg met de sectoren heeft de OVAM reeds aangegeven te willen kijken naar een praktisch en economisch haalbare REACH-interpretatie in samenspraak met de federale verantwoordelijken. Deze interpretatie kent twee denkpistes :
1. Het materialenbeleid, in casu de VLAREMA-samenstellings- en gebruiksvoorwaarden garanderen een hoog niveau van milieubescherming en traceerbaarheid. Ook de controles vanuit het productbeleid en de Mestbank zijn belangrijke controlemechanismen.
2. Een vrijstelling onder REACH voor deze stroom is volgens de Vlaamse overheid te bepleiten op basis van de volgende elementen :
- De gebruiksvoorwaarden (EoW-voorwaarden) voor compost en waterzuiveringsslib zijn gelijk. Compost is vrijgesteld van REACH (bijlage V van REACH). Het is logisch dat, op deze basis, het waterzuiveringsslib dat aan de gebruiksvoorwaarden voldoet, vrijgesteld is van REACH. Het formeel bepleiten van een vrijstelling bij de Europese instellingen is wellicht een werk van lange adem, maar niet onmogelijk, zoals de case van digestaten heeft aangetoond. Ook hiervoor wordt een formele vrijstelling opgenomen, in lijn met de redenering voor compost. Uit een oppervlakkige vergelijking, uitgevoerd door de Europese papierfederatie enkele jaren geleden, bleek trouwens dat het waterzuiveringsslib van de papierindustrie zich qua samenstelling zou kwalificeren voor het "ecolabel compost".
- Bijlage V lid 1 stelt dat stoffen die ontstaan bij een chemische reactie als gevolg van blootstelling aan lucht, vocht en micro-organismen vrijgesteld zijn van titel II van REACH. Dit kan redelijkerwijze van toepassing worden geacht op substanties die ontstaan in een waterzuivering.
- Het waterzuiveringsslib van de papierindustrie bestaat uit een aantal hoofdcomponenten : vocht, vezels, mineralen. Deze zijn vrijgesteld via bijlage IV van REACH. Het saldo < 20 % kan beschouwd worden als "onzuiverheden". Dit is de redenering die toegepast werd op ingezameld oud papier bestemd voor recyclage vrij te stellen van notificatie (Guidance on waste and recovered substances).

De OVAM zal samen met de FOD leefmilieu het Belgisch standpunt bespreken m.b.t. waterzuiveringsslibs die als grondstof gebruikt worden in de landbouw en REACH. Daarbij wordt uitgegaan van een situatie waarbij REACH geen onnodige hinderpaal is voor (in dit geval organische) recyclage, wat ook trouwens in recital 11 van de REACH-verordening zelf wordt aangeven.

Er zijn voorwaarden opgenomen voor het gebruik van rubbergranulaat van gerecycleerde afvalbanden als instrooimateriaal in kunstgrasvelden. Dit is een voorbeeld van het opstellen van gebruiksvoorwaarden zonder expliciete koppeling aan een einde-afvalfase, zoals bij gebruiksvoorwaarden voor einde-afvalstoffen met toepassing meststof, bouwstof, bodem en afdichtingslaag.

Op termijn kan dit hoofdstuk nog verder worden aangevuld.

2.6 Hoofdstuk 6 : Inzamelen en vervoeren van afvalstoffen

Dit hoofdstuk legt vast wat de voorwaarden zijn voor het vervoeren en inzamelen van afvalstoffen. De term 'overbrengers' wordt vervangen door 'inzamelaars, afvalstoffenhandelaars- en makelaars'. Een deel van de voorwaarden uit het VLAREA werd ongewijzigd overgenomen, al zijn ze soms van plaats veranderd omdat de structuur van de tekst werd aangepast.

Naast de algemene voorwaarden voor vervoer en de registratieplicht, legt artikel 6.1.1.4 een verplichting op aan alle inzamelaars, handelaars of makelaars om te werken volgens een geactualiseerd kwaliteitsborgingssysteem, indien zij gevaarlijke afvalstoffen inzamelen/handelen/makelen. Dit moet bestaan uit een uitgebreide interne werkprocedure die wordt geverifieerd door een onafhankelijke keuringsinstelling. Dit is een significante wijziging van het systeem. De minister kan ook voor bepaalde niet gevaarlijke afvalstoffen, voorwaarden opleggen binnen een kwaliteitsborgingssysteem.

De procedure voor het bekomen van een registratie als vervoerder van afvalstoffen is quasi dezelfde als het VLAREA. Er werden enkele wijzigingen aangebracht die het mogelijk moeten maken om de procedure via een elektronische aanvraag te laten verlopen. De procedure voor het bekomen van een registratie als inzamelaar, handelaar of makelaar van afvalstoffen werd sterk vereenvoudigd ten opzichte van het VLAREA. Er is geen aanvraagdossier nodig en ook geen specifieke verzekering.

De wederzijdse erkenning van de in het Waalse en Brusselse Hoofdstedelijke Gewest al dan niet van rechtswege geregistreerde of erkende vervoerders is positief onthaald door de sector.

2.7 Hoofdstuk 7 : Registreren en rapporteren van afvalstoffen- en materiaalgegevens

Dit hoofdstuk gaat over het registreren en rapporteren van afvalstoffen- en materiaalgegevens. Tenzij anders bepaald in dit hoofdstuk, zijn de volgende actoren ertoe gehouden afvalstoffengegevens te verschaffen op eenvoudig verzoek van de OVAM :
1. de inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of de afvalstoffenmakelaar;
2. de inrichtingen voor het verwerken van afvalstoffen;
3. de afvalstoffenproducenten van bedrijfsafvalstoffen;
4. de gemeenten en de verenigingen van gemeenten, belast met het afvalstoffenbeheer;
5. de grondstoffenproducent. Deze term is gedefinieerd als elke natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens activiteit bijproducten of materialen die het einde van de afvalfase hebben bereikt, voortbrengt, overeenkomstig artikel 36, 37 of 39 van het Materialendecreet;
6. de grondstoffengebruiker. Deze term is gedefineerd als elke natuurlijke of rechtspersoon die bijproducten of materialen die het einde van de afvalfase hebben bereikt, overeenkomstig artikel 36, 37 of 39 van het Materialendecreet, inzet in zijn procesvoering.

Artikel 7.2.3.2 bepaalt dat de actoren die registers moeten bijhouden, hun register in elektronisch formaat moeten bijhouden omdat dit de gegevensoverdracht vergemakkelijkt naar de controlerende instanties. De OVAM zal zich zo organiseren dat bij dit systeem vertrouwelijkheid gegarandeerd wordt. Het vooropstellen van een elektronische drager kadert in de inspanningen van e-government en efficiëntieverbetering.

Alleen grondstoffenproducenten houden registers bij van materialen die geen afval zijn. Dit is nodig om zicht te hebben op de hoeveelheden en toepassingsgebieden van de grondstoffen. Cijferresultaten over de omzetting van afvalstoffen naar materialen die het einde van de afvalfase hebben bereikt dienen volgens de kaderrichtlijn meegeteld te worden bij recyclagecijfers voor de berekening van de recyclagedoelstellingen. Bijproducten die in eenzelfde inrichting worden geproduceerd, hoeven niet in een register te worden bijgehouden.

Een zeer beperkte selectie van grondstoffengebruikers (alleen de producenten van non-ferrometalen) moet een inkomend materialenregister bijhouden. Dit is nodig om een vorm van controle te behouden over de aangevoerde grondstoffen waarvoor geen grondstoverklaring nodig is, zoals bepaald in hoofdstuk 2.

Er is een paragraaf opgenomen over de elektronische uitwisseling van registergegevens van inzamelaars en verwerkers. Daartoe moet ook een code goede praktijk opgesteld worden voor het bijhouden en uitwisselen van registers voor inzamelaars en verwerkers.

2.8 Hoofdstuk 8 : Monsterneming en analyse van afvalstoffen en andere materialen die overeenkomstig hoofdstuk 2 in aanmerking komen voor gebruik als grondstoffen

Hoofdstuk 8 bevat de bepalingen voor de monsterneming en analyse van afvalstoffen en andere materialen die overeenkomstig hoofdstuk 2 in aanmerking komen voor gebruik als grondstof. Er is hier dus sprake van een uitbreiding van de reikwijdte in uitvoering van het decreet en hoofdstuk 2.

De wijzigingen in het toepassingsgebied (onderafdeling 8.1.1) brengen meer logica in de volgorde van de juridische bepalingen. Er bestaat geen erkenning voor alle mogelijke parameters op zeer verschillende materialen. De huidige bepaling voor deze situatie wordt flexibeler gemaakt namelijk het laboratorium moet niet voorafgaand reeds erkend zijn door OVAM.

Voor het beoordelingsverslag van VITO worden een aantal administratieve bepalingen geschrapt.
In de werkingscriteria wordt de gelijkwaardigheid van analysemethode geschrapt. Indien een methode gelijkwaardig is, wordt ze opgenomen in de CMA zodat ze door alle erkende labo's kan toegepast worden.

2.9 Hoofdstuk 9 en verder

Hoofdstuk 9 stelt de compatibiliteit met het hoofdstuk over milieuheffingen in het Materialendecreet veilig.

Hoofdstuk 10 is ingevuld met de wijzigingsbepalingen.

Hoofdstuk 11 voorziet de overgangsbepalingen.

Hoofdstuk 12 bevat de slotbepalingen

(01/06/2012- ...)

HOOFDSTUK 1. - Algemene Bepalingen

Afdeling 1.1. - Inleidende bepalingen

Art. 1.1.1. Dit artikel somt op welke Europese richtlijnen met dit uitvoeringsbesluit worden omgezet in Vlaamse wetgeving, of tenminste gedeeltelijk. De volledige omzetting van de richtlijnen vindt plaats in samenhang met andere decretale of wettelijke voorzieningen, zoals het Materialendecreet of het Milieuvergunningendecreet.

Afdeling 1.2. - Definities

Art. 1.2.1. § 1. De begrippen en definities zoals gedefinieerd in het Materialendecreet, zijn ook van toepassing in dit besluit. Dit bevordert een eenduidige lezing van de wetteksten.

§ 2, § 3, § 4 en § 5. Specifiek voor dit besluit zijn een aantal definities opgenomen. Deze zijn alfabetisch gerangschikt. Omwille van de continuïteit van de uitvoerende maatregelen in het afvalstoffen- en materialenbeleid, zijn veel definities ongewijzigd overgenomen uit het VLAREA. Waar nodig zijn aanpassingen doorgevoerd. Een aantal definities zijn toegevoegd. De tweede paragraaf bevat definities die doorheen de hele tekst gelden. De paragrafen 3 tot en met 5 bevatten definities die alleen van toepassing zijn op een deel van de tekst.

Aangezien definities alleen relevant zijn binnen de context van een bepaald artikel, is hier geen verdere toelichting bij de definities voorzien. Ze worden toegelicht bij de artikelen, waar nodig. Een uitzondering betreft een bespreking van artikel 1.2.1. § 2, 53°, waar een definitie wordt gegeven voor met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen. Die definitie stemt in grote mate overeen met die van gemengd stedelijk afval, zoals omschreven in artikel 3, 11°, van het Materialendecreet. De componenten zijn voor beide stromen ook vergelijkbaar. Het voornaamste verschil bestaat erin dat met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen ook op het vlak van hoeveelheid moeten overeenstemmen met wat een normaal huisgezin aan afval voortbrengt, terwijl dat criterium niet geldt voor gemengd stedelijk afval. Die nuance is belangrijk omdat de definities in een verschillende context worden gebruikt. Voor de inzameling en verwerking van met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen is de gemeentelijke of intercommunale infrastructuur vaak het meest effectieve kanaal. In de beleidsplanning (sectoraal Uitvoeringsplan 'Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen') is deze soort afvalstoffen dan ook meegenomen. Gemengd stedelijk afval kan in grotere hoeveelheden vrijkomen dan het met huishoudelijk afval vergelijkbaar bedrijfsafval. De gemeentelijke infrastructuur is niet berekend op grote hoeveelheden bedrijfsafvalstoffen. Gemengd stedelijk afval afkomstig van bedrijven wordt dan ook meestal ingezameld en verwerkt door de private sector. Wanneer het wordt ingezameld samen met huishoudelijke afvalstoffen is het zelfvoorzieningsprincipe van toepassing.

Kortom, de term met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen wordt gebruikt in de context van inzameling en verwerking door gemeenten en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de term gemengd stedelijk afval is van belang in de context van zelfvoorziening.

HOOFDSTUK 2. - Afbakening van de afvalfase

Afdeling 2.1. - Afvalstoffenlijst

Art. 2.1.1. In uitvoering van artikel 35 van het Materialendecreet legt dit artikel de lijst van afvalstoffen vast middels bijlage 2.1 bij dit besluit. De term "afvalstoffencatalogus" in het Afvalstoffendecreet wordt vervangen door de in de Kaderrichtlijn gebruikte term "lijst van afvalstoffen". Deze lijst omvat de afvalcodes, evenals de aanduiding welke afvalstoffen als gevaarlijk moeten worden beschouwd. De lijst van afvalstoffen kan niet worden gebruikt als middel om te bepalen of een materiaal al dan niet moet worden beschouwd als een afvalstof. De afvalstatus van een materiaal hangt in de eerste plaats samen met de definitie van afvalstof in artikel 3, 1° van het Materialendecreet. In die zin is de lijst van afvalstoffen te beschouwen als een niet-limitatieve lijst.

Afdeling 2.2. - Algemene bepalingen

Art. 2.2.1. Deze maatregel van algemene aard is een uitwerking van de doelstelling van artikel 4, § 2 van het Materialendecreet. Het geeft aan dat ook materialen waarvoor alle vermelde voorwaarden zijn ingevuld, bij onoordeelkundig gebruik als afvalstoffen moeten worden beschouwd. Grondstoffen mogen alleen oordeelkundig gebruikt worden, waarbij nadelige gevolgen voor mens en milieu worden vermeden. Dit laatste is evenwel niet absoluut, in de zin dat er géén nadelige gevolgen of risico's mogen optreden, maar relatief ten aanzien van het gebruik in een bepaalde context of vergeleken met materialen van dezelfde aard of samenstelling waarbij het al dan niet aanmerken als afvalstof nooit punt van discussie is geweest.

Art. 2.2.2. Deze bepaling gaat uit van de eerste zin van artikel 4.1.1, § 1, van het VLAREA, maar verwijst niet langer naar een bijlage met een lijst met materialen. De specifieke criteria en het al dan niet aanwezig zijn van een lijst in de bijlage met materialen voor een bepaald toepassingsgebied, zijn opgenomen in afdeling 2.3. Een algemene verwijzing naar de lijst in de bijlage zou incompleet zijn, aangezien er in onderafdeling 2.3.5 en 2.3.6 ook verwezen wordt naar lijsten die nog nader door de minister wordt vastgesteld.

Europa laat de lidstaten de ruimte deze specifieke technische criteria op te stellen en vraagt een notificatie van deze regelingen. Dit geeft ook de kans te reageren op notificaties van einde-afval- of bijproductcriteria van andere lidstaten en waar mogelijk tot afstemming te komen. Het is niet nodig dat criteria worden opgenomen in dit besluit in het geval er Europese verordenende criteria of normen zijn. Dit voorbehoud is aangegeven door de invoeging van de woorden 'waar nodig'.

In afwijking van het VLAREA spreekt men van materialen en niet van afvalstoffen, maar niet alle materialen (waaronder producten, primaire grondstoffen, enz) die op de markt worden gebracht en een beoogde toepassing hebben zoals bepaald in dit hoofdstuk, zijn onderworpen aan de specifieke criteria in afdeling 2.3. In afwijking van de indeling in het VLAREA bevat dit hoofdstuk niet de samenstellings- en gebruikscriteria. Gebruikscriteria zijn ondergebracht in afdeling 5.3 "Bepalingen over het beheer van specifieke materialen die geen afvalstof zijn".

De laatste zin van het eerste lid is gelijk aan de eerste zin van het tweede lid van artikel 4.1.1, § 2, van het VLAREA, met een vervanging van 'afvalstof' door 'materiaal'.

Het tweede lid komt overeen met de tweede zin van lid twee van artikel 4.1.1, § 2, van het VLAREA. Het voldoen aan de samenstellingscriteria mag in de regel niet worden bereikt door een verdunning van materialen, overeenkomstig het niet verdunningsprincipe, zoals ook vastgelegd in artikel 4.4.2 van hoofdstuk 4. Voor gebruik in waterglas is een uitzondering. Deze materialen hoeven dus niet afzonderlijk aan de criteria te voldoen.

Bij gebruik in kunstmatige afdichtingslagen is de hoofddoelstelling een materiaal in een eindtoepassing (waterglas) te gebruiken. Hier wordt gesproken van grondstoffen voor "gebruik in".

Art. 2.2.3. Dit artikel, dat grotendeels gelijk is aan artikel 4.1.1, § 4, van het VLAREA, stelt welke vereisten gesteld worden vooraleer bepaalde materialen als grondstof kunnen worden beschouwd. Bij de materiaallijsten met beoogde grondstoffen, opgenomen in de bijlage 2.2, is aangeduid wanneer een grondstofverklaring of gelijkaardige toetsing, verplicht is. Het Materialendecreet definieert een grondstofverklaring als als een verklaring afgeleverd door de Vlaamse overheid waarin wordt vastgesteld dat een bepaald materiaal niet of niet meer als een afvalstof moet worden beschouwd, eventueel gekoppeld aan een aantal randvoorwaarden.

Het tweede lid stelt dat materialen die worden gebruikt als meststof of bodemverbeterend middel, als bouwstof, als bodem of in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas, die niet vermeld zijn in bijlage 2.3, pas als grondstof kunnen worden beschouwd als alle toepasselijke criteria in dit besluit zijn vervuld en als daarbij een grondstofverklaring is afgeleverd.

Het laatste lid van dit artikel stelt dat grondstoffenverklaringen ofwel worden verleend aan een specifieke producent, op basis van de gegevens over een materiaalstroom uit een bepaald productieproces en de beoogde toepassing. Ofwel behandelt een grondstofverklaring een materiaalstroom afkomstig van een specifieke sector of groep van producenten op basis van een eenduidig productieproces en mits betrouwbare gegevens over de afkomst en de samenstellingsparameters voorhanden zijn. De producent hoeft in dit geval niet de aanvrager te zijn.

Art. 2.2.4. In dit artikel wordt voor materialen die gebruikt worden in bodemsaneringswerken en risicobeheersmaatregelen de link gelegd met het Bodemdecreet.

Art. 2.2.5. Dit artikel stelt dat in alle gevallen waarin de OVAM een grondstofverklaring aflevert, rekening wordt gehouden met de beoordelingselementen, vermeld in afdeling 2.4 van dit besluit.

Art. 2.2.6. Dit artikel verwijst naar de procedure voor de aflevering van grondstofverklaringen in afdeling 2.4 van dit besluit.

Art. 2.2.7. § 1. Indien een materiaal voldoet aan rechtstreeks toepasselijke Europees vastgelegde voorwaarden en criteria, gelden deze ongeacht het bestaan van een specifiek voorwaardenkader op Vlaams niveau. Een grondstofverklaring is niet verplicht voor stromen waar Europese criteria voor gelden, zelfs indien er op Vlaams niveau een grondstofverklaring geëist wordt conform de bepalingen van dit besluit.

§ 2. In afwezigheid van een grondstofverklaring, is er wel een registratieplicht. Door registratie blijft er zicht op de houders van grondstoffen die zich beroepen op EU-criteria en grondstoffen op de Vlaamse markt willen brengen. De minister stelt de inhoud van het register vast.

Hen wordt ook gevraagd op simpel verzoek aan te tonen op welke manier voldaan wordt aan de EU-criteria. Hier kan de minister een nadere uitwerking voorzien, door aan te geven welke informatie over de bedrijfsvoering beschikbaar moet zijn om het voor de Vlaamse toezichthouder mogelijk te maken de conformiteit met Europese kwaliteitseisen en criteria te toetsen. Bij de opmaak van een besluit moet de minister rekening houden met het feit dat een inrichting of onderneming op zich niet kan bewijzen dat aan alle einde afvalcriteria wordt voldaan, maar dat het kan verschillen in de toepassing van batches, vrachten of wisselingen in bedrijfsvoering. Een inrichting zal sommige vrachten laten gaan als einde afval en andere niet.

In totaal bevat artikel 2.2.7 drie delegaties aan de minister :
1. Vorm en inhoud van een register voor exploitanten die aan einde afval- of bijproductcriteria cf. de rechtstreeks toepasselijke EU-eisen voldoen.
2. Eventuele bepalingen omtrent de info die ter beschikking moet staan om de conformiteit te controleren.
3. Desgevallend kan de minister aanduiden welke instantie(s) of soort instelling(en) als onafhankelijke expert optreden voor de beoordeling van de Europese criteria.

Deze beleidsruimte voor de minister is nodig omdat het mogelijk is dat Europa verschillende verordeningen met criteria publiceert, met weinig of geen specificaties over de vraag hoe controle en toezicht moet georganiseerd worden in de lidstaten. Afhankelijk van geval tot geval kan de minister zo toezichts- en controlemaatregelen voorstellen, die evenwel nooit kunnen ingaan tegen of afwijken van de toezichtsbepalingen die op Europees niveau worden voorgesteld, of die de inhoudelijke criteria raken, indien zij door Europese consensusvorming zijn opgelegd.

Art. 2.2.8. § 1. Dit artikel herneemt artikel 4.1.2. §§ 1 t/m 3 uit het VLAREA. Paragraaf 1 stelt de verantwoordelijkheid scherp van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die bijproducten produceert of afvalstoffen behandelt tot een materiaal dat het einde van afvalfase heeft bereikt, of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in diens naam optreedt : het is aan deze persoon alle vereiste informatie te verschaffen, aan afnemers van het materiaal over de gebruiksvoorwaarden en/of de relevante overheden in het geval het betreffende materiaal niet meer voldoet aan alle bepalingen van dit besluit.

§ 2. Deze paragraaf behandelt de monsterneming en analyse van materialen waarvoor getoetst wordt of zij voldoen aan de voorwaarden in dit hoofdstuk. Voor alle stromen die als grondstoffen worden gekenmerkt en onderhevig zijn aan de criteria vastgesteld in dit besluit, geldt in principe een jaarlijkse bemonstering en analyse. De monsterneming kan in handen zijn van onafhankelijke en gekwalificeerde personen en instellingen. De analyses moeten gebeuren in een erkend laboratorium. Voor alle materialen, al dan niet onderworpen aan een grondstofverklaring, geldt dat de frequentie van analyse nader kan gespecificeerd worden. De parameterlijst kan ook worden aangepast voor een individuele stroom. De houder van de beoogde grondstof kan hiervoor contact opnemen met de OVAM.

§ 3. Analysegegevens moeten door de natuurlijke of rechtspersoon gedurende 5 jaar ter beschikking worden gehouden van de toezichthoudende overheid en de OVAM. Het digitaal bijhouden van de gegevens over de milieukwaliteit maakt het mogelijk om per materiaalstroom de evoluties, de knelpuntparameters en de impact van kwaliteitsborgingssystemen op te volgen. Zoals in onderafdeling 7.2.3 is het de bedoeling om een juridische basis te voorzien voor de digitale uitwisseling van data in de toekomst.

Afdeling 2.3. - Specifieke criteria

Als algemene opmerking ten aanzien van de onderafdelingen in afdeling 2.3 moet worden opgemerkt dat de bijlagen met de lijsten van materialen waarvoor milieucriteria zijn opgesteld, voor de toepassingsgebieden gebruik als meststof of bodemverbeterend middel, als bodem, als bouwstof of in kunstmatige afdichtingslagen inhoudelijk behouden blijven mits kleine aanpassingen.

Onderafdeling 2.3.1. - Criteria voor grondstoffen bestemd voor gebruik als meststof of als bodemverbeterend middel

Art. 2.3.1.1. Dit artikel is een gedeeltelijke overname van artikel 4.2.1.1, § 1, van het VLAREA. Door de nieuwe bepalingen rond einde-afval en bijproducten in het Materialendecreet in rekening te brengen, is onderscheid gemaakt tussen de samenstellingsbepalingen die de voorwaarden opleggen inzake einde-afval enerzijds en gebruiksvoorwaarden voor materialen, die in principe los van de einde-afval vraagstelling gelden. Gebruiksvoorwaarden worden daarom opgenomen in afdeling 5.3.

De voorwaarden inzake samenstelling, namelijk de maximale gehalten aan verontreinigende stoffen, vermeld in bijlage 2.3.1.A, zijn dezelfde als in bijlage 4.2.1.A van het VLAREA.

In dit artikel wordt een lid toegevoegd voor vloeibare grondstoffen, waardoor rechtszekerheid wordt gecreëerd voor de voorwaarden zoals die momenteel in de praktijk gebruikelijk zijn en toegepast worden bij nieuwe verwerkingsmethodes zoals natte vergisting en concentraten van omgekeerde osmose, ultrafiltratie en effluenten. Voor grondstoffen die minder dan 2 % droge stof bevatten, zijn de samenstellingsvoorwaarden beschreven en vastgelegd in een aparte bijlage 2.3.1.B. De analyse van de verontreinigingen gebeurt op de vloeistof zonder indikking volgens de methoden in het CMA voor vloeistoffen. De resultaten worden uitgedrukt in mg/kg verse stof (nat materiaal). De milieurandvoorwaarde voor toepassing op land blijft van kracht.

In dit artikel wordt ook een lid toegevoegd dat in een uitzonderingsmogelijkheid voorziet voor verwerkingsbedrijven die worden opgevolgd via een integrale ketenbewaking. Deze uitzonderingsmogelijkheid was al voorzien in de actieplannen in het kader van de opvolgingsprocedure. Indien het materiaal niet voldoet aan de samenstellingsvoorwaarden, is er de mogelijkheid tot het niet direct intrekken van het keuringsattest via het opleggen van gebruiksvoorwaarden (cf. Onderafdeling 5.3.2). De toelating en opvolging van het materiaal gebeuren door de bevoegde autoriteit, met name het FAVV, en de erkende keuringsinstantie.

Art. 2.3.1.2. Dit artikel is een overname van paragraaf 1 van artikel 4.2.1.2 van het VLAREA.

Art. 2.3.1.3. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 4.2.1.3 van het VLAREA.

Dit artikel is bedoeld om aan te geven dat de controle- en certificeringsactiviteiten worden uitgevoerd in een systeem van onafhankelijke certificering.

In de oriëntatie naar onafhankelijke controle en certificering werd enerzijds een Algemeen Reglement van de Certificering opgesteld, dat alle stappen beschrijft in het certificeringsproces, en de verwerkende bedrijven duidelijk maakt welke de specifieke voorwaarden zijn waaraan moet voldaan worden. Daarnaast is een onafhankelijke Certificeringscommissie Meststoffen/Bodemverbeterende middelen opgericht, die toezicht houdt op de controle- en certificeringsactiviteiten.

Om te vermijden dat er van overheidswege een monopolie wordt ingesteld, werd er bovendien voorzien dat ook een andere instelling die over de nodige bekwaamheid ter zake beschikt, gelijkwaardigheid kan aantonen en erkend is op basis van het Algemeen Reglement van de Certificering, keuringsattesten kan afleveren.

Onderafdeling 2.3.2. - Criteria voor grondstoffen bestemd voor gebruik als bouwstof

Er moet hier worden opgemerkt dat voor het gebruik van grondstoffen als bouwstoffen, dit moet gelezen worden als 'het gebruik van materialen als grondstof in bouwstoffen'. Hier wordt geen fundamentele wijziging aangebracht t.o.v. het VLAREA. De toepassing van materialen in bijv. de baksteenindustrie en die in een baksteen worden toegepast zijn gebonden aan de samenstellingscriteria en de uitloogbaarheidswaarden van het eindproduct. Voor deze materialen bestemd voor gebruik in bouwstoffen kan een grondstofverklaring worden afgegeven. Hierin veronderstellen we een 1 op 1-relatie tussen verwerker/breker/sorteerder (waar de grondstof vertrekt) en de baksteenproducent. In de grondstofverklaring wordt ook een voorafname gedaan op het voldoen aan de normering van het uiteindelijke product. De grondstof is dus onlosmakelijk verbonden aan de toepassing. De normen die moeten worden gehaald, zijn milieutechnische normen die noodzakelijk zijn om een milieuveilige toepassing te garanderen en de omslag van afval naar grondstof te toetsen. Het tweede lid van artikel 2.3.2.3 en artikel 2.4.2.2, 7°, houden rekening met dergelijke toepassingen.

Concreet voor de baksteenindustrie kan er verder gewerkt worden met een grondstofverklaring voor vermalen baksteen, foamglas, enz. met inachtneming van bovenstaande. Tevens moet worden opgemerkt dat de materialen 'grondstoffen' zijn aan de uitgangspoort van de verwerker/breker. Dit heeft tot gevolg dat deze materialen ook vallen onder de REACH-wetgeving.

Art. 2.3.2.1. Mits enkele verduidelijkingen, stemt dit artikel overeen met de bepalingen van onderafdeling II van afdeling II van hoofdstuk 4 van het VLAREA.

§ 1. Deze paragraaf stemt overeen met artikel 4.2.2.1 van het VLAREA. Punt 5° is afkomstig van artikel 4.2.2.3, § 1, 4°.

De norm voor asbestvezels moet in zijn context begrepen worden. Het KB van 23 maart 2001 verbiedt het op de markt brengen van asbestvezels en producten waaraan asbestvezels zijn toegevoegd. In deze context is vooral artikel 4 ( § 1) van het KB relevant. Dit artikel heeft betrekking op producten die asbestvezels bevatten en die reeds geïnstalleerd en/of in bedrijf waren voor de datum van inwerkingtreding van het KB. Hun gebruik blijft toegelaten totdat ze worden verwijderd of aan vervanging toe zijn. Strikt genomen zou volgens het KB een nulnorm voor asbest in gerecycleerde granulaten moeten gehanteerd worden.

Een nulnorm voor asbest is echter niet realistisch want de metingen op dit concentratieniveau zijn onvoldoende betrouwbaar en bijgevolg moeilijk te handhaven. Dit zou betekenen dat de aanwezigheid van 1 vezel asbest in, bijvoorbeeld, een partij gerecycleerde granulaten van 1000 m3 moet leiden tot het afkeuren als potentiële bouwstof van de hele partij. Het al dan niet aanwezig zijn in staal en tegenstaal wordt bijgevolg zeer sterk bepaald door de factor toeval. De normwaarde voor asbest van 100 mg/kg droge stof die is opgenomen in artikel 2.3.2.1 § 1, 5°, is het laagste concentratieniveau dat met voldoende betrouwbaarheid kan gemeten worden. Deze normwaarde is gebaseerd op de bepalingsgrens, nl. de laagste concentratie die nog met voldoende zekerheid door een laboratorium kan gekwantificeerd worden. De controle op de aan- of afwezigheid van asbest in afvalstoffen biedt met deze normwaarde voldoende rechtszekerheid.

Rekening houdende met de nauwkeurigheid van de momenteel bestaande meetmethoden betekent dit dat materialen die een lagere berekende concentratie aan asbest bevatten dan 100 mg/kg droge stof, als niet-asbesthoudend kunnen aangemerkt worden. Bijgevolg is het op de markt brengen van gerecycleerde materialen met minder dan 100 mg/kg asbest niet in strijd met het KB van 23 oktober 2001 of de Verordening (EG) nr. 1907/2006. De vastgestelde normwaarden voor asbest zullen verstrengd worden naarmate er nauwkeuriger meetmethoden beschikbaar komen, zodat deze bepalingen steeds kunnen geacht worden in overeenstemming te zijn met het KB van 23 oktober 2001.

§ 2. Het eerste lid is overgenomen van punt 1 van artikel 4.2.2.3, § 1, van het VLAREA.

Het tweede lid stemt overeen met het VLAREA-artikel 4.2.2.3, § 2. Er is geen algemene definitie voor pak-houdend (in tegenstelling tot bijv. pcb-houdend), maar 'pak-houdend' is bij dit artikel en bij artikel 5.3.3.4 verduidelijkt. De zogenaamde spraytest geeft een indicatie van het pak-houdend karakter, hetgeen aansluit op de praktijk. Dit is een indicatieve testmethode, die alleen bij een negatief resultaat zekerheid biedt. Bij een gele verkleuring moet een chemische analyse van PAK door een erkend laboratorium aantonen of de norm overschreden is.

In deze paragraaf (en tevens in 2.3.4.1, § 1, tweede lid, en artikel 5.3.3.4) wordt de term "brekerzand" uit het VLAREA vervangen door de term "brekerzand van asfalt". Daarmee wordt de term "brekerzand" als zodanig geschrapt in het VLAREMA. Zoals voorheen gedefinieerd in het VLAREA was "brekerzand" : zand dat afkomstig is van het zeven, na het breken van puin en na voorafzeving van brekerzeefzand. Het brekerzand ontstaat dus na het breken van alle soorten puin (beton, metselwerk, mengpuin, asfalt) en bij het afzeven van het gebroken puin op een bepaalde maaswijdte. Bijvoorbeeld na zeving van gebroken betonpuin op 4 mm ontstaat de fijne fractie 0-4 mm als brekerzand en gelijktijdig de grove fractie 4-32mm. De oorsprong van fijne en grove fractie is bijgevolg dezelfde namelijk het gebroken betonpuin. De samenstelling van beide fracties zal dezelfde zijn. De mechanische bewerkingen, nl. breking en zeving hebben geen invloed op de verdeling van de eventuele verontreinigingen naar fijne of grove fractie.

Het brekerzand van betonpuin is dus te beschouwen als een volwaardig betongranulaat, weliswaar fijnkorreliger dan andere korrelfracties betongranulaat. Een aparte vermelding als specifiek materiaal is overbodig. Brekerzand kan ook ontstaan na het breken/zeven van metselwerkpuin, mengpuin en asfaltpuin en dezelfde beschouwing blijft geldig.

Om tot een ideale korrelverdeling te komen voor granulaten wordt brekerzand gedoseerd toegevoegd aan de grovere granulaten. Het gebruik van zeefzand in de plaats van brekerzand om op te mengen met grovere granulaten wordt door COPRO en CERTIPRO uitgesloten. Het risico op het wegverdunnen van zeefzanden in granulaten zal in de realiteit niet gebeuren omdat de visuele samenstelling duidelijk verschillend is. De zeefzanden ontstaan voorafgaand aan het breken (brekerzeefzand zie definitie 14° in artikel 1.2.1., § 2) of voorafgaand aan het sorteren (sorteerzeefzand zie definitie 78° ). Zeefzanden kunnen bijgevolg meer verontreinigd zijn met niet-steenachtig materiaal of met organisch materiaal.

In VLAREMA wordt alleen voor de bepaling pak-houdend voor brekerzand van asfalt en asfaltgranulaat een andere methode gebruikt, nl. respectievelijk chemische analyse en de pak-spray-test. Voor fijnkorrelig materiaal is de pak-spray-test niet geschikt en kan alleen de chemische analyse de beoordeling gebeuren.

De chemische analyse moet behouden blijven voor fijnkorrelig asfaltgranulaat. Voor het grofkorrelig asfaltgranulaat wordt de pak-spray-test behouden. Om alle discussie te vermijden over de bepalingsmethode voor pak wordt behalve asfaltgranulaat ook brekerzand van asfalt apart gedefinieerd. Brekerzand van asfalt staat in de lijst van definities als "zand dat afkomstig is van het zeven, na het breken van asfaltpuin en na voorafzeving van brekerzeefzand".

Voor de gebruiksvoorwaarden wordt verwezen naar afdeling 5.3.

Art. 2.3.2.2. Dit artikel bouwt voort op punt 5° van artikel 4.2.2.3, § 1, van het huidige VLAREA voor wat betreft gerecycleerde granulaten. Het verwijst naar de verplichting voor de OVAM om een beheerssysteem op te stellen waarin een door de Vlaamse minister goedgekeurd eenheidsreglement wordt opgenomen voor gerecycleerde granulaten als bouwstoffen. Aan de minister wordt de mogelijkheid gegeven om bij de vaststelling van dit eenheidsreglement de parameterlijst te beperken.

Art. 2.3.2.3. Dit artikel laat toe dat er bij uitzondering wordt afgeweken van de samenstellingsvoorwaarden. Het stemt overeen met de mogelijkheid die werd geboden in artikel 4.2.2.2 van het VLAREA. Evenwel wordt in deze situaties een grondstofverklaring verplicht gesteld. Zoals alle aanvragen tot grondstofverklaring wordt ook de hier bedoelde aanvraag in eerste instantie bij de OVAM ingediend.

Daarnaast wordt ook de mogelijkheid geboden aan de initiële grondstofproducent om een grondstofverklaring aan te vragen, indien op basis van laboratoriumtesten kan aangetoond worden dat aan de samenstellingsvoorwaarden voldaan wordt. De Initiële grondstofproducent heeft immers de grootste impact op de bouwtechnische en milieuhygiënische eigenschappen van het materiaal. Voorwaarde is dat de toepassing onder het beheer van de initiële grondstofproducent gebeurt, die op die wijze verantwoordelijk blijft voor de kwaliteit van het materiaal.

Onderafdeling 2.3.3. - Criteria voor grondstoffen bestemd voor het gebruik als bodem

Art. 2.3.3.1. Er wordt verwezen naar artikel 161 en 162 en niet 'Bodemdecreet' in het algemeen. Dit is conform het VLAREA.

De bepaling in het VLAREA i.v.m. de pesticidennorm artikel 4.2.3.1 1° en 2° is onduidelijk geformuleerd en voor interpretatie vatbaar. Voor de bepaling van de chloorhoudende bestrijdingsmiddelen is geopteerd om de huidige tekst te verduidelijken door de bepalingsgrens expliciet toe te voegen. Alleen de meetresultaten boven de bepalingsgrens (kwantitatief analyseresultaat) worden meegenomen in de somberekening. De overige bepalingen voor bagger- en ruimingsspecie zijn opgenomen in onderafdeling 5.3.4.

Onderafdeling 2.3.4. - Criteria voor grondstoffen bestemd voor gebruik in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas op stortplaatsen van categorieën 1 en 2

Art. 2.3.4.1. De samenstellingscriteria voor grondstoffen bestemd voor gebruik in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas op stortplaatsen van categorieën 1 en 2 (onderafdeling 2.4.4) zijn inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van het VLAREA.

Onderafdeling 2.3.5. - Criteria voor grondstoffen afkomstig van en bestemd voor metallurgische productieprocessen voor non-ferrometalen

Art. 2.3.5.1. § 1. Dit artikel bepaalt dat materialen, afkomstig van en bestemd voor de non-ferrometallurgie, als grondstoffen worden beschouwd, op voorwaarde dat voldaan wordt aan het principe vastgelegd in het eerste lid. Het tweede en derde lid vermelden de overige criteria. In het verleden heeft de OVAM reeds een 100-tal grondstofverklaringen voor dergelijke materialen afgeleverd, en zijn er geen problemen vastgesteld bij de opvolging hiervan. Deze algemene regeling betekent een administratieve vereenvoudiging voor de sector en de overheid.

In de bijhorende bijlage is een omschrijving gegeven van de hier bedoelde productieprocessen. Grondstoffen die gewonnen worden tijdens zuiveringsprocessen (bijv. rookgasstof, slib van de waterzuivering,...) of materialen die een gebruiksfase hebben doorlopen (bijv. ovenpuin, katalysatoren,...) worden niet onder deze processen begrepen. In de communicatie van de Europese commissie (COM-2007/59) wordt dit op basis van de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie in principe uitgesloten, omdat er in vraag kan worden gesteld in hoeverre de stoffilters en waterzuivering een integraal onderdeel uitmaken van het productieproces. Voor zover materiaal een volledige recyclage- of terugwinningsoperatie vereist of contaminanten bevat die moeten worden verwijderd voordat het verder kan worden gebruikt of bewerkt, zou dit erop wijzen dat het een afvalstof is todat de recyclage- of teugwinningsoperatie voltooid is.

Dit neemt niet weg dat vragen voor grondstofverklaringen voor dergelijke materialen wel geval per geval, en op basis van een degelijk onderbouwde aanvraag, behandeld kunnen worden.

Er moet worden opgemerkt dat materialen na de indeling als grondstof in het kader van dit besluit ook moeten voldoen aan alle geldende verplichtingen met betrekking tot productwetgeving zoals REACH.

Indien in geval van grensoverschrijdende overbrenging van de materialen die in het kader van dit besluit als grondstof worden ingedeeld, de bevoegde autoriteiten van verzending en ontvangst het niet eens kunnen worden over de indeling wat betreft het onderscheid tussen afval en grondstof, moeten de materialen als afval worden overgebracht.

§ 2. Deze paragraaf legt vast dat de minister een lijst zal vaststellen met materialen die als grondstoffen kunnen worden beschouwd, met daarin eisen naar samenstellingscriteria of mate van toegelaten verontreinigingen.

§ 3. De bepaling is een uitzonderingsbepaling ten aanzien van de identificatie van de grondstoffenproducent. Artikel 2.2.3, vierde lid, legt vast dat een grondstofverklaring moet gekoppeld zijn aan een grondstoffenproducent of een specifiek productieproces. In de aanvraagprocedure uit onderafdeling 2.4.2 wordt echter gestipuleerd dat de grondstoffenproducent gekend moet zijn en geïdentificeerd. Dit heeft in principe tot gevolg dat één grondstofverklaring kan worden verleend aan een groep producenten, waarvan evenwel iedere afzonderlijke producent gekend moet zijn. Zodoende blijft elke individuele producent ook gebonden aan de bepalingen in artikel 2.2.8. Voor sommige bulkstromen afkomstig van verschillende leveranciers uit de non-ferrometallurgie met een beoogde (her)inzet in de non-ferrometallurgie is deze bepaling irrelevant en niet in overeenstemming met de praktijk. Het specifieke productieproces van de beoogde grondstof moet wel eenduidig omschreven zijn, maar de afzonderlijke producenten hoeven niet gekend te zijn. De verschillende verplichtingen ten aanzien van de grondstof (o.a. artikel 2.2.8) komen daarbij automatisch voor de verantwoordelijkheid van de aanvrager van de grondstofverklaring.

Onderafdeling 2.3.6. - Criteria voor grondstoffen afkomstig van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen en bestemd voor de cementindustrie

Art. 2.3.6.1. § 1. Dit artikel bepaalt dat materialen afkomstig van de ferrometallurgie, als grondstoffen worden beschouwd, op voorwaarde dat voldaan wordt aan het principe vastgelegd in het eerste lid.

Het tweede lid verwijst naar de bijbehorende bijlage waarin een omschrijving wordt gegeven van het metallurgisch proces. Het spreekt voor zich dat de chemische samenstelling van de beoogde grondstof in overeenstemming moet zijn met de beoogde toepassing.

§ 2. Deze paragraaf bepaalt dat de Vlaamse minister een lijst zal opstellen met materialen afkomstig van de ferro-metallurgie die als grondstoffen worden beschouwd. Dezelfde randvoorwaarden bijv. in verband met de productwetgeving, in- en uitvoer,... zoals hierboven vermeld in artikel 2.3.5.1 zijn van toepassing.

§ 3. Deze bepaling is identiek aan de bepaling in art. 2.3.5.1., § 3, maar dan met betrekking tot materialen uit de ferrometallurgie.

Afdeling 2.4. - Grondstofverklaring

Onderafdeling 2.4.1. - Algemene bepalingen

Art. 2.4.1.1. Om een materiaal te kenmerken als grondstof in de zin van dit besluit, is een toetsing aan de definitie van afvalstof de belangrijkste grondslag, in samenhang met de elementen uit de artikelen 36, 37 en 39 van het Materialendecreet. Artikelen 36 en 37 dragen het primair beoordelingskader voor (niet-) afvalstoffen aan, waarbij respectievelijk de voorwaarden voor bijproducten en de voorwaarden voor einde-afval worden aangegeven. Artikel 39 verwijst naar de optie dat er door de Vlaamse Regering specifieke criteria zijn uitgewerkt om een grondstoffenstatuut te bekomen. Het gebruik van de betreffende materialen betekent niet dat de prioriteitsvolgorde, met inachtneming van de decretale regeling voor afwijkingen op die volgorde, vermeld in het Materialendecreet, wordt verlaten. De OVAM kan de gebruiksmogelijkheden van de grondstoffen toetsen aan deze hiërarchie.

Art. 2.4.1.2. Een grondstofverklaring begeleidt de beoordeling van een materiaal als grondstof, waar dit wordt opgelegd of nodig is uit hoofde van dit besluit. In een grondstofverklaring kunnen bijzondere voorwaarden opgenomen zijn met betrekking tot herkomst en gebruik, voor de bescherming van mens en milieu. Deze bijzondere voorwaarden kunnen afwijken van de parameters en gebruiksvoorwaarden in dit hoofdstuk en de bijlagen. Waar dit wenselijk is kan aanvullend bij de aflevering van een grondstofverklaring, een kwaliteitsborgingssysteem worden opgelegd, waarvan de elementen worden opgelijst in artikel 2.4.1.3.

Indien bij de evaluatie van een grondstofverklaring, gerede twijfel bestaat over de stabiliteit en kwaliteit van de output, de gebruikte inputstromen, de traceerbaarheid, enz, kan een kwaliteitsborgingssysteem aangewezen zijn. Door de verscheiden aard van de processen en actoren die grondstoffen voortbrengen, is het niet mogelijk eenduidig aan te geven wanneer een kwaliteitsborgingssysteem nodig is. Dit verschilt naargelang de context. De OVAM zal hiervoor een zo consequent, transparant en praktisch mogelijk beleid voeren.

Art. 2.4.1.3. Aspecten die in een kwaliteitsborgingssysteem aan bod komen en moeten worden nageleefd, zijn gelinkt aan de productie van een grondstof en niet aan een hinderlijke inrichting als zodanig. Het is geen instrument waarin afwijkingen op of bijzondere voorwaarden voor de milieuvergunning (waar van toepassing) hun beslag krijgen.

Onderafdeling 2.4.2. - Aanvraagprocedure grondstofverklaring

Art. 2.4.2.1. De aanvraagprocedure voor grondstofverklaringen wordt in deze onderafdeling uiteengezet. Dit artikel vermeldt dat de natuurlijke of rechtspersoon een formulier daartoe aan de OVAM opstuurt. De OVAM zet dit formulier op haar website.

Art. 2.4.2.2. De aanvraag bestaat uit verschillende onderdelen die hier worden weergegeven. Hoewel een grondstofverklaring kan afgeleverd worden ten aanzien van een productieproces (zie de definitie van grondstofverklaring in het Materialendecreet) en de bepalingen in dit besluit (zie vierde lid, artikel 2.2.3), is het de bedoeling de grondstoffenproducent(en) te kennen bij de behandeling van een grondstofverklaringsaanvraag (de enige uitzonderingen staan in de artikelen 2.3.5.1, § 3, en 2.3.6.1, § 3). De aanvrager kan identiek zijn aan de grondstoffenproducent, maar hoeft dit niet te zijn. De relatie tussen aanvrager en producent(en) moet aangegeven worden.

De bepaling onder punt 7° is analoog aan deze van artikel 2.2.8. § 2, inzake erkende of gekwalificeerde laboratoria.

Punt 8° is zodanig omschreven dat bij de aanvraag van een grondstofverklaringsaanvraag, geen oplijsting van alle gebruiksmogelijkheden, moet worden voorzien, maar dat de specifieke toepassing of gebruik geïdentificeerd moet worden. De eigenschappen van de grondstof bij gebruik, moeten door middel van analyserapporten worden verduidelijkt, bijvoorbeeld inzake uitloogbaarheidskarakteristieken, indien dit besluit dat vraagt. Andere rapporten over milieuveilig gebruik of anderszins kunnen bijgevoegd worden, of in de loop van de aanvraagprocedure bijkomend opgevraagd worden, indien dat nodig wordt geacht. Informatie die beschikbaar is via het eventueel REACH-dossier, kan ook belangrijke informatie aanleveren.

Het digitaal bijhouden van de gegevens over de milieukwaliteit bij aanvraag van een grondstofverklaring maakt het mogelijk om deze specifieke informatie gemakkelijker te kunnen bundelen voor gelijkaardige materiaalstromen. De opvolging van trends, knelpuntparameters en impact van kwaliteitsborgingssystemen zullen minder inspanningen vergen. Zoals in onderafdeling 7.2.3 is het de bedoeling om een juridische basis te voorzien voor de digitale uitwisseling van data in de toekomst.

Art. 2.4.2.3. De termijnen voor het behandelen van de aanvraag staan in dit artikel. In principe zijn grondstofverklaringen onbeperkt geldig, maar omwille van te verwachte wijzigende omstandigheden, milieutechnische criteria of anderszins, is een beperking van die termijn mogelijk.

Art. 2.4.2.4. Er kan een beroep ingediend worden tegen een beslissing over het afleveren van een grondstofverklaring. De basis is hiervoor vastgelegd in artikel 40 van het Materialendecreet. De minister behandelt het beroepsdossier door een bestudering van de kenmerkende eigenschappen van de case, in het licht van de beginselen voor de einde-afvalfase en het streven naar milieubescherming, vermeld in het Materialendecreet. Er is geen decretale basis voor het raadplegen of instellen van een overlegplatform dat de minister hierbij advies verleent. Maar afhankelijk van de aard van het dossier en de beroepsbezwaren, kan desgevallend aan bestaande overlegfora binnen het kader van het duurzaam beheer van materialen, gevraagd worden zich zonder verbintenis uit te spreken over het ingediende beroep.

Tegen beslissingen van de minister kan natuurlijk steeds beroep ingesteld worden bij de Raad van State, dit zowel voor de beslissingen afgeleverd door de minister in eerste instantie (artikel 2.4.2.3, § 4) als voor deze in beroep afgeleverd (conform dit artikel of artikel 2.4.3.1, § 2).

Art. 2.4.2.5. Dit artikel geeft weer wat de elementen zijn in een grondstofverklaring.

Art. 2.4.2.6. Bij transport en opslag van een grondstof, is een kopie van de grondstofverklaring nodig, tenzij de grondstofverklaring op een elektronische wijze direct aantoonbaar is. De opdrachtgever voor het transport of de opslag is hiervoor verantwoordelijk.

Onderafdeling 2.4.3 - Opheffing grondstofverklaring

Art. 2.4.3.1. § 1. De beslissingsgrond voor het intrekken van grondstofverklaringen is verbreed ten opzichte van het VLAREA. De basis voor het intrekken van een grondstofverklaring ligt niet langer alleen bij het niet voldoen aan milieutechnische criteria/analyses. In het kader van een materialenbeleid moet een grondstofverklaring in functie staan van de gebruikscontext of geldende wetgeving. Indien door wijzigingen in de context of door nieuwe rechtspraak of wetgeving, de in de verklaring vastgestelde aanwending niet langer gewenst of mogelijk is, moet het mogelijk zijn een verklaring in te trekken. Men denke bijvoorbeeld aan een grondstof als brandstof, waarvoor door verbeterde recyclagetechnieken wel recyclagemogelijkheden ontstaan. Daarmee is het mogelijk in te spelen op gewijzigde inzichten of voorkeuren ten aanzien van de verwerkingshiërarchie.

Tevens kan het oneigenlijk gebruik van een grondstof, zoals opgenomen in de grondstofverklaring, leiden tot het opheffen van de grondstofverklaring.

§ 2. De procedure samengevat :
1. voornemen tot opheffing;
2. bedrijf voert verweer aan binnen 30 dagen;
3. de OVAM moet opheffen binnen 60 kalenderdagen bij overschrijden termijn of bij onvoldoende verweer;
4. het voornemen wordt ingetrokken, ofwel bij betekening hiervan binnen 60 kalenderdagen na ontvangst verweermiddelen, ofwel laat de OVAM deze termijn verstrijken en kan het bedrijf het voornemen tot intrekken als ingetrokken beschouwen.

Ook tegen de beslissing van de opheffing kan beroep worden ingesteld, conform de modaliteiten in artikel 2.4.2.4.

Art. 2.4.3.2. De OVAM voorziet een register met verleende en opgeheven grondstofverklaringen. Dit register is openbaar.

HOOFDSTUK 3. - Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

Afdeling 3.1. - Algemene bepalingen

Art. 3.1.1. Artikel 21, § 2, van het Materialendecreet geeft de Vlaamse Regering het mandaat om afvalstoffen aan te duiden waarvoor een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid geldt. In het VLAREA wordt dit gedaan in artikel 3.1.1.1 voor de afvalstoffen waarvoor een aanvaardingsplicht geldt en in hoofdstuk 5 voor de afvalstoffen waarvoor een collectief plan moet opgesteld worden. Voor twee afvalstoffen vervalt de plicht tot het opstellen van een collectief plan : houtafval en vloerbedekkingsafval. De meerwaarde van de bestaande plannen werd als onvoldoende geëvalueerd. Er moet worden geanalyseerd of en welke nieuwe beleidsinitiatieven in de toekomst wenselijk zijn.

De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor afvalbanden is beperkt tot de afvalbanden uit de vervangmarkt en uit eerste montage. Deze beperking van het toepassingsgebied, die in het VLAREA ook is opgenomen, wordt verschoven naar de bepalingen specifiek voor afvalbanden (onderafdeling 3.4.3). Bijkomend wordt een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid opgelegd op afgedankte zonnepanelen vanaf 1/1/2013. Deze wordt specifiek ingevuld in onderafdeling 3.4.9 door middel van de aanvaardingsplicht.

De datum waarop de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt ingevoerd, is terug te vinden in de afvalstofspecifieke bepalingen in afdeling 4 van het hoofdstuk.

Het tweede lid van dit artikel geeft aan dat in afdeling 4 van dit hoofdstuk per afvalstof wordt aangegeven op welke manier uitvoering wordt gegeven aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Voor elke afvalstof die wordt aangeduid in artikel 3.1.1 bestaat een onderafdeling in afdeling 4 waarin de afvalstofspecifieke voorwaarden zijn opgelijst.

Art. 3.1.3. Dit artikel stelt duidelijk dat de verplichtingen die voortkomen uit de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, gelden vanaf de datum van invoering van de uitgebreide verantwoordelijkheid. Ingeval initiatief noodzakelijk is van de producenten om uitvoering te geven aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, voorkomt dit artikel dat de producenten baat zouden hebben bij een afwachtende houding.

Afdeling 3.2. - Aanvaardingsplicht

Onderafdeling 3.2.1. - Algemene bepalingen

Art. 3.2.1.1. Dit artikel is een overname van artikel 3.1.1.2 van het VLAREA. Er worden enkele wijzigingen aangebracht ten aanzien van het bestaande artikel.

§ 1. Deze paragraaf is een overname van artikel 3.1.1.2, § 1, van het VLAREA. De paragraaf wordt aangevuld met de verplichte terugname van afvalstoffen voor tussenhandelaars en producenten ten gevolge van de aanvaardingsplicht bij aankoop van een nieuw product door een consument (1-1). Dit is een verkorte overname van artikel 10, § 1 tot en met § 4, uit het Afvalstoffendecreet.

§ 2. Deze paragraaf is een overname van artikel 3.1.1.2., § 2 van het VLAREA. De paragraaf handelt over de afvalstoffen waarvoor een plicht tot inontvangstname geldt, ook indien de consument geen nieuw product aanschaft (1-0). Gezien hierin voorheen alle aanvaardingsplichtige afvalstoffen opgesomd werden, wordt deze opsomming weggelaten. Het tweede lid is een herwerking van het tweede en derde lid van de oorspronkelijke versie van deze paragraaf. De herwerking wil de leesbaarheid ten goede komen en houdt geen inhoudelijke wijzigingen in.

Het verschil in paragraaf 1 en 2 ligt in het feit dat van 1-0 kan worden afgeweken volgens de bepaling in lid 2 van paragraaf 2. Zo moet een koelkast altijd worden teruggenomen door de eindverkoper als de consument een nieuwe koelkast koopt (1-1), maar moet de eindverkoper dit niet aanvaarden als de consument geen nieuw toestel koopt (1-0) indien de consument ergens anders terecht kan (bijv. containerpark).

§ 3. Deze paragraaf is een overname van artikel 3.1.1.2., § 4 van het VLAREA. Het wordt nu als § 3 gezet omdat het handelt over inzameling en als dusdanig beter aansluit bij § 1 en § 2.

Omtrent de vergoeding voor de kosten wordt nu expliciet gesproken over de netto kosten (inzamelkosten - marktwaarde (= verkoopwaarde) van de ingezamelde afvalstoffen). Met inzamelkosten worden de kosten bedoeld die zijn omschreven in het ministerieel besluit van 18 juli 2005 houdende vaststelling van nadere regels voor de aanrekening van de inzamelkosten op containerparken door producenten in het kader van de aanvaardingsplicht. Met marktwaarde worden de financiële middelen bedoeld die het inzamelpunt verwerft door verkoop van de afvalstoffen. Er wordt eveneens toegevoegd dat de vergoeding van de kosten in onderling overleg wordt vastgelegd. Indien geen akkoord wordt bereikt, wordt teruggevallen op nadere regels die door de minister kunnen worden vastleggen. Zo is er voor de vergoeding van containerparken het ministerieel besluit van 18 juli 2005 houdende vaststelling van nadere regels voor de aanrekening van de inzamelkosten op containerparken door producenten in het kader van de aanvaardingsplicht. Er wordt ook op gewezen dat de inzameling gratis moet zijn om recht te hebben op de vergoeding.

Bovendien wordt in deze paragraaf de plicht tot samenwerking met de gemeenten voor huishoudelijke afvalstoffen uit het Materialendecreet herhaald. Dit houdt in dat de producenten een overeenkomst moeten sluiten met de gemeenten met betrekking tot de organisatie van de inzameling en de financiering ervan. Er wordt aangegeven dat de mogelijkheid tot afwijking van deze plicht, die is voorzien in het Materialendecreet, desbetreffend zal worden vastgelegd in afdeling 3.4.

§ 4. Deze paragraaf is een overname van artikel 3.1.1.2., § 3 van het VLAREA. Deze paragraaf wordt ingekort in die zin dat de bepalingen die specifiek betrekking hadden op afgedankte voertuigen en afgedankte elektrische en elektronische apparaten nu worden opgenomen in de respectievelijke onderafdelingen van die afvalstoffen in afdeling 4 van dit hoofdstuk.

§ 5. Deze paragraaf is een letterlijke overname van artikel 3.1.1.2., § 5 van het VLAREA.

§ 6. Deze paragraaf is een letterlijke overname van artikel 3.1.1.3. van het VLAREA. Deze paragraaf handelt over de opname van de kostprijs voor de aanvaardingsplicht op de factuur en sluit dus beter aan bij § 5 van dit artikel.

§ 7. Deze paragraaf is een letterlijke overname van artikel 3.1.1.2., § 6 van het VLAREA.

§ 8. Deze paragraaf is een letterlijke overname van artikel 3.1.1.2., § 7 van het VLAREA.

Art. 3.2.1.2. Dit artikel is een overname van artikel 3.1.1.4. van het VLAREA. Er worden enkele wijzigingen aangebracht ten aanzien van het bestaande artikel om de leesbaarheid te verbeteren. Daarnaast wordt § 3 hier geschrapt, maar wordt dit letterlijk overgenomen in artikel 3.2.2.1.

§ 1. Deze paragraaf is een overname van artikel 3.1.1.4., § 1 van het VLAREA met enkele aanpassingen. Om de leesbaarheid te verhogen wordt de eerste zin aangepast door de verwijzing naar artikel 3.1.1.1. en artikel 3.1.1.2. van het VLAREA te schrappen alsook de verwijzing naar het Afvalstoffendecreet. Deze verwijzingen zijn hier niet noodzakelijk.

In 1° wordt, ter verduidelijking, bijkomend verwezen naar de onderafdeling die handelt over individuele afvalpreventie- en afvalbeheerplannen.

In 2° wordt, ter verduidelijking, bijkomend verwezen naar de onderafdeling die handelt over milieubeleidsovereenkomsten.

§ 2. Deze paragraaf is een letterlijke overname van artikel 3.1.1.4, § 2 van het VLAREA.

Art. 3.2.1.3. Dit artikel is een overname van artikel 3.1.1.5. van het VLAREA. Er worden enkele wijzigingen aangebracht ten aanzien van het bestaande artikel. § 1 en § 2 worden hier geschrapt, maar worden overgenomen in artikel 3.2.2.2.

§ 1. Deze paragraaf wordt toegevoegd om de leesbaarheid te verhogen en het toepassingsgebied van § 2 te verduidelijken. Met de paragraaf wordt de jaarlijkse rapporteringsplicht duidelijk opgenomen in de algemene bepalingen.

§ 2. Deze paragraaf is een overname van artikel 3.1.1.5., § 3 van het VLAREA. De paragraaf wordt aangepast in die zin dat de term gecertificeerd overal wordt vervangen door gevalideerd en controleorganisme wordt vervangen door keuringsinstelling. Deze termen sluiten beter aan bij het toepasselijke vakjargon.

§ 3. Deze paragraaf is een letterlijke overname van artikel 3.1.1.5., § 4 van het VLAREA.

Art. 3.2.1.4. Dit artikel is een overname van artikel 3.1.1.6. van het VLAREA met enkele wijzigingen in § 1.

§ 1. Deze paragraaf is een overname van artikel 3.1.1.6., § 1 van het VLAREA met enkele wijzigingen. Naast de eindverkoper en de tussenhandelaar wordt nu ook de producent verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden. Dit is logisch gezien hij in het kader van de aanvaardingsplicht ook verplicht is om aangeboden afvalstoffen te aanvaarden. In 1° wordt niet langer gevraagd om de hoeveelheid aangevoerde afvalstoffen bij te houden. Het is immers niet de intentie dat eindverkopers en tussenhandelaars een registratie bijhouden van alle teruggenomen producten. De hoeveelheid afgevoerde afvalstoffen moet wel nog worden geregistreerd en dit moet in principe overeenkomen met de aangevoerde hoeveelheid. Eveneens wordt in 1° niet meer gevraagd om de hoeveelheden per categorie bij te houden. De toevoeging 'per categorie' geeft niet duidelijk weer wat hieronder dient te worden begrepen. In 3° wordt gesteld dat de aard van de afvalstoffen moet worden geregistreerd en dat is voldoende. Daarnaast wordt bijkomend als 2° gevraagd om de datum van afvoer bij te houden. Dit laat toe om te controleren of de afvoer op een regelmatige basis gebeurt.

§ 2. Deze paragraaf is een letterlijke overname van artikel 3.1.1.6., § 2 het VLAREA.

§ 3. Deze paragraaf is een letterlijke overname van artikel 3.1.1.6., § 3 van het VLAREA.

Onderafdeling 3.2.2. - Milieubeleidsovereenkomst

Art. 3.2.2.1. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.1.1.4. § 3 van het VLAREA. Alleen wordt aan het laatste lid toegevoegd dat er, onder voorwaarde van goedkeuring door de OVAM, kan worden afgeweken van de plicht om in het beheersplan, het financieel plan en in de lastenboeken een onderscheid te maken tussen huishoudelijke en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen enerzijds, en bedrijfsafvalstoffen anderzijds. In bepaalde gevallen is het immers niet relevant om dit onderscheid te maken. Zo maakt de Europese batterijenrichtlijn 2006/66/EG bijvoorbeeld een onderscheid tussen draagbare, industriële en autobatterijen maar niet tussen huishoudelijke- en bedrijfsafvalstoffen. Het komt ook voor dat het operationeel inzamel- en verwerkingssysteem geen onderscheid maakt tussen huishoudelijke en bedrijfsafvalstoffen.

Het beheersorganisme of een ander gezamenlijk orgaan dat de taken uitoefent in naam van de representatieve organisaties, organiseert die taken op een efficiënte en effectieve wijze, met het oog op het behalen van de beste resultaten tegen aanvaardbare kosten. In dat kader zal bij voorkeur een beroep worden gedaan op de vrije, reguliere markt van inzameling en verwerking van afvalstoffen. Monopolievorming wordt zoveel mogelijk voorkomen of tegengegaan. De OVAM zal die principes bewaken door toe te zien op de inhoud en de strekking van de documenten, vermeld in art.3.2.2.2, § 1, die haar ter goedkeuring worden voorgelegd.

Art. 3.2.2.2. Dit artikel is een overname van artikel 3.1.1.5. § 1 en § 2 van het VLAREA. Alleen de beschrijving van de adviesprocedure in § 2 wordt qua zinsbouw beter afgestemd op de beslissingsprocedure in § 1.

Onderafdeling 3.2.3. - Individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan

Art. 3.2.3.1. Dit artikel is een overname van artikel 3.1.2.1. van het VLAREA.

Onder 2° wordt een kleine wijziging doorgevoerd om de leesbaarheid te verhogen.

Onder 3° wordt aan de voorwaarde tot gratis in ontvangst nemen toegevoegd dat hiervan kan worden afgeweken indien deze mogelijkheid wordt voorzien in de afvalstofspecifieke bepalingen zoals bepaald in afdeling IV van dit hoofdstuk. Dit komt tegemoet aan het feit dat voor professionele AEEA geen plicht tot gratis inontvangstname geldt. In de desbetreffende individuele afvalpreventie- en afvalbeheerplannen konden de producenten zich dan ook niet altijd verbinden tot het gratis in ontvangst nemen.

Art. 3.2.3.2. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.1.2.1. van het VLAREA.

Art. 3.2.3.3. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.1.2.2. van het VLAREA.

Art. 3.2.3.4. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.1.2.3. van het VLAREA.

Art. 3.2.3.5. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.1.2.4. van het VLAREA

Afdeling 3.3. - Collectief plan

In het VLAREA zijn geen definities of algemene bepalingen voor het instrument collectief plan opgenomen. Teneinde het instrument duidelijker te omschrijven en te formaliseren wordt een afdeling opgenomen met algemene bepalingen over het instrument.

Art. 3.3.1. Het eerste lid omschrijft het instrument 'collectief plan'. Er wordt aangegeven dat een gemeenschappelijk plan wordt verwacht van de betrokken sector. In dit plan moet beschreven worden hoe de sector uitvoering zal geven aan de afvalstofspecifieke bepalingen die vastgelegd zijn in afdeling IV van dit hoofdstuk. De afvalstofspecifieke bepalingen kunnen variëren per afvalstof en hebben bijvoorbeeld betrekking op een sensibiliseringsplicht of een financieringsplicht.

Het tweede lid geeft aan wat minimaal moet worden beschreven in een collectief plan : een oplijsting van de producenten die het plan indienen, de afvalstoffen en de concrete engagementen en doelstellingen. Er wordt geopteerd voor een beperkte opsomming zodat er voldoende ruimte is om een afvalstofspecifieke invulling mogelijk te maken.

Art. 3.3.2. Er wordt vastgelegd dat jaarlijks een actieplan moet worden ingediend. Hierin worden de belangrijkste actiepunten voor het komende jaar voorgesteld. Dit is analoog als bij een milieubeleidsovereenkomst in uitvoering van de aanvaardingsplicht waar jaarlijks een actualisatie van het beheersplan wordt gevraagd. Op deze manier blijft de OVAM op de hoogte van nieuwe initiatieven die worden ontwikkeld tijdens de looptijd van het collectief plan.

Art. 3.3.3. Dit artikel regelt de wijze van goedkeuring van het collectief plan en het jaarlijkse actieplan. De procedure is analoog aan deze die geldig is voor de documenten (lastenboek, beheersplan en communicatieplan) die moeten worden opgesteld in het kader van een milieubeleidsovereenkomst in uitvoering van de aanvaardingsplicht.

Art. 3.3.4. Dit artikel legt de maximale looptijd voor een collectief plan op 5 jaar. Dit is analoog aan de looptijd van een milieubeleidsovereenkomst of individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan in uitvoering van de aanvaardingsplicht.

Art. 3.3.5. Dit artikel voert een jaarlijkse rapporteringsplicht in. Dit laat de OVAM toe om de uitvoering van het collectief plan op te volgen en informatie te verzamelen voor de eventuele bijsturing van het beleid.

Afdeling 3.4. - Afvalstofspecifieke bepalingen

Onderafdeling 3.4.1. - Afval van drukwerk

Art. 3.4.1.1. Dit artikel is een overname van artikel 3.2.1. van het VLAREA. Er worden enkele kleine wijzigingen aangebracht ter verduidelijking en om de leesbaarheid te verbeteren.

Art. 3.4.1.2. Het eerste lid legt voor deze afvalstof de aanvaardingsplicht op. Conform de nieuwe structuur van het hoofdstuk wordt de toewijzing van het instrument (de aanvaardingsplicht) onder de afvalstofspecifieke bepalingen geplaatst.

In het tweede lid wordt afgeweken van de algemene bepaling van de aanvaardingsplicht die stelt dat eindverkopers, tussenhandelaars en producenten de afvalstoffen, waarvan de consument zich ontdoet, bij hen moeten aanvaarden. De afwijking komt voor uit het feit dat inzameling van drukwerkafvalstoffen via de distributie niet ingeburgerd is in deze sector en er via de containerparken en de huis-aan-huis inzameling voldoende efficiëntere alternatieven beschikbaar zijn.

Het derde lid is een letterlijke overname van artikel 3.2.5. § 5 van het VLAREA. Het wordt onder dit artikel geplaatst omdat het een afwijking betreft op de algemene bepalingen van de aanvaardingsplicht uit afdeling 2.

Art. 3.4.1.3. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.2.2. van het VLAREA.

Art. 3.4.1.4. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.2.3. van het VLAREA.

Art. 3.4.1.5. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.2.4. van het VLAREA.

Art. 3.4.1.6. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.2.5. van het VLAREA met uitzondering van § 5. Deze paragraaf is hier geschrapt, maar is letterlijk overgenomen in artikel 3.4.1.3., § 3.

Onderafdeling 3.4.2. - Afgedankte voertuigen

Art. 3.4.2.1, § 1. Deze paragraaf legt voor deze afvalstof de aanvaardingsplicht op. Conform de nieuwe structuur van het hoofdstuk wordt de toewijzing van het instrument (de aanvaardingsplicht) onder de afvalstofspecifieke bepalingen geplaatst.

§ 2. In deze paragraaf wordt afgeweken van de algemene bepaling van de aanvaardingsplicht die stelt dat eindverkopers, tussenhandelaars en producenten de afvalstoffen, waarvan de consument zich ontdoet, bij hen moeten aanvaarden. De afwijking komt voor uit het feit dat de inzameling van afgedankte voertuigen wordt geregeld via een aantal punten van inontvangstname. Daarbij wordt als voorwaarde bepaald dat het aantal punten voldoende moet zijn en dat deze punten op een evenwichtige wijze verdeeld zijn zodat een voldoende dekkingsgraad van het grondgebied van het Vlaamse Gewest gegarandeerd wordt.

§ 3. Deze paragraaf is een overname van artikel 3.1.1.2, § 3, van het VLAREA.

§ 4. In deze paragraaf wordt afgeweken van de algemene bepaling van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en de aanvaardingsplicht die stelt dat huishoudelijke afvalstoffen moeten worden ingezameld in samenwerking met de gemeenten. De afwijking komt voort uit het feit dat de inzameling van afgedankte voertuigen wordt geregeld via een aantal punten van inontvangstname zoals bepaald in § 2. Voor afgedankte voertuigen wordt de door de gemeente georganiseerde afvalinzameling niet als een efficiënt en effectief inzamelkanaal beschouwd.

Art. 3.4.2.2. Dit artikel is een overname van artikel 3.3.1. van het VLAREA met enkele lichte wijzigingen. In de eerste zin is het woord voertuigwrakken geschrapt omdat afgedankte voertuigen de correcte term is. In de doelstellingen voor hergebruik en recyclage is "alle" toegevoegd bij afgedankte voertuigen om in overeenstemming te zijn met de Europese wetgeving.

De problematiek van glasrecycling is niet behandeld bij de doelstellingen inzake recyclage en verwerking, maar verdient enige toelichting. De Vlarem-wetgeving van toepassing voor de erkende centra voor het depollueren, demonteren en vernietigen van afgedankte voertuigen bepaalt dat glas uit de voertuigen moet worden gedemonteerd en selectief ingezameld met het oog op recycling, indien dit glas na shreddering niet zodanig wordt gescheiden dat het als materiaal kan teruggewonnen worden.

In de praktijk wordt het glas meestal niet gedemonteerd door de erkende centra. De shredders bieden de erkende centra namelijk de garantie dat het glas uit het shredderafval gerecycleerd wordt. Begin 2011 voerde de OVAM een controle uit op de filière van de glasfractie om na te gaan of de recyclage in de praktijk daadwerkelijk gebeurt. Uit deze controle blijkt dat het shredderafval wordt behandeld in een PST-installatie (PST = post shredder technologie). De fractie die uit de PST-installatie komt en het glas bevat, wordt als secundaire grondstof gebruikt in bouwtoepassingen. Hoewel het om downcycling gaat, wordt de glasfractie afkomstig van afgedankte voertuigen in de praktijk dus gerecycleerd en wordt voldaan aan de wetgeving.

De glasrecycleurs zijn vragende partij voor gedemonteerde en selectief ingezamelde autoruiten, zodat zij het glas kunnen recycleren waarna dit kan ingezet worden bij de productie van nieuwe autoruiten. Dit is dus een vorm van hoogwaardigere recyclage. Volgens de sector van de erkende centra is demontage van autoruiten echter economisch niet haalbaar. Aangezien de OVAM ook voorstander is van het sluiten van materiaalkringlopen, plant de OVAM een onderzoek om inzicht te krijgen in de kosten en baten van voorafgaande demontage van autoruiten. Hierbij zal eveneens onderzocht worden wat in andere landen gebeurt met het glas afkomstig van afgedankte voertuigen.

Art. 3.4.2.3. Dit artikel is een overname van artikel 3.3.2. van het VLAREA met enkele wijzigingen. De aanvaarding van afgedankte voertuigen door de eindverkopers wordt georganiseerd via de punten van inontvangstname zoals bepaald in artikel 3.4.2.1., § 2. De producenten voorzien een inzameling van de afgedankte voertuigen bij de punten van inontvangstname en laten de afgedankte voertuigen verwerken in erkende centra voor depollutie, ontmanteling en vernietiging van afgedankte voertuigen. De tussenhandelaars hebben geen verplichtingen in deze regeling.

Art. 3.4.2.4. Dit artikel is een overname van artikel 3.3.4. van het VLAREA met enige aanpassingen. De huidige paragraaf 1 wordt geschrapt omdat de inzameling van afgedankte voertuigen verloopt via de punten van inontvangstname bij de erkende centra voor depollutie, ontmanteling en vernietiging van afgedankte voertuigen. De gegevens over de inzameling moeten dus ook niet aangeleverd worden door de eindverkopers. De huidige paragraaf 2 wordt eveneens geschrapt omdat de inzameling van afgedankte voertuigen verloopt via de punten van inontvangstname. De tussenhandelaars zijn niet betrokken in deze regeling.

Het eerste lid is een overname van artikel 3.3.4. § 3 van het VLAREA met een aantal aanpassingen.

In 1° wordt niet langer gevraagd om te rapporteren over het aantal voertuigen waarvoor een certificaat van vernietiging is afgeleverd. Dit komt namelijk overeen met het aantal afgedankte voertuigen dat is aanvaard door erkende centra dat wordt gevraagd in 2°.

In 2° wordt de rapporteringsplicht ten aanzien van de eindverkopers opgeheven. De gevraagde informatie wordt immers aangeleverd via de erkende centra en het is niet belangrijk om te weten hoeveel afgedankte voertuigen eerst via de eindverkopers zijn gekomen.

In 3° en 4° worden geen wijzigingen aangebracht.

Het tweede lid is een overname van artikel 3.3.4. § 4 van het VLAREA met enkele kleine aanpassingen om de leesbaarheid in samenhang met artikel 3.2.1.4. te verhogen.

Art. 3.4.2.5. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.3.5. van het VLAREA met uitzondering van het feit dat de term (vergunde) verwerkingsinrichtingen is vervangen door erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen.

Onderafdeling 3.4.3. - Afvalbanden

Art. 3.4.3.1. Het eerste lid beperkt het toepassingsgebied van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor afvalbanden tot deze die afkomstig zijn uit de vervangmarkt of eerste montage. Om verwarring voor de andere afvalstromen te vermijden wordt deze beperking verschoven naar de afvalstofspecifieke bepalingen.

Het tweede lid legt voor deze afvalstof de aanvaardingsplicht op en geeft de data weer waarop de aanvaardingsplicht werd ingevoerd. Conform de nieuwe structuur van het hoofdstuk wordt de toewijzing van het instrument (de aanvaardingsplicht) en de datum van invoering onder de afvalstofspecifieke bepalingen geplaatst. De datum van inwerkingtreding van de aanvaardingsplicht voor afvalbanden uit eerste montage wordt nu ter verduidelijking ook vermeld.

In het derde lid wordt afgeweken van de algemene bepaling van de aanvaardingsplicht die stelt dat huishoudelijke afvalstoffen moeten worden ingezameld in samenwerking met de gemeenten. De afwijking komt voort uit het feit dat de inzameling van afvalbanden hoofdzakelijk via de distributie verloopt. Er kan uiteraard worden samengewerkt met de gemeenten voor de inzameling, maar dit wordt niet verplicht. Daarenboven kan worden opgemerkt dat afvalbanden niet echt als huishoudelijke afvalstoffen moeten worden begrepen omdat deze niet ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding. Hierdoor vervalt de plicht tot samenwerking met de gemeenten omdat deze alleen geldt voor huishoudelijke afvalstoffen. Voor alle duidelijkheid werd er geopteerd om de afwijking toch hier expliciet te vermelden.

Art. 3.4.3.2. Dit is een overname van artikel 3.4.1. van het VLAREA met een aanpassing van de inzameldoelstelling onder 1°. Daar waar in de huidige versie alle afvalbanden moeten worden ingezameld, wordt dit nu beperkt tot de inzameling van alle afvalbanden die worden aangeboden met een maximum van 100 % van de hoeveelheid nieuwe banden die door de producenten op de markt worden gebracht. Deze beperking wordt ingevoerd omdat het inzamelpercentage de laatste jaren meer dan 100 % bedraagt. Dit kan vermoedelijk verklaard worden doordat het systeem van de gratis inzameling in de praktijk aanleiding geeft tot een aanzuigeffect waarbij banden uit illegale stocks en/of het buitenland mee worden ingezameld. De producenten van banden zijn echter niet verantwoordelijk voor dit surplus aan ingezamelde banden. De bijdrage die de consument betaalt is ook niet bedoeld om dit surplus te financieren.

Art. 3.4.3.3. Dit artikel is een overname van artikel 3.4.2. van het VLAREA waarbij de onderverdeling in soorten banden in 1° is geschrapt omdat de producentenverantwoordelijkheid nu geldt voor alle afvalbanden (met uitzondering van fietsbanden) en niet meer beperkt is tot de categorieën van banden die hier werden opgesomd.

Ten overvloede wordt gewezen op de verplichting om binnen het individueel afvalpreventie- en beheerplan of een MBO, de principes te huldigen uit artikel 3.2.1.1, § 1 en § 2 (1-1 en 1-0 principe).

Art. 3.4.3.4. Dit artikel is een overname van artikel 3.4.4. van het VLAREA met een aanpassing van leden 1 en 2. In beide leden werden 1° en 2° herschreven. De eindverkoper en de tussenhandelaar moeten niet meer rapporteren over de aantallen afvalbanden die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht in ontvangst werden genomen. Net als voor de producenten volstaat ook voor hen de rapportage over de ingezamelde hoeveelheid en de soorten afvalbanden. Daarnaast moet de eindverkoper niet meer rapporteren over de hoeveelheid banden die in aanmerking komen voor hergebruik. Het is de eindverkoper die beslist of een in ontvangst genomen band al dan niet een afvalband is. Wanneer het gaat om een herbruikbare band is dit geen afvalband en dient er dus ook niet over gerapporteerd te worden.

Onderafdeling 3.4.4. - Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

Art. 3.4.4.1, § 1. Deze paragraaf legt voor deze afvalstof de aanvaardingsplicht op. Conform de nieuwe structuur van het hoofdstuk wordt de toewijzing van het instrument (de aanvaardingsplicht) onder de afvalstofspecifieke bepalingen geplaatst. De term lampen wordt gespecificeerd tot gasontladingslampen omdat alleen hiervoor een aanvaardingsplicht geldt.

§ 2. Deze paragraaf is een letterlijke overname van artikel 3.1.1.2, § 3, 2°, van het VLAREA met uitzondering van het feit dat expliciet is toegevoegd dat deze paragraaf alleen van toepassing is op huishoudelijke afgedankte elektrische en elektronische toestellen. Voor professionele toestellen moet de aanvaarding door de producent, conform de Europese richtlijn, niet per definitie gratis zijn en zijn de voorwaarden voor gratis aanvaarding derhalve niet van toepassing.

Art. 3.4.4.2. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.5.1. van het VLAREA.

Art. 3.4.4.3. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.5.1bis van het VLAREA waarbij de term waarborg is vervangen door de term financiële zekerheid gezien deze laatste steeds wordt gebruikt in andere artikelen en in de milieubeleidsovereenkomsten.

Art. 3.4.4.4. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.5.2. van het VLAREA met uitzondering van de laatste zin uit § 1 die is geschrapt. De algemene regels die bepalen wanneer materialen al dan niet het statuut afvalstof krijgen, zijn van toepassing. Het is niet aan de orde hier wijzigingen in aan te brengen.

Art. 3.4.4.5. Dit artikel is een overname van artikel 3.5.3. van het VLAREA waarbij enkele zaken zijn geschrapt in § 1.

Dit eerste lid is een overname van artikel 3.5.3. § 1 van het VLAREA waarbij de inzameldoelstellingen die niet meer relevant zijn werden geschrapt. Ook de bepaling dat de Vlaamse Regering uiterlijk op 1 juli 2009 een nieuwe minimale doelstelling inzake inzameling vastlegt is verwijderd. Er wordt afgewacht op de lopende herziening van de Europese AEEA-richtlijn om nieuwe doelstellingen te formuleren.

Het tweede lid is een letterlijke overname van artikel 3.5.3, § 2, van het VLAREA met uitzondering van het feit dat de doelstelling inzake 65 % voor hergebruik en recyclage van batterijen is verwijderd. Dit werd vervangen door een verwijzing naar de verwerkingsdoelstellingen die in artikel 3.4.5.2 zijn opgelegd in het kader van de aanvaardingsplicht voor afgedankte batterijen.

Art. 3.4.4.6. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.5.4 van het VLAREA.

Art. 3.4.4.7. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.5.6 van het VLAREA. De gegevens die de eindverkoper uit hoofde van paragraaf 1, 2°, a) aan de OVAM ter beschikking stelt, gaan over de selectie die bij hem wordt aangeboden in het kader van de AVP.

Art. 3.4.4.8. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.5.7 van het VLAREA.

Onderafdeling 3.4.5. - Afgedankte batterijen en accu's

Art. 3.4.5.1. Het eerste lid legt voor deze afvalstof de aanvaardingsplicht op en vermeld de datum waarop de aanvaardingsplicht werd ingevoerd. Conform de nieuwe structuur van het hoofdstuk wordt de toewijzing van het instrument (de aanvaardingsplicht) en de datum van invoering onder de afvalstofspecifieke bepalingen geplaatst.

In het tweede lid wordt afgeweken van de algemene bepaling van de aanvaardingsplicht die stelt dat huishoudelijke afvalstoffen moeten worden ingezameld in samenwerking met de gemeenten. De afwijking komt voort uit het feit dat afgedankte autobatterijen en -accu's normaal gezien een restwaarde hebben die hoger is dan de inzamel- en verwerkingskost. Onder positieve marktwaarde bij een inzamelpunt wordt verstaan dat de verkoopwaarde voor dat inzamelpunt groter is dan de inzamelkost. Met inzamelkosten worden de kosten bedoeld die zijn omschreven in het ministerieel besluit houdende vaststellingen van nadere regels voor de aanrekening van de inzamelkosten op containerparken door producenten in het kader van de aanvaardingsplicht van 18 juli 2005. In dat geval moet er ook geen systeem worden opgezet om een financiering voor de gemeenten te voorzien. De afwijking is onder voorwaarde dat de restwaarde voldoende hoog is zodanig dat de gemeenten geen kosten moeten dragen. Daarnaast worden deze batterijen ook veelal ingezameld via andere kanalen (bv. garages) en heeft Recybat geen contract met de gemeenten nodig voor de gegevensinzameling omdat de rapportering op een andere manier wordt opgesteld.

§ 3. In deze paragraaf wordt afgeweken van de algemene bepaling van de aanvaardingsplicht die stelt dat de cijfergegevens die in het kader van de aanvaardingsplicht worden verstrekt, gevalideerd moeten worden. De afwijking wordt voorzien voor afgedankte autobatterijen en -accu's omdat deze normaal gezien een restwaarde hebben die hoger is dan de inzamel- en verwerkingskost. In dat geval is de validering van de cijfers een te zware verplichting. Indien Recybat zou moeten voldoen aan de validatieverplichting zou het genoodzaakt zijn om een financierings- en operationeel systeem op te zetten met als enig doel te kunnen voldoen aan deze rapportageverplichting. De afwijking is onder voorwaarde dat de restwaarde voldoende hoog is.

Art. 3.4.5.2. Dit artikel is een overname van artikel 3.6.1. van het VLAREA met dat verschil dat, ter verduidelijking, meermaals de term batterijen is aangevuld met accu's. In 2° a wordt de berekeningswijze van het inzamelingspercentage voor draagbare batterijen en accu's toegevoegd. Dit is een verplaatsing van de definitie voor inzamelingspercentage (definitie 36° ) uit het VLAREA.

Art. 3.4.5.3. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.6.2. van het VLAREA met dat verschil dat, ter verduidelijking, eenmaal de term batterijen is aangevuld met accu's.

Art. 3.4.5.4. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.6.3. van het VLAREA met dat verschil dat, ter verduidelijking, eenmaal de term batterijen is aangevuld met accu's.

Art. 3.4.5.5. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.6.4. van de huidige versie van het VLAREA.

Art. 3.4.5.6. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.6.5. van het VLAREA met dat verschil dat, ter verduidelijking, meermaals de term batterijen is aangevuld met accu's.

Onderafdeling 3.4.6. - Afgewerkte olie

Art. 3.4.6.1. Het eerste lid legt voor deze afvalstof de aanvaardingsplicht op. Conform de nieuwe structuur van het hoofdstuk wordt de toewijzing van het instrument (de aanvaardingsplicht) onder de afvalstofspecifieke bepalingen geplaatst.

§ 2. In deze paragraaf wordt afgeweken van de algemene bepaling van de aanvaardingsplicht die stelt dat eindverkopers, tussenhandelaars en producenten de afvalstoffen, waarvan de consument zich ontdoet, bij hen moeten aanvaarden. De afwijking komt voor uit het feit dat inzameling van afgewerkte olie niet evident is voor de actoren in de distributiesector die alleen een verkoopsfunctie uitoefenen. Een inzameling van huishoudelijke afgewerkte olie via de gemeenten wordt efficiënter beschouwd.

Art. 3.4.6.2. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.7.1 van het VLAREA.

Art. 3.4.6.3. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.7.2 van het VLAREA.

Art. 3.4.6.4. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 3.7.4 van het VLAREA.

Onderafdeling 3.4.7. - Oude en vervallen geneesmiddelen

Art. 3.4.7.1. Het eerste lid legt voor deze afvalstof de aanvaardingsplicht op. Conform de nieuwe structuur van het hoofdstuk wordt de toewijzing van het instrument (de aanvaardingsplicht) onder de afvalstofspecifieke bepalingen geplaatst.

In het tweede lid wordt afgeweken van de algemene bepaling van de aanvaardingsplicht die stelt dat huishoudelijke afvalstoffen moeten worden ingezameld in samenwerking met de gemeenten. De afwijking komt voort uit het feit dat de wetgeving inzake geneesmiddelen de inzameling van oude en vervallen geneesmiddelen op het containerpark verbiedt. Daarnaast is de inzameling van oude en vervallen geneesmiddelen via de apotheken goed ingeburgerd is. Het aantal geneesmiddelen dat nog door de gemeenten wordt ingezameld is eerder beperkt (ongeveer 10 %). De coördinatiekosten om een systeem op te zetten om de gemeenten te laten vergoeden voor de inzamelkosten door de producenten zouden niet in verhouding staan tot de beperkte inzamelkosten van de gemeenten.

Onderafdeling 3.4.8. - Gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en -oliën van huishoudelijke oorsprong

Art. 3.4.8.1. Dit artikel legt aan de producenten van deze producten de plicht op om een collectief plan in te dienen, in samenspraak met de gemeenten en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, en verwijst naar de algemene bepalingen over de collectieve plannen uit afdeling 3 van dit hoofdstuk. Gezien de omvorming van hoofdstuk 3 naar een hoofdstuk over uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt ervoor geopteerd om dit nu onder dit hoofdstuk te plaatsen. Conform de nieuwe structuur van het hoofdstuk wordt de toewijzing van het instrument (het collectief plan) onder de afvalstofspecifieke bepalingen geplaatst.

Art. 3.4.8.2. Dit artikel omschrijft de doelstellingen van het collectieve plan voor dierlijke en plantaardige afvalvetten en oliën van huishoudelijke oorsprong.

Art. 3.4.8.3. Dit artikel omschrijft de minimale inhoud van het collectieve plan.

Onderafdeling 3.4.9. - Afgedankte fotovoltaïsche zonnepanelen

Een toevoeging t.o.v. het VLAREA is de aanvaardingsplicht voor afgedankte fotovoltaïsche zonnepanelen. Er is momenteel onvoldoende incentive voor de vrijwillige start van de inzameling en verwerking van afgedankte zonnepanelen vanuit de sector. Daarnaast geldt dat zonnepanelen op dit moment niet onder de definitie van AEEA vallen.

Art. 3.4.9.1. Dit artikel legt voor deze afvalstof de aanvaardingsplicht op met ingang van 1 januari 2013. Conform de nieuwe structuur van het hoofdstuk wordt de toewijzing van het instrument (de aanvaardingsplicht) onder de afvalstofspecifieke bepalingen geplaatst.

Art. 3.4.9.2. Eerste lid : gezien het moeilijk valt in te schatten hoeveel van deze afvalstoffen zullen worden afgedankt de komende jaren, wordt geopteerd om de inzameldoelstelling in algemene bewoordingen te omschrijven als 'alle beschikbare afgedankte fotovoltaïsche zonnepanelen worden ingezameld'.

In het tweede lid wordt er geopteerd om geen specifieke verwerkingsdoelstellingen op te leggen, maar om dit in algemene bewoordingen te omschrijven als 'verwerkt met toepassing van de beste beschikbare technieken voor nuttige toepassing'. Dit laat toe om de huidige verwerking verder te optimaliseren.

Art. 3.4.9.3. In dit artikel worden rapportageverplichtingen opgelegd die gelijkaardig zijn aan de rapportageverplichtingen voor andere stromen waarvoor een aanvaardingsplicht geldt. Deze informatie moet de overheid in staat stellen het doelbereik te evalueren en biedt de overheid informatie die kan worden gebruikt om het beleid bij te sturen.

Onderafdeling 3.4.10. - Afvallandbouwfolies

Art. 3.4.10.1. Dit artikel legt aan de producenten van deze producten de plicht op om een collectief plan in te dienen en verwijst naar de algemene bepalingen over de collectieve plannen uit afdeling 3 van dit hoofdstuk. Gezien de omvorming van hoofdstuk 3 naar een hoofdstuk over uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt ervoor geopteerd om dit nu onder dit hoofdstuk te plaatsen. Conform de nieuwe structuur van het hoofdstuk wordt de toewijzing van het instrument (het collectief plan) onder de afvalstofspecifieke bepalingen geplaatst.

Art. 3.4.10.2. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 5.5.23.3. van het VLAREA met uitzondering van de aanpassing van de term afvalbeheersplan naar collectief plan.

Art. 3.4.10.3. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 5.5.23.4. van het VLAREA met uitzondering van de aanpassing van de term afvalbeheersplan naar collectief plan.

Onderafdeling 3.4.11. - Zwerfvuil

Art. 3.4.11.1. Het eerste lid legt aan de producenten van deze producten de plicht op om een collectief plan in te dienen en verwijst naar de algemene bepalingen over de collectieve plannen uit afdeling 3 van dit hoofdstuk. Gezien de omvorming van hoofdstuk 3 naar een hoofdstuk over uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt ervoor geopteerd om dit nu onder dit hoofdstuk te plaatsen. Conform de nieuwe structuur van het hoofdstuk wordt de toewijzing van het instrument (het collectief plan) onder de afvalstofspecifieke bepalingen geplaatst.

Het tweede lid is overgenomen van artikel 5.5.10. van het VLAREA. Het indienen van het plan en een rapport van de acties wordt hier niet meer gevraagd omdat deze verplichtingen zijn opgenomen in de algemene bepalingen over de collectieve plannen in afdeling 3 van dit hoofdstuk. Het is dan ook niet nodig dit hier te herhalen.

Het laatste lid geeft de ondernemingen die werden aangeduid in toepassing van het eerste lid de mogelijkheid om, als alternatief of het collectief plan, een overeenkomst te sluiten met de OVAM. De overeenkomst bevat de financiële engagementen van de ondernemingen binnen projecten gericht op het verminderen van zwerfvuil van de Vlaamse overheid (bijv. 'indevuilbak'). Op die manier kunnen de inspanningen van de ondernemingen bijdragen aan het globale beleid van de overheid gericht op het verminderen van zwerfvuil. In de praktijk wordt momenteel ook al volgens deze piste gewerkt.

Onderafdeling 3.4.12. - Gebruikte injectienaalden

Art. 3.4.12.1. Dit artikel legt aan de producenten van deze producten de plicht op om een collectief plan in te dienen en verwijst naar de algemene bepalingen over de collectieve plannen uit afdeling 3 van dit hoofdstuk. In het VLAREA wordt een financierings- en sensibiliseringsplicht opgelegd in artikel 5.5.2.3, § 4. Gezien de omvorming van hoofdstuk 3 naar een hoofdstuk over uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt ervoor geopteerd om dit nu onder dit hoofdstuk te plaatsen en hiervoor het instrument collectief plan in te zetten. Conform de nieuwe structuur van het hoofdstuk wordt de toewijzing van het instrument (het collectief plan) onder de afvalstofspecifieke bepalingen geplaatst.

Het tweede lid is overgenomen van artikel 5.5.2.3, § 4, van het VLAREA. De plicht tot financiering van de inzameling wordt geschrapt omdat de inzamelkosten voor de gemeenten als zeer laag worden ingeschat (ongeveer € 50 per gemeente). Momenteel wordt aan deze plicht geen uitvoering gegeven. De coördinatiekosten om een systeem op te zetten om de gemeenten te laten vergoeden voor de inzamelkosten door de producenten zouden niet in verhouding staan tot de beperkte inzamelkosten van de gemeenten.

Onderafdeling 3.4.13. - Afvalwegwerpluiers

Art. 3.4.13.1. Dit artikel legt aan de producenten van deze producten de plicht op om een collectief plan in te dienen en verwijst naar de algemene bepalingen over de collectieve plannen uit afdeling 3 van dit hoofdstuk. Gezien de omvorming van hoofdstuk 3 naar een hoofdstuk over uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt ervoor geopteerd om dit nu onder dit hoofdstuk te plaatsen. Conform de nieuwe structuur van het hoofdstuk wordt de toewijzing van het instrument (het collectief plan) onder de afvalstofspecifieke bepalingen geplaatst.

Dit tweede lid is overgenomen van artikel 5.5.9 van het VLAREA met enkele wijzigingen. De klemtoon wordt verlegd van een collectief plan over de inzameling en verwerking naar een plan over eco-design en mogelijke nuttige toepassingen in de verwerking van afvalwegwerpluiers. Gezien luiers momenteel vooral gezamenlijk met het restafval worden ingezameld en verwerkt is een plan over de inzameling en verwerking minder relevant en moet vooral ingezet worden op mogelijke milieuwinst in de toekomst.

HOOFDSTUK 4. - Algemene bepalingen over het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen

Afdeling 4.1. - Indeling van afvalstoffen

Art. 4.1.1. Dit artikel komt overeen met artikel 2.1.1 van het VLAREA.

Art. 4.1.2. De afvalstoffen waarvoor specifieke regelingen (zoals bijvoorbeeld een producentenverantwoordelijkheid) worden getroffen moeten worden aangeduid als een bijzondere afvalstof. In die zin bevat dit artikel een opsomming van alle afvalstoffen waarvoor verder in dit besluit zo'n specifieke regeling wordt vastgesteld, of waarvoor in de toekomst een specifieke regeling wordt voorzien of waar deze mogelijkheid tenminste moet worden opengelaten.

In vergelijking met het VLAREA (artikel 2.3.1.) zijn een aantal afvalstoffen niet langer opgesomd omdat uit een evaluatie is gebleken dat zo'n specifieke regeling niet langer opportuun is. Het gaat om volgende afvalstoffen :
1. fotochemicaliën;
2. lampen, andere dan gasontladingslampen;
3. houtafval;
4. vloerbedekkingsafval;

De afvalstoffen die in het Afvalstoffendecreet waren vermeld als bijzondere afvalstof, zijn hier zekerheidshalve hernomen.

Art. 4.1.3 tot 4.1.5. Dit stemt overeen met de artikelen 2.4.1. tot 2.4.3. van het VLAREA. De enige aanpassingen zijn diegene die zich opdringen door de gewijzigde Europese regelgeving. De lijst met gevaarseigenschappen en bijbehorende noten zijn exact overgenomen uit de kaderrichtlijn.

Afdeling 4.2. - Indeling van afvalstoffenhandelingen

Art. 4.2.1 en 4.2.2. Deze artikelen stemmen overeen met de artikelen 1.3.1. en 1.4.1. van het VLAREA zoals ze reeds werden aangepast ingevolge de gewijzigde Europese regelgeving (Besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 2010 tot wijziging van het VLAREA). De formules voor de berekening van de energie-efficiëntie van verbrandingsinstallaties worden toegepast met inachtneming van de richtsnoeren van de Europese commissie.

Afdeling 4.3. - Afzonderlijke inzameling van afvalstoffen

Art. 4.3.1. Waar in het VLAREA sprake is van glasafval is dit gewijzigd naar 'glazen flessen en bokalen', vlakglas en hittebestendig glas zijn immers geen verplichte fracties.

Pmd-afval is een nieuwe verplichte fractie. Alle gemeenten zamelen dit intussen apart in. Deze verplichting hier opnemen is een bestendiging van het huidige beleid op basis van het Uitvoeringsplan 'Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen'. Gemeenten worden door deze verplichting ervan weerhouden van de afzonderlijke inzameling af te stappen. Er zijn geen conflicten met de verplichtingen voor verpakkingsafval

Het tweede lid is ongewijzigd (cf. artikel 5.2.1.1, § 2, van het VLAREA).

Art. 4.3.2. Dit artikel is een overname van artikel 5.2.2.1 van het VLAREA. In het eerste voorontwerp van dit uitvoeringsbesluit was bepaald pmd als een afzonderlijk in te zamelen fractie bij bedrijven op te leggen. Zo zou de sorteerboodschap zoals die thuis gekend is, doorgetrokken worden naar de bedrijfsvloer. Door de gescheiden inzameling van pmd zou dit afval beter gerecycleerd kunnen worden en zou het niet in de restfractie terechtkomen. Aangezien het aangewezen is te onderzoeken in hoeverre hiertoe het interregionaal samenwerkingsakkoord van 4 november 2008 betreffende verpakkingsafval, zou moeten herzien worden, evenals de erkenning van Fost Plus, en aangezien momenteel nog een proefproject loopt in samenwerking met FEBEM en Fost Plus, zal de verplichte selectieve inzameling van pmd bij bedrijven later ingevoerd worden, binnen een optimaal wettelijk kader in het licht van de praktijkervaringen.

Art. 4.3.3. De bepalingen in het VLAREA ten aanzien van selectieve sloop (artikel 5.2.2.1, § 4) worden verfijnd ten einde het selectief slopen beter afdwingbaar te maken. In die zin wordt opgenomen dat de sloopinventaris, die reeds door het VLAREA werd ingevoerd, voortaan een integraal onderdeel moet uitmaken van de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag of de contractuele documenten en dus door de uitvoerder van de werken moet gerespecteerd worden.

Afdeling 4.4. - Algemene regels inzake verwerking van afvalstoffen

Art. 4.4.1 en 4.4.2. Deze artikelen stemmen overeen met de artikelen 5.3.1 en 5.2.2.2 van het VLAREA.

Ter verduidelijking kan worden toegelicht dat injectie in de diepe ondergrond "D3- handeling", in technisch opzicht verschilt van "storten". Deze D-handeling is sinds 1997 verboden. "Storten" in zoutmijnen blijft mogelijk, zowel als D dan als (in sommige gevallen) R, tenzij er een stortverbod is uitgevaardigd. Het verbod handelt dus niet over ondergronds storten, waarvoor overigens In het VLAREM voorwaarden werden opgenomen.

Art. 4.4.3. Dit is een soortgelijke, maar aangepaste en meer beknopte formulering in vergelijking met artikel 5.3.2 van het VLAREA. Het stortkokerverbod blijft van kracht. Het wordt aangeraden, in het verlengde van deze bepaling, dat binnen een appartementsgebouw een opslagplaats wordt voorzien om huishoudelijke afvalstoffen op te slaan en te sorteren overeenkomstig de sorteerverplichtingen. Het is onder meer vanwege de architectonische eigenschappen van gebouwen niet opportuun om deze aanbeveling in een verplichting om te zetten.

Art. 4.4.4. De houtige fractie van groenafval wordt op dit ogenblik in toenemende mate gebruikt als energiebron. Hierdoor kan er een tekort aan structuurmateriaal ontstaan om de fijne fractie van groenafval te kunnen verwerken tot een kwaliteitsvolle compost. In 2008 werd door Interafval, Vlaco, Febem en de OVAM een taskforce gft- en groenafval opgericht om mogelijke oplossingen te onderzoeken die een synergie tussen energetische valorisatie en materiaalrecyclage bevorderen. Dit resulteerde in beleidsaanbevelingen van de taskforce die breed gedragen werden door zowel de publieke als private sector. Deze beleidsaanbevelingen zijn tot op heden niet voldoende geïmplementeerd.

Om die implementatie te verbeteren worden in het materialendecreet en het VLAREMA reeds juridische middelen voorzien :
- De OVAM kan via haar gegevensbanken en het opvragen van registergegevens informatie verstrekken ter ondersteuning en voorbereiding van handhavingsacties door de afdeling Milieu-inspectie (AMI).
- Daarnaast kan de OVAM via het milieuheffingeninstrument optreden tegen actoren die niet-houtige fracties van groenafval op illlegale wijze verwerken (onderploegen, verbranden).
- De OVAM zal de gemeenten wijzen op hun verplichtingen inzake afvoer van groenafval in overeenstemming met de geldende uitvoeringsplannen.
- Gemeenten moeten via aanbestedingen de afvoerverplichting voor groenafval opleggen zodat via controle van de uitvoeringsmodaliteiten van een opdracht de gemeente ook eenvoudig kan optreden tegen bedrijven die groenafval illegaal beheren.
- Met de stort- en verbrandingsverboden, die uitgebreid worden voor de stromen die buiten het Vlaamse Gewest verwerkt worden, is er een wettelijk kader om groenafval naar compostering/vergisting te sturen.
- De toezichthoudende overheid kan eveneens registers controleren. Indien via richtlijnen de registers duidelijker worden bijgehouden, wordt de controle door AMI ook eenvoudiger en efficiënter.

Binnen dit kader moeten de betrokken partijen gesensibiliseerd en geïnformeerd over de wettelijke bepalingen.

Indien blijkt dat al deze maatregelen niet zouden volstaan, moeten er bijkomende maatregelen genomen worden. Op dit ogenblik is er nog geen voldoende uitgewerkt systeem voor een 'regiefunctie' die voldoet aan de voorwaarden die door de Minaraad werden omschreven. Dit moet nog verder ontwikkeld worden. Het is evenwel belangrijk om een signaal te geven aan de sector. Daarom wordt het principe van een regiefunctie in het VLAREMA ingeschreven. De nadere uitwerking zal geregeld worden via een ministerieel besluit.

Afdeling 4.5. - Stort- en verbrandingsverboden

Art. 4.5.1 en 4.5.2. In de milieuwetgeving wordt er vanuit twee invalshoeken gewerkt met stort- en verbrandingsverboden. Enerzijds zijn er verbodsbepalingen die worden ingesteld omwille van de milieuhygiënische risico's die verbonden zijn aan het toepassen van een verwerkingsmethode op een specifieke afvalstof. Deze milieuhygiënisch geïnspireerde verboden zijn in Vlaanderen (terecht) opgenomen in titel II van het VLAREM, meestal onder de vorm van aanvaardingscriteria waaraan de exploitanten van inrichtingen zich moeten houden. In geval van een uitvoer van deze afvalstoffen naar een ander land of een ander gewest komt het toe aan de daar bevoegde overheid om te oordelen hoe deze milieuhygiënische risico's kunnen beheerst worden.

Anderzijds zijn er verbodsbepaling die worden ingesteld omdat ze bijdragen aan het realiseren van de beleidsdoelstellingen die de Vlaamse overheid vaststelt ten aanzien van het beheer van specifieke afvalstoffen en materialen. Deze bepalingen leggen in principe beperkingen op aan de afvoer met het oog op de toepassing van een bepaalde verwerkingshandeling van een aantal afvalstoffen.

Deze artikelen omschrijven de specifieke stort- en verbrandingsverboden die worden ingesteld, ter voortzetting van de bepalingen in het VLAREA. De toepassing van artikelen 5.4.1 en 5.4.2 van het VLAREA gaf geregeld aanleiding tot interpretatiegeschillen. Om hieraan te verhelpen worden de bepalingen herschreven en wordt zo veel als mogelijk een eenduidige terminologie gehanteerd.

Er is een gewijzigde formulering voor de stort- en verbrandingsverboden, zonder dat het principe verlaten wordt. De verboden gelden ten aanzien van het feitelijke storten of verbranden in een daartoe ingerichte installatie, evenals de afvoer met de bedoeling de respectievelijke afvalstoffen te laten verwerken door te storten (D1) of te verbranden (R1 of D10). Er is onder meer een verbrandingsverbod voor gemengde afvalstoffen die overeenkomstig de beste beschikbare technieken in aanmerking komen voor uitsortering en de uitgesorteerde stromen die in aanmerking komen voor hergebruik en recyclage.

Onder gemengde afvalstoffen wordt verstaan gemengd stedelijk afval, of selectief in te zamelen stromen die gemengd zijn (en daarmee in feite al in overtreding zijn op artikelen 4.3.1. en 4.3.2). Om het verbod niet van toepassing te laten zijn, zal er eerst uitgesorteerd moeten worden conform de sorteerregels in de code van goede praktijk, die de OVAM in overleg met de sector zal opstellen en vastgesteld zal worden via een ministerieel besluit. Dit ministerieel besluit zal niet eerder dan 1 januari 2013 van kracht worden, om de ervaringen gedurende 2012 met de "ontwerpcode" te integreren in de definitieve code van goede praktijk. Het huisvuil, zoals gedefinieerd in het het uitvoeringsplan voor huishoudelijke afvalstoffen, en vergelijkbaar bedrijfsafval dat samen met huisvuil wordt opgehaald, valt niet onder het verbrandingsverbod. In het kader van bovengenoemd uitvoeringsplan moet wel aandacht geschonken worden aan steekproefsgewijze controles van het huishoudelijk restafval met het oog op de naleving van de regels inzake scheiding aan de bron, en om eventueel bijkomende selectief in te zamelen stromen te detecteren.

Art. 4.5.3. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om een afwijking te verlenen op de stort- en verbrandingsverboden in gevallen waarin het (bijvoorbeeld door een -tijdelijk- tekort aan verwerkingscapaciteit) onmogelijk is om een ingesteld verbod na te leven. Een tekort aan capaciteit is echter niet de enige mogelijke reden. Ecologische, sociaaleconomische en technische redenen kunnen een afwijking motiveren. Milieuhygiënische motieven zijn niet direct relevant omdat het verbod zodanig is omschreven dat het niet geldt voor afvalstoffen waarbij recuperatie milieuhygiënisch slechter scoort dan verbranden.

Omwille van administratieve efficiëntie wordt bestendigd om een afwijking niet te laten aanvragen door de individuele producent van de afvalstof, maar door de exploitant van de in het Vlaamse Gewest gelegen verwerkingsinrichting. Alleen in geval van een verwerking buiten het Vlaamse Gewest is het de producent van de afvalstof of de makelaar of handelaar die de afwijking moet aanvragen

HOOFDSTUK 5. - Bepalingen over het beheer van specifieke materiaalkringlopen en afvalstoffen

Afdeling 5.1. - Bepalingen over het beheer van huishoudelijke afvalstoffen

Art. 5.1.1 tot en met 5.1.5. Met de inlassing van deze artikelen over de harmonisatie van de afvaltarieven, is het de bedoeling richting te geven en geleidelijk te komen tot afstemming van tarieven, eerst binnen intergemeentelijke verenigingen en later tussen die entiteiten.

Inzamel- en verwerkingskosten van afval omvatten ook indirecte kosten zoals klachtenbehandeling, ict-ondersteuning,... Het is de bedoeling om alle variabele kosten zoveel mogelijk te vertalen via de indirecte belastingen, conform het principe de vervuiler betaalt. Indirecte kosten worden in de mate van het mogelijke meegerekend. De opsomming van indirecte kosten is niet limitatief. Eventuele opbrengsten van afval worden in mindering gebracht.

Andere inleverpunten zijn bijvoorbeeld textielcontainers.

De gemeente houdt voor de toepassing van dit besluit geen rekening met eventuele opbrengsten van andere afvalgerelateerde belastingen, zoals deze op de verspreiding van ongeadresseerd reclamedrukwerk, het verwijderen van illegaal achtergelaten afvalstoffen of mogelijke opcentiemen op gewestelijke milieuheffingen.

Om deze bepalingen in de praktijk uit te voeren maakt een intercommunale op basis van deze bepalingen een gedetailleerde berekening van de kosten en doet een voorstel van aanrekening. De gemeenteraden kunnen dit dan overnemen, weliswaar rekening houdende met de lokale omstandigheden. Vooral voor de variabele tarieven ligt het voor de hand dat de gemeenten deze zo goed mogelijk hanteren, waardoor harmonisering bereikt wordt. In bijlage 5.1.4 wordt een eerste aanzet gegeven voor een lijst met de minima- en maximatarieven die een gemeente mag aanrekenen bij de doorrekening van de kosten. Deze lijst kan in de toekomst worden aangevuld met bijkomende fracties of gewijzigd. Het is de bedoeling dat de vork in de toekomst nauwer wordt waarbij de maximumtarieven geïndexeerd worden en de minimumtarieven dichter bij de maximumtarieven worden gebracht.

Afdeling 5.2. - Bepalingen over het beheer van sommige bijzondere afvalstoffen

Onderafdeling 5.2.1 - Afvalstoffen die ontstaan bij onderhouden, herstellen en slopen van motorvoertuigen, motorvaartuigen, motorvliegtuigen en hun toebehoren

Art. 5.2.1.1. Deze bepalingen zijn identiek aan artikel 5.5.1.1 van het VLAREA.

Onderafdeling 5.2.2 - Klein gevaarlijk afval

Art. 5.2.2.1. De lijst met afvalstoffen die aangeduid worden als KGA werd behouden in vergelijking met het VLAREA. Er werden echter twee wijzigingen in de lijst aangebracht.

Onder de groep "stoffen of producten met kwik" werd de afvalstroom "TL-Lampen" vervangen door "gasontladingslampen". De reden voor deze aanpassing is te vinden in de lijst van afvalstoffen die onder de aanvaardingsplicht van AEEA vallen. Alle gasontladingslampen, waar de TL-lampen en spaarlampen deel van uit maken, vallen onder de aanvaardingsplicht. Door alle gasontladingslampen aan te duiden als KGA gelden voor alle gasontladingslampen dezelfde verplichtingen. In praktijk wijzigt dit niets aan de wijze van inzameling en verwerking omdat alle gasontladingslampen reeds overeenkomstig de verplichtingen van het KGA worden ingezameld en verwerkt.

In de groep "batterijen en accu's" werd de onderverdeling in "loodzuurbatterijen" en "andere batterijen" weggelaten. In de praktijk betekent dit geen wijziging ten opzichte van de bepalingen van het VLAREA. De gebruikte terminologie werd wel in lijn gebracht met deze van de aanvaardingsplicht voor afgedankte batterijen en accu's.

Art. 5.2.2.2. Dit artikel is niet gewijzigd en heeft haar equivalent in het VLAREA.

Art. 5.2.2.3. § 1. In dit artikel werd een verwijzing geactualiseerd. Dit artikel verwees nog naar het samenwerkingsakkoord van 30 mei 1996 betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval en verwijst nu naar het samenwerkingsakkoord van 4 november 2008 betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval.

§ 2. Deze paragraaf werd tekstueel aangepast, maar inhoudelijk blijven de bepalingen dezelfde.

§ 3. Hier werd de vermelding "bestaande of in te richten" containerpark weggelaten vermits elke gemeente of gemeentelijk samenwerkingsverband ondertussen beschikt over een containerpark. De term "erkende overbrengers" werd vervangen door het equivalent "geregistreerde inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars".

De bepalingen omtrent de invoering van een inzamelsysteem voor injectienaalden werd niet meer opgenomen, maar wordt ondervangen door artikel 3.4.12 waarbij de producenten van injectienaalden verplicht worden om via een collectief afvalbeheersplan te voldoen aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Binnen het kader van de KGA-inzameling worden injectienaalden reeds selectief ingezameld.

Art. 5.2.2.4. Dit artikel herformuleert artikel 5.5.2.4 en 5.5.2.5 van het VLAREA en voegt deze samen om de modaliteiten van inzameling vast te leggen. Het bevat geen inhoudelijke wijzigingen, behalve een actualisatie van de gebruikte terminologie voor geregistreerde inzamelaars, afvalstoffenhandelaars en -makelaars.

Onderafdeling 5.2.3. - Medisch afval

Deze bepalingen werden overgenomen uit het VLAREA, maar zodanig aangepast dat er een maximale afstemming is verwezenlijkt met de ADR-reglementering.

Zo is er niet langer een omschrijving van de verpakkingsrichtlijnen ten aanzien van scherpe voorwerpen en glasafval. Dit zou een doublure zijn. In artikel 5.2.3.8. krijgt de minister de mogelijkheid om uitzonderingen toe te staan op verpakkingen en etikettering van medische afvalstoffen. In VLAREA stond een uitdrukkelijke afwijking voor risicohoudend medisch afval van grote afmetingen (filters in labo, grote lichaamsdelen) niet te verpakken in tonnetjes van maximaal 60 liter. Door het gelijkschakelen met de ADR-regelgeving is de uitzondering geschrapt. Maar het is aan te bevelen de uitzondering voor grotere verpakkingen wel toe te laten. Daarom verwijst artikel 5.2.3.8 naar de mogelijkheid tot afwijkingen met betrekking tot artikelen 5.2.3.3 tot en met 5.2.3.6.

Onderafdeling 5.2.4. - Afgedankte voertuigen

Art. 5.2.4.1. Dit artikel legt een erkenningsplicht op voor elke persoon die afgedankte voertuigen depollueert of moet depollueren. De verplichting geldt sinds 1 januari 2005. De opname van deze datum in het artikel heeft geen meerwaarde en wordt geschrapt. De verplichting wie moet depollueren is vervat in bepalingen van het Vlarem. Dit is niet altijd duidelijk waardoor in dit bestaande artikel expliciete verwijzingen naar het betreffende artikel uit het Vlarem worden opgenomen.

Art. 5.2.4.2. Dit artikel bepaalt wanneer de houder zich van een voertuig moet ontdoen en binnen welke termijnen de houder het afgedankte voertuig moet inleveren bij een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. Er worden enkele wijzigingen aangebracht ten aanzien van het bestaande artikel.

§ 1. In dit artikel wordt de correcte terminologie voor het inschrijvingsbewijs aangepast en het cijfer 1 voluit geschreven. Na een juridische check en een doorlichting van alle federale aspecten zijn een aantal kleine aanpassingen gedaan. De uitzonderingen vermeld in een aparte paragraaf in het VLAREA, worden bij deze paragraaf bijgevoegd om de leesbaarheid te verhogen. Inhoudelijk is de "melding" van een technisch totaal verlies niet (langer) nodig. Een "melding" van technisch totaal verlies gebeurt niet in alle gevallen waarin een voertuig wel als zodanig beschouwd mag worden.

§ 2. Conform de afgesloten milieubeleidsovereenkomsten en het ontwerp van de derde milieubeleidsovereenkomst is ook een inlevering van afgedankte voertuigen bij een punt van inontvangstname mogelijk. Deze inontvangstnamepunten worden aangeduid door de voertuigproducenten in uitvoering van hun aanvaardingsplicht. Het kunnen zowel erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen als verkooppunten van voertuigen betreffen. De inontvangstnamepunten leveren de afgedankte voertuigen op hun beurt in bij erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. Daarnaast wordt ook opgenomen dat de afgedankte voertuigen moeten vergezeld zijn van de boorddocumenten. Dit bevordert een correcte administratieve vernietiging. Dit zijn aanpassingen conform de huidige praktijk.

§ 3. Deze paragraaf is een overname uit het VLAREA. In 3° wordt "het voertuig" ingevoegd om de leesbaarheid te verhogen. De cijfers bij de opsomming worden voluit geschreven om de leesbaarheid te verhogen. Ook hier is een "melding" van een technisch totaal verlies is niet (langer) nodig.

§ 4. Deze paragraaf wordt behouden

Art. 5.2.4.3. Dit artikel wordt herschikt en licht gewijzigd. De herschikking verhoogt de leesbaarheid en coherentie tussen de verschillende bepalingen.

De verplichting in de huidige paragraaf 6 voor de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen om jaarlijks een rapport van doorlichting van de bedrijfsactiviteiten door een onafhankelijke keuringsinstelling aan de OVAM over te maken, is geschrapt in dit artikel. Deze bepaling wordt opgenomen in artikel 5.2.4.7. § 2.

§ 1. In deze paragraaf worden enkele kleine wijzigingen doorgevoerd. Pletten wordt expliciet vermeld als handeling die verstaan wordt onder vernietigen. Dit is een afstemming op de praktijk.

§ 2. In deze paragraaf worden enkele kleine wijzigingen doorgevoerd om de leesbaarheid te verhogen. Daarnaast wordt ook 4° naar een aparte paragraaf verplaatst ( § 3) omdat deze bepalingen over de verwerking zelf bevat. De overige opsommingen hebben betrekking op technische capaciteiten.

§ 3. Deze bepaling wordt inhoudelijk niet gewijzigd. De bepaling wordt verplaatst van § 2. 4° naar § 3.

§ 4. In deze paragraaf wordt de bepaling van de huidige paragrafen 8 en 3 samengevoegd. Beide paragrafen gaan immers over de verwerking van de afgedankte voertuigen door de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. Inhoudelijk worden deze bepalingen niet gewijzigd.

§ 5. Deze paragraaf wijzigt de wijze van de administratieve vernietiging. Dit in overeenstemming met de wijziging van het Koninklijk Besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, de Wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen en het ontwerp van samenwerkingsakkoord tussen de gewesten en de federale overheid.

§ 6. Deze paragraaf is een overname van de huidige paragraaf 4, behalve de laatste zin die in een aparte paragraaf 7 wordt opgenomen. De bepalingen van paragraaf 6 gaan immers over de informatie die de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen overmaken aan het beheersorganisme. De bepaling in de laatste zin gaat over gegevens die men op verzoek van een toezichthouder moet kunnen voorleggen.

§ 7. Deze bepaling wordt inhoudelijk niet gewijzigd. De bepaling wordt alleen verplaatst van § 4 naar § 7. De terminologie van toezichthoudend ambtenaar wordt gewijzigd in toezichthouder conform titel XVI van het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

§ 8. Deze paragraaf is een overname van de huidige paragraaf 7.

Art. 5.2.4.4. Dit artikel bepaalt de vereisten om erkend te zijn als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. Er worden enkele wijzigingen aangebracht ten aanzien van het bestaande artikel.

De voorwaarde om zich ertoe te verbinden bij een financiële instelling een bankgarantie te stellen op basis van de geraamde kosten van een ambtshalve verwijdering van de afgedankte voertuigen wordt geschrapt. De kans dat de overheid deze financiële middelen nodig heeft bij een ambtshalve verwijdering is zeer klein gezien de positieve marktwaarde van afgedankte voertuigen. Ook tijdens de economische crisis ging de marktwaarde van afgedankte voertuigen niet negatief. Bovendien kan de overheid slechts beperkt in tijd na het einde van de erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen beroep doen op deze financiële middelen en zijn de kosten verbonden aan het stellen van een bankgarantie voor de betrokkenen groot.

Art. 5.2.4.5. Dit artikel bepaalt welke gegevens de aanvraag tot erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen moet bevatten en hoe men de aanvraag moet indienen. Het artikel wordt aangepast ten aanzien van het bestaande artikel.

De juiste terminologie voor een rechtspersoon, een bewijs van goed zedelijk gedrag en een keuring door een onafhankelijke keuringsinstelling wordt aangepast.

In de bepalingen wordt een onderscheid gemaakt tussen volledigheid en ontvankelijkheid conform de bepalingen van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.

Er wordt verduidelijkt dat het rapport van een onafhankelijke keuringsinstelling gebaseerd moet zijn op een initiële keuring. In praktijk is er immers een verschil tussen initiële keuringen en opvolgingskeuringen. Een initiële keuring is grondiger. Hierbij wordt gekozen om de aard van de keuring ook in de wetgeving op te nemen om duidelijkheid te scheppen in wat gevraagd wordt door de OVAM.

De bijlage in verband met de solvabiliteit wordt geschrapt conform de wijziging in artikel 5.2.4.4.

Ten slotte wordt verduidelijkt wat nodig is bij de aanvraag om volledig te zijn en om ontvankelijk te zijn. Dit conform de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.

Art. 5.2.4.6. Dit artikel bepaalt zowel de procedure van de aanvraag tot erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen als de gebruiksvoorwaarden. Ook artikelen 5.5.4.7 en 5.5.4.8 van het VLAREA bevatten momenteel bepalingen over de procedure en de gebruiksvoorwaarden. Om de leesbaarheid te verhogen wordt ervoor gekozen om de bepalingen over de procedure te bundelen in artikel 5.2.4.6, de bepalingen over de gebruiksvoorwaarden in artikel 5.2.4.7 en de bepalingen over eventuele opheffingen in artikel 5.2.4.8. Zowel de procedure, de gebruiksvoorwaarden als de opheffing worden aangepast op basis van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt en op basis van de Vlaamse engagementen in het ontwerp van derde milieubeleidsovereenkomst.

Eerste lid : om de rechtszekerheid te verhogen wordt toegevoegd dat de OVAM binnen een termijn van 14 dagen na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs aan de aanvrager zal sturen en zich tevens uitspreekt over de ontvankelijkheid en de volledigheid van de aanvraag. De termijn wordt daarbij ingekort van 40 naar 14 dagen.

Tweede lid : er wordt expliciet bepaald dat de OVAM om aanvullingen zal verzoeken als er ontbrekende gegevens zijn. Om de rechtszekerheid te verhogen is bepaald dat de aanvraag van rechtswege volledig is als de OVAM niet binnen de 14 dagen om aanvullingen heeft verzocht.

Derde lid : er wordt bepaald dat de aanvrager de aanvullingen bij aangetekende brief aan de OVAM stuurt. Om het dossier niet onnodig lang te laten aanslepen, wordt bepaald dat de aanvraag van rechtswege definitief onvolledig is als de aanvrager nalaat om de aanvullingen binnen een termijn van 90 dagen aan de OVAM op te sturen.

Vierde lid : om de rechtszekerheid te verhogen wordt bepaald dat de OVAM na de datum van ontvangst van de aanvullingen een ontvangstbewijs aan de aanvrager stuurt en zich tevens uitspreekt over de volledigheid van de aangevulde aanvraag.

Vijfde lid : de termijn voor het behandelen van de volledige aanvraag wordt verkort ten aanzien van de bestaande bepalingen tot 30 dagen. Het gaat veelal om een administratief onderzoek omdat het dossier ook een technisch rapport van doorlichting van de bedrijfsactiviteiten bevat. De bepaling inzake de mogelijkheid tot het opleggen van bijzondere voorwaarden met betrekking tot het bedrag van de bankgarantie wordt geschrapt in overeenstemming met de wijziging in artikel 5.2.4.4.

Art. 5.2.4.7. Dit artikel bevat verdere bepalingen over de procedure, aanvullend op het bestaande artikel 5.5.4.6. Dit artikel wordt aangepast zodat het alleen de gebruiksvoorwaarden bevat voor de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. De gebruiksvoorwaarden zijn aangepast op basis van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt en op basis van de Vlaamse engagementen in het ontwerp van derde milieubeleidsovereenkomst.

§ 1. De erkenningstermijn voor centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen wordt verlengd van 5 jaar naar een termijn voor onbepaalde duur, voor zover de erkenning niet wordt opgeheven. De mogelijke opheffing wordt geregeld in artikel 5.2.4.8. Hierdoor vervalt de vijfjaarlijkse verplichting tot een initiële keuring en wordt die in principe beperkt tot jaarlijkse opvolgingskeuringen (zie verdere bepalingen van 5.2.4.8, § 4). Ook de huidige verplichting om vijfjaarlijks een nieuwe aanvraag in te dienen vervalt.

Het bewijs inzake de bankgarantie wordt geschrapt in overeenstemming met de wijziging in artikel 5.2.4.4. Het overmaken van een afdruk van de stempel wordt geschrapt op basis van een wijziging van 2 november 2010 van het Koninklijk Besluit van 20 juli 2001 houdende de inschrijving voertuigen.

De bepaling dat de erkenning niet kan worden overgedragen aan derden wordt behouden en wordt alleen van plaats veranderd om de coherentie en de leesbaarheid te verhogen.

§ 2. De eerste twee voorwaarden worden behouden en zijn alleen van plaats veranderd om de coherentie en de leesbaarheid te verhogen.

Als derde voorwaarde wordt toegevoegd dat men vijf jaar na het verlenen van de erkenning een initiële keuring moet laten uitvoeren en het rapport ervan bezorgen aan de OVAM. Dit betekent een versoepeling ten aanzien van de bestaande bepalingen waarin vijfjaarlijks een initiële keuring nodig is. De combinatie van de erkenning voor onbepaalde duur en een initiële keuring na de eerste vijf jaar beperkt het aantal initiële keuringen tot maximaal twee per erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. De eerste initiële keuring gebeurt door de keuringsinstellingen op het moment dat men nog niet over een erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen beschikt waardoor men bijvoorbeeld het gebruik van het rapporteringssysteem niet kan nazien. Opnieuw een initiële keuring na de eerste vijf jaar van erkenningverlening waarbij alles grondiger wordt nagezien heeft dus een meerwaarde. Bovendien hebben intussen een kwart van de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen een tweede initiële keuring al laten uitvoeren zodat met deze bepalingen de verplichtingen voor alle erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen gelijk zijn.

Als vierde voorwaarde wordt toegevoegd dat vijfjaarlijks een gunstig bewijs van goed zedelijk gedrag aan de OVAM moet worden overgemaakt. Dit is nodig om bij een erkenning voor onbepaalde duur aan te tonen dat men blijft voldoen aan de vereisten om erkend te zijn als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen.

§ 3. Dit artikel wordt ingevoegd om de depollutie bij de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen te stimuleren. Dit is immers de kerndoelstelling van de Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken. Dit artikel geeft de OVAM de mogelijkheid om op verzoek te beslissen dat een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen slechts tweejaarlijks een opvolgingskeuring moet laten uitvoeren en het rapport ervan overmaken aan de OVAM als men een voldoende hoge graad van depollutie bereikt.

Het artikel bepaalt ook dat de afwijking tot tweejaarlijks laten uitvoeren van de opvolgingskeuring door de OVAM schriftelijk wordt meegedeeld binnen 40 dagen na het verzoek en blijft gelden zolang het erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen aan de voorwaarden voldoet of tot de OVAM op basis van een globale beoordeling gemotiveerd beslist dat de afwijking niet meer kan gelden. Deze laatste beslissing maakt de OVAM bekend per aangetekend schrijven.

Art. 5.2.4.8. Dit artikel bevat verdere bepalingen over de procedure en de gebruiksvoorwaarden, aanvullend op de bestaande artikelen 5.5.4.6 en 5.5.4.7. Dit artikel wordt aangepast zodat het alleen de bepalingen over mogelijke opheffingen bevat voor de erkende centra het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. Deze worden aangepast op basis van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.

§ 1. Dit artikel wordt behouden. Het is alleen verplaatst en anders verwoord om de leesbaarheid te verhogen.

§ 2. Dit artikel wordt inhoudelijk behouden. De termijn voor het erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen om haar verweermiddelen aan de OVAM kenbaar te maken wordt verlengd van 14 tot 30 dagen.

§ 3. Om de rechtszekerheid te verhogen bepaalt dit artikel dat de OVAM binnen een termijn van 60 dagen een beslissing over de opheffing per aangetekende brief.

§ 4. Dit artikel wordt inhoudelijk behouden. Er wordt toegevoegd dat de erkenning ook van rechtswege wordt opgeheven als de inrichting niet meer over een milieuvergunning beschikt. Dit als gevolg van de erkenning voor onbepaalde duur waardoor niet meer vijfjaarlijks door de OVAM telkens opnieuw wordt nagezien of men vergund is.

Onderafdeling 5.4.5. - Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

Art. 5.2.5.1. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 5.5.5.1 van het VLAREA.

Art. 5.2.5.2. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 5.5.5.1bis van het VLAREA. Alleen de voorwaarde voor het rechtopstaand opslaan en vervoeren wordt geschrapt, gelet op de praktijkervaring.

Art. 5.2.5.3. Dit artikel is een overname van artikel 5.5.5.2 van het VLAREA. Het artikel is herschreven om de leesbaarheid te verbeteren.

Art. 5.2.5.4. Dit artikel is een overname van artikel 5.5.5.3 van het VLAREA. Ter verduidelijking is in het eerste lid de benaming 'de opdrachtgever' meer specifiek omschreven al 'de afvalstoffenproducent, de afvalstoffenmakelaar, handelaar, inzamelaar of de kennisgever zoals bedoeld in verordening (EG) 1013/2006' (correcte verwijzing).

In het tweede lid is toegevoegd dat de validatie alleen dient te gebeuren indien de OVAM hiertoe verzoekt. Met deze voorwaardelijke formulering wordt de mogelijkheid gegeven om flexibel om te springen met deze plicht. Gezien er in de praktijk nog geen geaccrediteerde instellingen volgens de ISO 17020 bestaan voor dergelijke validaties, zou dit artikel anders niet uitvoerbaar zijn.

Onderafdeling 5.2.6. - Afvalbanden

Art. 5.2.6. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 5.5.6.1. § 1 van het VLAREA.

Art. 5.2.6.2. Dit artikel vervangt artikel 5.5.6.1. § 2 van het VLAREA. Het artikel zorgt ervoor dat de producent, makelaar of inzamelaar of kennisgever van afvalbanden ook verantwoordelijk worden gesteld voor het behalen van de doelstellingen voor afvalbanden inzake hergebruik en nuttige toepassing.

Onderafdeling 5.2.7. - Afgedankte batterijen en accu's

Art. 5.2.7.1. Dit artikel is een overname van artikel 5.5.7.1. van het VLAREA, met een herformulering van de laatste alinea, waarbij de systemen voor behandeling en verwerking geschrapt worden.

Art. 5.2.7.2. Dit artikel is een overname van artikel 5.5.7.2 van het VLAREA waarbij de tekst is omgezet in klare taal.

Art. 5.2.7.3. Dit artikel is een overname van artikel 5.5.7.3 van het VLAREA, waarbij de zinsbouw is aangepast. De opdrachtgever wordt conform de nieuwe definities vervangen door de afvalstoffenproducent, de afvalstoffenmakelaar of - inzamelaar of de kennisgever zoals bedoeld in verordening (EG) 1013/2006. (correcte verwijzing)

Art. 5.2.7.4. Dit artikel vervangt artikel 5.5.7.4. van het VLAREA. De validatie van de recyclingpercentages moet nu gebeuren wanneer de OVAM daarom verzoekt.

Onderafdeling 5.2.8. - Pcb's

Deze bepalingen werden grotendeels ongewijzigd overgenomen uit het VLAREA en het besluit van de Vlaamse Regering (BVR) van 17 maart 2000 houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor pcb-houdende apparaten en de daarin aanwezige pcb's. Het BVR van 17 maart 2000 wordt opgeheven in hoofdstuk 12. Tekstuele en taalkundige aanpassingen zijn wel doorgevoerd.

Art. 5.2.8.1. Dit is een letterlijke overname van artikel 5.5.8.1, § 1, van het VLAREA.

Het tweede lid is een overname van artikel 5.5.8.1, § 2, van het VLAREA en uitgebreid met de gegevens die werden ingezameld via artikel 10 van het BVR van 17 maart 2000.

Art. 5.2.8.2. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 5.5.8.2, § 1 en § 2, van het VLAREA.

Art. 5.2.8.3. Dit artikel is een herformulering van § 1 en § 2 van artikel 5.5.8.3 van het VLAREA om de leesbaarheid te verbeteren.

Art. 5.2.8.4. § 1. De eerste paragraaf is een herformulering van artikelikel 5.5.8.4,. § 1, van het VLAREA om rekening te houden met het verstrijken van de oorspronkelijke einddatum voor het overmaken van een kennisgeving (1 januari 1999).

§ 2. Letterlijke overname van artikel 5.5.8.4. § 2 van het VLAREA.

Art. 5.2.8.5. § 1. Herformulering van artikel 5.5.8.5, § 1 van het VLAREA omdat de oorspronkelijke einddatum van 31 december 2005 verstreken is. Dit impliceert dat apparaten die moeten worden geïnventariseerd en die nog niet werden gereinigd en/of verwijderd onmiddellijk buiten gebruik moeten worden gesteld. Ook artikel6 van het BVR van 17 maart 2000 werd hier opgenomen.

§ 2. Letterlijke overname van artikel 5.5.8.5, § 2, van het VLAREA;

§ 3. Letterlijke overname van artikel 7 van het BVR van 17 maart 2000.

Art. 5.2.8.6. Dit is een letterlijke overname van artikel 5, § 1 en § 2, van het BVR van 17 maart 2000.

Art.5.2.8.7. Dit is een letterlijke overname van artikel 5.5.8.7, § 1 en § 2, van het VLAREA.

Art. 5.2.8.8. § 1. Herformulering van artikel 5.5.8.8, § 1, en artikel 5.5.8.0 van het VLAREA om de leesbaarheid te verbeteren;

§ 2. Letterlijke overname van artikel 5.5.8.8, § 2, van het VLAREA.

Art. 5.2.8.9. Letterlijke overname van artikel 5.5.8.9 van het VLAREA.

Art. 5.2.8.10 tot en met 5.2.8.13. Dit zijn letterlijke overnames van artikel 11 tot en met 14 van het BVR van 17 maart 2000.

Onderafdeling 5.2.9. - Afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten

Art. 5.2.9.1. Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van haar equivalent in het VLAREA.

Onderafdeling 5.2.10. - Afval van de zeevaart

De bepalingen bij deze onderafdeling zijn ongewijzigd ten opzichte van het VLAREA en het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 2010 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer en het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

Alleen artikel 5.2.10.3, § 5, is gewijzigd en behoeft een toelichting : het opleggen van een audit, uitgevoerd door een onafhankelijke bedrijfsrevisor is reeds een bestaande verplichting in het VLAREA. Op deze manier wordt het kostendekkingssysteem, en dus de in- en uitgaande geldstromen, jaarlijks geëvalueerd op een neutrale wijze. De kapitein of de vertegenwoordiger van een zeegaand vaartuig die een haven aanloopt of een waterweg gebruikt, dient immers een bijdrage te betalen. Deze bijdrage moet vervolgens door de respectievelijke beheerder aangewend worden om een deel van de kosten van de havenontvangstinstallaties voor scheepsafval te dekken.

Gelet op de grootte van de havens, het bijhorend aantal aanlopen en dus de hoogte van de inkomsten uit de bijdragen enerzijds, en de kost die dergelijke audit met zich meebrengt anderzijds, is deze maatregel te verantwoorden voor de grote Vlaamse zeehavens, zoals Antwerpen, Gent, Zeebrugge en Oostende.

Voor de beheerders van de jachthavens is de verplichting van een jaarlijkse audit, naar analogie, nog minder in verhouding. Volgens de regels van goed bestuur lijkt het wenselijk om de maatregel beter af te stemmen op de grootte van de havens en dus van de in- en uitgaande geldstromen.

Zo moeten volgens voorliggend ontwerp de beheerders van het Albertkanaal en het Zeekanaal en van de vissershavens, slechts driejaarlijks een audit laten uitvoeren door een onafhankelijk revisor.

De beheerders van de jachthavens die zeegaande vaartuigen ontvangen moeten zelf een overzicht bezorgen van de in- en uitgaven.

Onderafdeling 5.2.11. - Afval van de binnenvaart

De artikelen bij deze onderafdeling zijn ongewijzigd ten opzichte van het VLAREA en het recente besluit van 22 oktober 2010 van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer en het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

Afdeling 5.3. - Bepalingen over het beheer van specifieke materialen die geen afvalstof zijn

Onderafdeling 5.3.1. - Algemene bepalingen

Art. 5.3.1.1. Dit artikel stelt dat afdeling 5.3 de voorwaarden bevat die moeten zijn vervuld bij het gebruik van grondstoffen. De term grondstoffen is gedefinieerd. De gebruiksvoorwaarden slaan met name op de geviseerde stromen in hoofdstuk 2, maar niet uitsluitend (zie artikel 5.3.6 e.v.).

Art. 5.3.1.2. § 1. Deze paragraaf geeft aan dat materialen die niet overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, worden gebruikt, als afvalstoffen moeten worden beschouwd.

§ 2. De grondstoffen, blijven ook tijdens het transport en gedurende de tussentijdse opslag met het oog op het effectieve gebruik grondstoffen. Deze bepaling is een logisch gevolg van de decretale bepalingen (Materialendecreet) en hetgeen is toegelicht in dit verslag in hoofdstuk 2.2.

Onderafdeling 5.3.2. - Voorwaarden voor het gebruik van grondstoffen als meststof of bodemverbeterend middel

Art. 5.3.2.1. Dit artikel geeft de gebruiksvoorwaarden weer voor materialen met het statuut grondstof of waarvoor een grondstofverklaring is afgeleverd en die bestemd zijn voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel. De gebruiksvoorwaarden zijn een letterlijke overname van artikel 4.2.1.1. § 1 2° en verwijzing naar bijlage 4.2.1.B van het VLAREA.

In dit artikel is een tweede lid toegevoegd die juridische zekerheid biedt voor wat nu in praktijk beleidsmatig gehanteerd wordt. Deze paragraaf voorkomt bijv. dat materialen die alleen biologisch worden gedroogd het statuut grondstof verkrijgen.

Art. 5.3.2.2. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 4.2.1.1, § 2, van het VLAREA.

Art. 5.3.2.3. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 4.2.1.1, § 3, van het VLAREA. De laatste zin 'De maximaal toelaatbare doseringen, bepaald in bijlage 4.2.1.B, worden in dit geval verminderd met de waarden van de eenmalige compostdosering, gedeeld door de normale levensduur' is weggelaten omdat dit al in voorgaande zin impliciet vervat zit.

Art. 5.3.2.4. § 1. Deze paragraaf is een letterlijke overname van artikel 4.2.1.2, § 2, van het VLAREA.

§ 2. Deze paragraaf is een letterlijke overname van artikel 4.2.1.2, § 3, van het VLAREA.

Onderafdeling 5.3.3. - Voorwaarden voor het gebruik van grondstoffen als bouwstoffen

Art. 5.3.3.1. Deze algemene bepaling geeft aan dat de laatste kolom in afdeling 2 van bijlage 2.2 eventueel verwijst naar gebruiksvoorschriften voor grondstoffen als bouwstoffen.

Art. 5.3.3.2. Dit artikel werd ingevoegd met het oog op de traceerbaarheid van de gerecycleerde granulaten. De traceerbaarheid van gerecycleerde granulaten wordt bepaald door de afleveringsbon van de certificatie-instellingen. De controlebevoegdheid van de certificatie-instellingen is beperkt tot de locaties die onder certificatiebevoegdheid vallen van de certificatie-inrichting. De controle kan bestaan uit een plaatsbezoek met kwaliteitscontrole van de granulaten en een nazicht van de registers. Op de locatie van tussenopslag heeft de certificatie-inrichting geen controlebevoegdheid. Voor gerecycleerde granulaten die op een tussenopslagplaats worden gestockeerd, kan de traceerbaarheid niet meer gegarandeerd worden.

De afvoer van gerecycleerde granulaten naar een locatie voor tussenopslag is pas mogelijk wanneer in het eenheidsreglement een regeling wordt uitgewerkt die de traceerbaarheid van gerecycleerde granulaten bij een tussenopslag alsnog kan garanderen.

Art. 5.3.3.3. Dit artikel is een letterlijke overname van de uitzonderingsbepaling in bijlage 4.1, afdeling 2 van het VLAREA. De voorwaarde dat het puin afkomstig moet zijn van selectieve sloopactiviteiten veronderstelt dat het gaat om zuiver puin, waarbij er geen risico is dat het verontreinigd is.

Art. 5.3.3.4. Dit artikel is een overname van artikel 4.2.2.3 van het VLAREA.
Onderafdeling 5.3.4. - Voorwaarden voor het gebruik van grondstoffen als bodem

Art. 5.3.4.1. Deze algemene bepaling geeft aan dat de laatste kolom in afdeling 3 van bijlage 2.2 eventueel verwijst naar gebruiksvoorschriften voor grondstoffen als bodem.

Art. 5.3.4.2. De huidige bemonsterings- en analysemethodes blijven van toepassing. De normen bepaald in bijlage V van het VLAREBO worden strikt gevolgd, waarbij eveneens rekening moet gehouden worden met de opmerkingen van de bijlage. Daarnaast gelden de normen voor chloorhoudende bestrijdingsmiddelen, vermeld in artikel 2.4.3.1.

Art. 5.3.4.3. Dit artikel is overgenomen uit het VLAREA en gebundeld onder één artikel. Een toevoeging is echter § 2 die gebruik van bagger- en ruimingsspecie als bodem met een grondstofverklaring regelt.

Art. 5.3.4.4. Opnieuw een overgenomen en gebundeld artikel. Het VLAREA handelt over het gebruik binnen de vijfmeterstrook voor specie die voldoet aan de waarden voor vrij gebruik van uitgegraven bodem + chloorhoudende bestrijdingsmiddelen. Het is nu de bedoeling elk gebruik van bagger- en ruimingsspecie als bodem, zonder grondstofverklaring, op deze wijze aan te pakken. Zoals reeds eerder vermeld dient het bemonsterings- en analyserapport ter inzage te liggen bij de gemeente waar de specie wordt uitgespreid. De producent van de specie behoudt de verplichtingen die in het VLAREA zijn opgelegd en moet deze gegevens ter inzage leggen bij het gemeentebestuur van de gemeente waar de specie zal worden uitgespreid. De gemeente kan op basis van deze gegevens, of klachten van omwonenden, beslissen om op te treden. De rapporten, samen met de code van goede praktijk, dienen ter inzage te liggen bij het gemeentebestuur van de gemeente waar de specie als bodem zal worden uitgespreid. De gemeentelijke milieudienst beschikt dus over de nodige gegevens indien zij wil optreden tegen een bepaald werk. De controle op deze werken gebeurt immers nog steeds in eerste instantie door de milieudienst van de gemeente. Hierbij kan steeds advies aan de OVAM gevraagd worden.

Art. 5.3.4.5. Dit artikel is overgenomen uit het VLAREA. Specie die niet voldoet aan de waarden voor vrij gebruik van uitgegraven bodem aangevuld met de chloorhoudende pesticiden kan volgens de leidraad en code van goede praktijk bagger- en ruimingsspecie hergebruikt worden in volgende situaties :
- De specie wordt hergebruikt op de oever binnen de vijfmeterstrook in bestemmingstypes II tot met V en de specie heeft een verontreinigingsgraad < 80 % BSN type II en < BSN type III

Onder deze voorwaarden kan de specie hergebruikt worden op voorwaarde dat de milieukenmerken van de waterbodem en de oever als gelijk beschouwd kunnen worden. In de praktijk blijkt dat hier vaak te los wordt mee omgegaan. Er worden tot op heden dan ook vaak gebruikscertificaten geweigerd omdat deze voorwaarde niet of onvoldoende gemotiveerd wordt.

Hier moet een cruciale toetsing gebeuren waardoor de vrijstelling van de grondstofverklaring niet wenselijk is (zie artikel 5.3.4.3).
- De specie wordt hergebruikt buiten de vijfmeterstrook in bestemmingstypes II tot met V en de specie heeft een verontreinigingsgraad < 80 % BSN type II-V en < BSN type III

Specie kan eveneens hergebruikt worden buiten de vijfmeterstrook binnen bestemmingstype II tot en met V mits door middel van een studie ontvangende bodem kan worden aangetoond dat de specie geen bijkomende vervuiling betekent. Dit komt in praktijk echter zelden voor.

Er moet hier opnieuw een cruciale toetsing gebeuren waardoor de vrijstelling van de grondstofverklaring niet wenselijk is.

Ten slotte voorziet de leidraad en code van goede praktijk bagger- en ruimingsspecie een toetsingsmethodiek om in specifieke gevallen te kunnen werken met een gewogen gemiddelde indien voor één of enkele parameters de waarden voor vrij gebruik worden overschreden. De praktijk toont eveneens aan dat deze methodiek soms zeer ruim geïnterpreteerd wordt.

De procedure van de grondstofverklaring voor de bagger- en ruimingsspecie die afwijkt van de waarden voor vrij gebruik van uitgegraven bodem, wordt behouden.

Art. 5.3.4.6. Dit artikel is overgenomen uit het VLAREA.

Art. 5.3.4.7. Dit artikel is overgenomen uit het VLAREA.

Onderafdeling 5.3.5. - Voorwaarden voor het gebruik van grondstoffen in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas op stortplaatsen van categorieën 1 en 2

Artikel 5.3.5.1. Dit artikel bevat alleen bepalingen die ongewijzigd uit het VLAREA zijn overgenomen. Artikel 2.3.4.1 bevat niet langer een verwijzing naar bijlage 2.3.4.C. Deze bijlage bevat de voorwaarden voor de afdichtingslaag en zijn als zodanig gebruiksvoorwaarden. In artikel 2.3.4.1 is gesteld dat de materialen kunnen afwijken van de initiële samenstellingscriteria, maar dit moet altijd in samenhang met dit artikel gelezen worden.

Onderafdeling 5.3.6. - Voorwaarden voor het gebruik van rubbergranulaat van gerecycleerde afvalbanden als instrooimateriaal in kunstgrasvelden

Art. 5.3.6.1. Dit artikel bepaalt dat het gebruik van rubbergranulaat afkomstig van gerecycleerde afvalbanden als instrooimateriaal op kunstgrasvelden alleen toegelaten is als voldaan wordt aan de voorwaarden opgenomen in deze onderafdeling. Rubbergranulaat afkomstig van gerecycleerde afvalbanden wordt in kunstgrasvelden ingestrooid ter verbetering van de sporttechnische eigenschappen van het veld. Daarnaast helpt het rubbergranulaat om blessures bij de spelers te voorkomen. Momenteel is er in Vlaanderen geen reglementering betreffende het gebruik van rubbergranulaat in kunstgrasvelden, hoewel dit in de praktijk wel toegepast wordt. Het Nederlandse onderzoeksbureau INTRON publiceerde 4 studies inzake de mogelijke milieu- en gezondheidsrisico's van het gebruik van rubbergranulaat van afvalbanden op kunstgrasvelden. Uit deze studies blijkt dat er geen sprake is van een significant gezondheidsrisico bij sporters. Wat betreft de milieurisico's blijkt de uitloging van zink het meest relevant te zijn. Om nadelige effecten op het milieu uit te sluiten worden in deze onderafdeling voorwaarden opgelegd voor het gebruik van rubbergranulaat van gerecycleerde afvalbanden als instrooimateriaal in kunstgrasvelden.

Art. 5.3.6.2. Dit artikel bepaalt dat de aanleg van met rubbergranulaat ingestrooide kunstgrasvelden moet gebeuren op een onderlaag en dat deze onderlaag herkenbaar moet gescheiden worden van de onderliggende van nature aanwezige bodem. Gelet op de afdanking van de kunstgrasvelden is het belangrijk dat de onderlagen terugneembaar worden aangebracht, dat wil zeggen door kleur of door een tussenlaagje herkenbaar gescheiden van de onderliggende van nature aanwezige bodem. Bij afdanking van het veld kan dan ook de onderlaag afgevoerd worden.

Uit het Nederlandse INTRON-onderzoek blijkt dat een onderlaag noodzakelijk is voor de adsorptie van het uit het rubbergranulaat uitgeloogde zink. Het VLAREMA bepaalt dat het kunstgrasveld en de onderlaag zo wordt ontworpen dat de uitloging van schadelijke stoffen in de bodem maximaal wordt voorkomen. De minister kan normen vastleggen voor de uitloging van schadelijke stoffen uit het kunstgrasveld en de onderlaag. Zo zal er een norm moeten worden vastgesteld voor de zinkuitloging. De minister kan ook termijnen vastleggen waarbinnen bestaande kunstgrasvelden moeten voldoen aan de uitlogingsnormen.

Art. 5.3.6.3. De binding van zink aan de onderlaag wordt in hoge mate bepaald door de zuurtegraad van de onderlaag. Volgens de Nederlandse INTRON-studies moet vermeden worden dat de pH in het kunstgrassysteem daalt. Plantenresten, zoals opgewaaide bladeren kunnen zuren produceren, die met het regenwater meegevoerd kunnen worden de bodem in. Om die reden wordt als voorwaarde opgenomen dat het veld steeds vrij van rottend plantenafval moet worden gehouden.

Door het spelen op met rubbergranulaat ingestrooide kunstgrasvelden raakt rubbergranulaat verspreid in de omgeving rond het veld en op de weg naar de kleedkamers. Om te vermijden dat schadelijke stoffen uitlogen in de bodem waar geen adsorberende onderlaag voorzien is, moet dit rubbergranulaat regelmatig worden opgeveegd en opgeruimd.

Art. 5.3.6.4. De technische levensduur van een kunstgrasmat bedraagt 15 jaar. De onderlaag zal waarschijnlijk technisch gezien langer mee kunnen. Bij de aanleg en gedurende de levensduur van een kunstgrasveld kunnen echter mogelijke imperfecties in de laagopbouw (kanaalvorming) optreden. Daarom is het belangrijk dat bij vervanging van de kunstgrasmat gecontroleerd wordt of de onderlaag nog een compacte structuur heeft en zo nodig scheurvormingen of onregelmatigheden hersteld worden.

De onderlaag zal de uitlogende schadelijke stoffen (waaronder zink) uit het rubbergranulaat absorberen. Op een bepaald moment zal de absorptiecapaciteit van de onderlaag overschreden worden. Op dat moment logen de schadelijke stoffen uit naar de onderliggende bodem. Om dit te vermijden wordt opgenomen dat de onderlaag moet worden vervangen wanneer de belasting met schadelijke stoffen te hoog is. De minister kan hiervoor normen vastleggen.

De onderlaag wordt gedurende de levensduur van het kunstgrasveld belast met schadelijke stoffen zoals zink. Dit kan ook gebeuren met het zand dat, naast het rubbergranulaat, ook wordt ingestrooid in de kunstgrasmatten. Het is dan ook belangrijk dat bij de afdanking van de kunstgrasvelden een juiste bestemming wordt gegeven aan alle componenten van het kunstgrassysteem. Dit wordt opgenomen als voorwaarde.

HOOFDSTUK 6. - Inzamelen en vervoeren van afvalstoffen

Afdeling 6.1. - Vervoeren en inzamelen van en handelen en makelen in afvalstoffen

Art. 6.1.1. Het eerste lid van dit artikel werd overgenomen uit het VLAREA.

Onderafdeling 6.1.1. - Voorwaarden voor het vervoeren en inzamelen van en het handelen en makelen in afvalstoffen

Art. 6.1.1.1. Dit artikel bevat de algemene vervoersvoorwaarden voor het vervoer van afvalstoffen en bevat grotendeels dezelfde voorwaarden als artikel 5.1.1.2 van het VLAREA. De reiniging van de vervoersmiddelen en recipiënten is alleen nodig wanneer wordt overgeschakeld naar een andere afvalstroom.

Er werd toegevoegd dat de voorwaarden ook bij het laden en lossen moeten worden nageleefd. Het is dan duidelijk dat de vervoerders, inzamelaars, handelaars en makelaars ook een verantwoordelijkheid dragen tijdens het laden en lossen van de afvalstoffen die vervoerd worden.

Het algemeen mengverbod werd voor de duidelijkheid verder gespecificeerd en verduidelijkt.

Er werd toegevoegd dat de vervoerder slechts mag vervoeren als een verplicht identificatieformulier aanwezig is. Deze bepaling werd toegevoegd omdat volgens de oude regeling niet duidelijk was wie een overtreding beging bij het ontbreken van een verplicht identificatieformulier. In de nieuwe regeling moet de inzamelaar, handelaar of makelaar het formulier opmaken en mag de vervoerder maar starten als het formulier ook effectief aanwezig is. Deze bepaling zal de handhaafbaarheid van de regelgeving vergemakkelijken.

De voorwaarden in verband met het onverminderd van toepassing zijn van de regelgeving betreffende 'vervoer van gevaarlijke stoffen' en 'vervoer tegen vergoeding' werden weggelaten. De afwijking op deze voorwaarden was in strijd met de regelgeving zelf.

De uitzonderingen op de algemene vervoersvoorwaarden werden overgenomen uit artikel 5.1.1.1 van het VLAREA.

Art. 6.1.1.2. Dit artikel bevat de bepalingen betreffende het identificatieformulier.

§ 1. De gevallen waarbij een identificatieformulier niet verplicht is voor het vervoer van afvalstoffen, werden overgenomen uit artikel 5.1.1.1 en artikel 5.1.1.4 § 1 van het VLAREA. Aangezien 'inzameling' zo is gedefinieerd dat het ook de voorlopige opslag of voorlopige sortering van afvalstoffen omvat, slaan de uitzonderingsbepalingen in artikel 6.1.1.2, § 1, 1° en 7°, respectievelijk ook op het transport van afvalstoffen van een containerpark naar een verwerker of de restfractie van een kringloopcentrum naar een verwerker.

Bijkomend werd toegevoegd dat er geen identificatieformulier nodig is voor vervoer via pijpleidingen en werd de paragraaf met betrekking tot secundaire grondstoffen weggelaten omdat deze stromen in de toekomst niet meer het statuut van afvalstof zullen hebben, maar van grondstof.

Er wordt voor de duidelijkheid verwezen naar het Materialendecreet om aan te geven dat er bij afgifte van afvalstoffen steeds een afgiftebewijs moet afgeleverd worden, ook als een identificatieformulier niet verplicht is. Voorheen stond deze bepaling alleen in het afvalstoffendecreet en was er onduidelijkheid.

Er wordt voorzien dat identificatieformulieren in elektronische vorm mogen gebruikt worden na voorafgaande goedkeuring van de overheid. Op deze manier kunnen problemen m.b.t. door bedrijven geclaimde vertrouwelijkheid van een deel van de informatie op een identificatieformulier opgelost worden.

§ 2. Deze paragraaf bevat de inhoud van het identificatieformulier en de verplichting om het voorafgaand aan het transport in te vullen. Deze paragraaf werd overgenomen uit artikel 5.1.1.4, § 2-4 van het VLAREA.

De aanpassingen hebben alleen te maken met de gewijzigde terminologie.

Indien het niet mogelijk is om het gewicht te bepalen, kan de hoeveelheid ook in aantallen uitgedrukt worden.

§ 3. Deze paragraaf bepaalt dat als de Verordening betreffende overbrenging van afvalstoffen van toepassing is er geen extra identificatieformulieren moeten opgemaakt worden. Deze paragraaf werd overgenomen uit artikel 5.1.1.4 § 6 van het VLAREA.

De aanpassingen hebben alleen te maken met de gewijzigde terminologie.

§ 4. Deze paragraaf bepaalt dat er geen apart afgiftebewijs moet opgemaakt worden als het transport van afvalstoffen vergezeld wordt door een identificatieformulier.

§ 5- § 7. Deze paragrafen bepalen wie op welk moment een kopie van het identificatieformulier ondertekent en ontvangt en bepaalt de bewaartermijn. Deze paragrafen werden overgenomen uit artikel 5.1.1.4 § 7-9 van het VLAREA.

Art. 6.1.1.3. Dit artikel bepaalt de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars van afvalstoffen en producenten die regelingen treffen voor hun eigen afvalstoffen.

Zij moeten de afvalstoffen afvoeren naar een vergund verwerker en moeten voor elke gescheiden aangeboden afvalstof een gepaste verwerker kiezen. Daarnaast zijn zij verplicht een afvalstoffenregister bij te houden en zijn zij verantwoordelijk voor het correct invullen van het identificatieformulier.

Art. 6.1.1.4. Dit artikel bepaalt de bijkomende voorwaarden die van toepassing zijn op inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars van afvalstoffen. Zij moeten aan hun klanten informatie verschaffen over welke afvalstoffen verplicht gescheiden moeten aangeboden worden. Deze actoren krijgen dus een actieve rol in de sensibilisering betreffende selectieve inzameling van bedrijfsafvalstoffen. Tevens wordt een verplichte opmaak van een contract tussen de inzamelaar en de afvalstoffenproducent opgelegd. Het naleven van het contract impliceert dat het gemengd restafval van bedrijfsmatige oorsprong geen selectief in te zamelen stromen meer bevat en daardoor niet in aanmerking komt voor uitsortering conform de bepalingen in de code van goede praktijk, vast te stellen door de minister (zie artikel 4.5.2).

Zij moeten werken volgens een geactualiseerd intern kwaliteitsborgingssysteem, indien zij alleen gevaarlijke afvalstoffen inzamelen of erin handelen en makelen.

De Vlaamse minister krijgt delegatie om bij gemotiveerd besluit nadere regels vast te stellen met betrekking tot specifieke voorwaarden voor welbepaalde afvalstoffen. Het zou kunnen dat voor bepaalde niet-gevaarlijke afvalstoffen bijkomende verplichtingen nodig zijn, met inbegrip van een kwaliteitsborgingssysteem.

Art. 6.1.1.5. Dit artikel bevat de bepalingen met betrekking tot de inhoud en de algemene principes waaraan een geactualiseerd intern kwaliteitsborgingssyteem moet voldoen.

Het kwaliteitsborgingssysteem moet niet alleen zorgen dat de voorwaarden uit deze afdeling worden nageleefd, maar ook de andere voorwaarden in dit besluit met betrekking tot de ingezamelde vervoerde, verhandelde of vermakelde afvalstoffen.

Het kwaliteitsborgingssysteem is gebaseerd op het principe van zelfcontrole.

Tot slot bevat dit artikel de onderdelen die minimaal moeten aanwezig zijn in het geactualiseerd intern kwaliteitsborgingssysteem.

Art. 6.1.1.6. § 1. Deze paragraaf bevat een bepaling m.b.t. de opleiding die nodig is voor inzamelaars, handelaars en makelaars van ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen van brandbeveiligingssystemen. Deze bepaling werd overgenomen uit artikel 5.1.2.2, 4°, van het VLAREA.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 2007 werd vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009.

§ 2. Deze paragraaf bepaalt dat het geactualiseerd intern kwaliteitsborgingssyteem van inzamelaars, handelaars en makelaars van gevaarlijke afvalstoffen, of van welbepaalde andere afvalstoffen, op regelmatige basis aan een keuring door een onafhankelijk keuringsorganisme wordt onderworpen om de zelfcontrole van de betrokken bedrijven op te volgen.

De tijdstippen waarop een keuring moet plaatsvinden, de inhoud van de keuring en een aantal praktische modaliteiten met betrekking tot de keuring worden verder gespecificeerd. Zo is duidelijk gesteld wie het keuringsverslag moet opsturen en wanneer.

Artikel 6.1.1.6, § 2, tweede en derde lid, geven aan dat de OVAM een code van goede praktijk opmaakt over de werkwijze en voorwaarden waaraan de keuringsinstellingen moeten voldoen. Om te garanderen dat de keuringsinstellingen zich houden aan deze voorwaarden moeten deze afdwingbaar zijn. Vandaar dat geopteerd wordt om buiten een code van goede praktijk (die zich alleen toespitst op hoe een keuringsinstelling een keuring moet uitvoeren) ook de minister een delegatie te verlenen om bepalingen uit te vaardigen die toelaten om een lijst van keuringsinstellingen bekend te maken (bijv. via internet) en keuringsinstellingen van de lijst te halen wanneer de voorwaarden niet meer vervuld zijn of de code van goede praktijk niet gevolgd wordt.

Onderafdeling 6.1.2. - Registratie van vervoerders van afvalstoffen

Art. 6.1.2.1. Dit artikel bepaalt wie over een registratie als vervoerder moet beschikken en bevat de procedure om een registratie te bekomen.

Vervoerder van afvalstoffen wordt in de definitielijst gedefinieerd met een verwijzing naar het vermeende beroepsmatige karakter. Beroepsmatig houdt daarbij in dat hij afvalstoffen vervoert in het kader van een professionele activiteit, ongeacht of deze professionele activiteit exclusief bestaat uit de inzameling of het vervoer van afvalstoffen of bestaat uit het - al of niet occasioneel - inzamelen en vervoeren van afvalstoffen als onderdeel van een bredere professionele activiteit. Opgemerkt wordt ook dat een vervoerder niet de verantwoordelijkheid neemt over de bestemming van het afval, en in deze geen beslissing neemt. Dit markeert het verschil met de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar.

§ 1. Alle vervoerders van afvalstoffen moeten over een registratie als vervoerder beschikken, tenzij het transport niet start en eindigt in het Vlaamse gewest (doorvoertransport door Vlaanderen).

Aansluitend op artikel 6.1.4.1 moet een vervoerder van afvalstoffen die niet in het Vlaamse Gewest geregistreerd is, dit kunnen aantonen aan de bevoegde autoriteit. Bij het vaststellen van een gebrek aan registratie of het niet naleven van de vervoersvoorwaarden komt de opdrachtgever de gepaste verantwoordelijkheid toe.

De OVAM houdt een register bij van de door de OVAM geregistreerde vervoerders en stelt dit via de website van de OVAM ter beschikking.

§ 2. De gemeenten en intercommunales die huishoudelijke en/of vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen inzamelen zijn van rechtswege geregistreerd als vervoerders van afvalstoffen. Indien zij een aparte inzameling van bedrijfsafvalstoffen organiseren, conform de bepalingen van het plan voor huishoudelijke afvalstoffen, is er wel een registratieplicht.

Art. 6.1.2.2. Dit artikel bevat de informatie die in de registratieaanvraag moet aanwezig zijn. Dit werd overgenomen uit artikel 5.1.3.2 van het VLAREA. Het ondernemingsnummer werd toegevoegd voor de identificatie van de bedrijven om te kunnen koppelen aan de authentieke bron van deze informatie, nl. de kruispuntbank ondernemingen.

Omwille van de administratieve lastenverlaging zal de registratie aan een onderneming worden toegekend, ongeacht vanuit welke exploitatiezetels geopereerd wordt. Er wordt dus geen informatie betreffende de exploitatiezetels meer gevraagd.

Het aanvraagformulier maakt geen deel meer uit van dit besluit, maar een model hiervoor wordt via de website van de OVAM ter beschikking gesteld.

Art. 6.1.2.3. Dit artikel bevat de aanvraagprocedure voor een registratie als vervoerder van afvalstoffen. Deze werd voor het grootste deel overgenomen uit artikel 5.1.3.4 van het VLAREA

Om de administratieve lasten te verlagen blijft de registratie tien jaar geldig i.p.v. vijf jaar.

Art. 6.1.2.4. Dit artikel werd grotendeels overgenomen uit artikel 5.1.3.5.

Het eerste lid bevat de procedure om een wijziging aan de geregistreerde gegevens door te voeren. Om de administratieve lasten te verlagen worden geen uittreksels meer opgestuurd, maar worden de registers die via de website ter beschikking worden gesteld, aangepast.

Het tweede lid werd letterlijk overgenomen uit artikel 5.1.3.5 van het VLAREA.

Het derde lid bepaalt dat bij stopzetting van activiteiten een bedrijf kan vragen om de registratie op te heffen en om uit het register geschrapt te worden.

Onderafdeling 6.1.3. - Registratie van inzamelaars, afvalstoffenhandelaars en -makelaars

Art. 6.1.3.1. Dit artikel bepaalt wie over een erkenning als inzamelaar, handelaar of makelaar in afvalstoffen moet beschikken.

Merk op dat de term inzamelaar is toegevoegd aan de lijst van definities. Het verwijst naar de daad van 'inzameling', zoals dit begrepen is in het Materialendecreet. Evenals bij 'vervoerders' en afvalstoffenhandelaars of -makelaars is het noodzakelijk te wijzen op het veronderstelde beroepsmatige karakter van een inzamelaar. Dat houdt in dat hij afvalstoffen inzamelt in het kader van een professionele activiteit, ongeacht of deze professionele activiteit exclusief bestaat uit de inzameling van afvalstoffen of het - al of niet occasioneel - inzamelen van afvalstoffen als onderdeel van een bredere professionele activiteit. Afvalstoffenhandelaar en -makelaar zijn reeds in het Materialendecreet gedefinieerd. Samen vervangen zij de term overbrenger uit het VLAREA.

Inzameling verwijst ook naar 'voorlopige opslag' en 'sortering' (zie definitie in artikel 3, 18° van het Materialendecreet). De registratie en kwaliteitsborging is niet van toepassing op deze activiteiten, indien die al gevat worden door vergunnings-/meldingsplicht in artikel 11. De registratieplicht vindt zijn oorsprong in artikel 13 van het Materialendecreet. Een sorteerder is een 'verwerker' en geen inzamelaar, maar een inzamelaar kan onder zijn verantwoordelijkheid beslissen om iets naar sortering of opslag te sturen onder de registratie als inzamelaar. Met andere woorden, de verplichting voor een milieuvergunning voor de opslag of sortering van afval wordt niet vervangen door een registratie die een eventuele inzamelaar heeft.

De inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars die verantwoordelijk zijn voor afvaltransporten die vertrekken vanuit het Vlaamse Gewest, moeten beschikken over een registratie als inzamelaar, handelaar makelaar van afvalstoffen. Als zij zelf ook het vervoer van de afvalstoffen verzorgen, moeten zij ook over een registratie als vervoerder beschikken.

De OVAM zal een actueel register van geregistreerde en geschorste inzamelaars, handelaars en makelaars van afvalstoffen via haar website ter beschikking stellen van het publiek. Er zullen dus geen papieren uittreksels uit het register meer opgestuurd worden naar de betrokkenen.

Afvalproducenten die zelf bepalen waar hun afvalstoffen verwerkt zullen worden en wie de afvalstoffen zal vervoeren, zijn uitgesloten van de registratieplicht.

De gemeenten en intercommunales die huishoudelijke en/of vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen inzamelen, zijn van rechtswege geregistreerd.

Art. 6.1.3.2. Dit artikel bevat de informatie die in de registratieaanvraag moet aanwezig zijn. Het ondernemingsnummer van de aanvrager is nodig voor de identificatie van de aanvrager en om te kunnen koppelen aan de authentieke bron van deze informatie, nl. de kruispuntbank ondernemingen.

Er werd een administratieve lastenverlaging doorgevoerd. Daarom worden alleen administratieve gegevens opgevraagd en zal de aanvrager geen inhoudelijk dossier moeten voorbereiden. Bovendien zal de registratie aan een onderneming worden toegekend, ongeacht vanuit welke exploitatiezetels geopereerd wordt. Er wordt dus geen informatie betreffende de exploitatiezetels meer gevraagd.

Het aanvraagformulier maakt geen deel uit van dit besluit, maar een model hiervoor wordt via de website van de OVAM ter beschikking gesteld.

Art. 6.1.3.3. Dit artikel bevat de aanvraagprocedure voor een registratie als inzamelaar, handelaar of makelaar van afvalstoffen.

De aanvraag moet niet meer aangetekend naar de OVAM gestuurd worden, maar mag ook op andere manieren ingediend worden. De OVAM wil deze procedure na een korte overgangsperiode via een webregistratie laten gebeuren.

Omdat er geen inhoudelijke behandeling vereist is zal de aanvrager indien de aanvraag volledig en correct is gebeurd binnen de 20 kalenderdagen geregistreerd worden. Als de aanvraag niet correct of volledig was zal de OVAM dit binnen de 20 kalenderdagen meedelen aan de aanvrager.

Om de administratieve lasten te verlagen blijft een registratie tien jaar geldig.

Art. 6.1.3.4. Het eerste lid bevat de procedure om een wijziging aan de geregistreerde gegevens door te voeren. Om de administratieve lasten te verlagen worden geen uittreksels meer opgestuurd, maar worden de registers die via de website ter beschikking worden gesteld, aangepast.

De registratie mag niet worden doorgegeven aan derden. Bij een wijziging in het ondernemingsnummer moet een nieuwe registratie aangevraagd worden.

Bij stopzetting van activiteiten kan een bedrijf vragen om de registratie op te heffen en om uit het register van geregistreerde inzamelaars, handelaars of makelaars van afvalstoffen geschrapt te worden.

Art. 6.1.3.5. Dit artikel bevat de maatregelen die volgen na vaststelling van een ontoereikend intern kwaliteitsborgingssyteem, een negatief keuringsverslag van het kwaliteitsborgingssysteem door een onafhankelijke keuringsinstelling, een overtreding van de voorwaarden of een misbruik van de registratie en de procedure van de schorsing van de registratie. Dit artikel is grotendeels overgenomen uit artikel 5.1.2.8 van het VLAREA maar werd wel aangepast aan de nieuwe terminologie en aan de voorwaarde van een intern kwaliteitsborgingssyteem dat op regelmatige basis gekeurd wordt door een onafhankelijke keuringsinstelling.

Bij vaststelling van een ontoereikend intern kwaliteitsborgingssyteem, een negatief keuringsverslag van het kwaliteitsborgingssysteem door een onafhankelijke keuringsinstelling, een overtreding van de voorwaarden of een misbruik van de registratie kan deze geschorst worden.

De procedure van de schorsing houdt in dat de OVAM eerst een brief stuurt met de motieven voor de schorsing en het voornemen tot schorsing. Nadien kan de betrokkene gedurende 14 dagen verweermiddelen kenbaar maken en kan hij vragen om gehoord te worden.

De schorsing wordt aangetekend betekend en bevat de motieven; De inzamelaars, handelaars en makelaars worden dan opgenomen in het register van geschorste inzamelaars, handelaars en makelaars van afvalstoffen.

Een schorsing blijft geldig tot het einde van de registratie. In deze periode kan hij geen nieuwe registratie krijgen. Als de betrokkene kan aantonen dat de aanleiding tot de schorsing niet meer bestaat kan de schorsing worden opgeheven.

Onderafdeling 6.1.4. - Aanvaarding van registraties als vervoerder uit andere gewesten en staten van de Europese Economische Ruimte

Art. 6.1.4.1. Het is voor de OVAM voldoende dat geregistreerde vervoerders in één van de drie gewesten of elders in Europa geregistreerd zijn. Indien in een ander gewest of andere lidstaat, geen registratie nodig zou zijn, moet men toch een registratie als vervoerder aanvragen in Vlaanderen. Alle andere bepalingen blijven onverminderd van kracht.

Afdeling 6.2. - Invoer en uitvoer van afvalstoffen

Art.6.2.1. Deze bepaling werd overgenomen uit artikel 5.6.1 van het VLAREA.

Art.6.2.2. Deze bepaling werd overgenomen uit artikel 5.6.2 van het VLAREA.

Art.6.2.3. Deze bepaling werd grotendeels overgenomen uit artikel 5.6.3, § 1, van het VLAREA. Om de administratieve lasten voor de bedrijven te verlagen werd het aantal kopieën dat moet opgestuurd worden, verminderd.

Art. 6.2.4. § 1.Deze bepaling werd grotendeels overgenomen uit artikel 5.6.4, § 1-3 van het VLAREA.

Het bedrag voor de administratieve afhandeling van de kennisgevings- en toezichtsprocedure wordt verhoogd van 250 naar 400 EURO per kennisgeving. De procedure om het geld over te schrijven werd aangepast aan de Europese overschrijving (SEPA-formulier).

§ 2. Deze bepaling werd overgenomen uit artikel 5.6.4, § 4, van het VLAREA.

Art. 6.2.5. § 1. Deze bepaling werd overgenomen uit artikel 5.6.5, § 1-3, van het VLAREA.

§ 2. Deze bepaling werd overgenomen uit artikel 5.6.4, § 4, van het VLAREA.

§ 3. Deze bepaling werd grotendeels overgenomen uit artikel 5.6.4, § 5 van het VLAREA. De OVAM gaat niet op eigen initiatief een week na ontvangen van alle nodige meldingen de waarborg vrijgeven, maar zal dit doen binnen de maand na een bericht van de kennisgever dat de nodige meldingen van definitieve verwerking zijn gebeurd.

HOOFDSTUK 7. - Registreren en rapporteren van materiaalgegevens

Afdeling 7.1. - Algemene bepalingen

Art. 7.1.1. De identificatie van actoren in dit hoofdstuk gebeurt aan de hand van identificatienummers die op formulieren kunnen gebruikt worden. Voor Belgische ondernemingen wordt gebruik gemaakt van het ondernemingsnummer uit de kruispuntbank ondernemingen, tevens authentieke bron van de administratieve gegevens van de ondernemingen. Voor alle andere actoren wordt een identificatiecode gebruikt die door de OVAM wordt toegekend.

Art. 7.1.2. De databank betreffende afvalstoffen bevat zowel ingezamelde als statistisch verwerkte gegevens.

De ingezamelde basisgegevens in de databank zijn alleen toegankelijk voor de ambtenaren die belast zijn met de gegevensverwerking. De bepalingen i.v.m. openbaarheid van bestuur blijven evenwel gelden. De statistisch verwerkte gegevens zijn wel geschikt voor actieve en passieve openbaarmaking, bijvoorbeeld via de milieudatabank.

Art. 7.1.3. Dit artikel bepaalt welke actoren op eenvoudig verzoek van de OVAM afvalstoffen- en materialengegevens moeten meedelen. Deze paragraaf is grotendeels overgenomen uit artikel 6.1.3 van het VLAREA.

Naast afvalstoffengegevens zullen de betrokken actoren (in eerste instantie de grondstoffenproducenten) ook materialengegevens moeten ter beschikking stellen.

De verslaggeving kan gebeuren via het IMJV, maar kan ook op andere manieren gebeuren.

Afdeling 7.2. - Registers van afvalstoffengegevens

Onderafdeling 7.2.1

Art.7.2.1.1. Dit artikel handelt over het register van geproduceerde afvalstoffen dat moet bijgehouden worden door afvalstoffenproducenten. Het werd grotendeels overgenomen uit artikel 6.2.1 van het VLAREA.

Het register bevat de hoeveelheid, aard, code en verwerkingswijze van de afvalstoffen. Daarnaast moeten ook de betrokken actoren geïdentificeerd worden.

Bij de verwerkingswijze van de afvalstoffen moet een onderscheid gemaakt worden tussen verbranden met energieterugwinning (R1) en andere verbranding (D10). Dit is nodig om te kunnen voldoen aan de Europese rapportageverplichtingen.

Verwijzingen naar secundaire grondstoffen werden weggelaten omdat deze stromen het statuut grondstof hebben en opgenomen moeten worden in het materialenregister (zie artikel 7.2.2.1 van dit besluit).

Bij de identificatie van de actoren werd het ondernemingsnummer toegevoegd. Het ondernemingsnummer (idem als BTW-nummer) is bekend bij partners die handel drijven met elkaar en geeft een belangrijke meerwaarde naar lastenverlaging en koppeling met authentieke bronnen.

Het register moet maandelijks aangevuld worden met de meest recente gegevens.

Een verzameling van identificatieformulieren, aangevuld met gegevens van afvalbewegingen waarvoor een identificatieformulier niet verplicht is, wordt aanvaard als register van geproduceerde afvalstoffen..

Art. 7.2.1.2. Dit artikel handelt over het register van ingezamelde, verhandelde of vermakelde afvalstoffen dat moet bijgehouden worden door afvalstoffeninzamelaars, -handelaars en -makelaars. Het werd grotendeels overgenomen uit artikel 6.2.2 van het VLAREA.

Het register bevat de hoeveelheid, aard, code en verwerkingswijze van de afvalstoffen en de datum van inzamelen, handelen, makelen en effectief vervoer. Daarnaast moeten ook de betrokken actoren geïdentificeerd worden.

Bij de verwerkingswijze van de afvalstoffen moet een onderscheid gemaakt worden tussen verbranden met energieterugwinning (R1) en andere verbranding (D10). Dit is nodig om te kunnen voldoen aan de Europese rapportageverplichtingen.

Verwijzingen naar secundaire grondstoffen werden weggelaten omdat deze stromen het statuut grondstof hebben en opgenomen moeten worden in het materialenregister (zie artikel 7.2.2.1 van dit besluit)

Bij de identificatie van de actoren werd het ondernemingsnummer toegevoegd. Het ondernemingsnummer (idem als BTW-nummer) is bekend bij partners die handel drijven met elkaar en geeft een belangrijke meerwaarde naar lastenverlaging en koppeling met authentieke bronnen.

Het register moet elke werkdag aangevuld worden met de meest recente gegevens.

Art. 7.2.1.3. Dit artikel handelt over het register van afvalstoffen die door of in opdracht van de gemeente worden ingezameld. Het werd grotendeels overgenomen uit artikel 6.2.3 van het VLAREA.

De Vlaamse minister stelt de afvalstoffencodelijst vast die gebruikt moet worden voor afvalstoffen die door of in opdracht van de gemeenten worden ingezameld.

Het register bevat de hoeveelheid, aard, code en verwerkingswijze van de afvalstoffen. Daarnaast moeten ook de betrokken actoren geïdentificeerd worden en worden gegevens opgenomen betreffende de initiatiefnemer voor de inzameling, de oorsprong van de afvalstof, de inzamelwijze en de ophaalwijze.

Bij de verwerkingswijze van de afvalstoffen moet een onderscheid gemaakt worden tussen verbranden met energieterugwinning (R1) en andere verbranding (D10). Dit is nodig om te kunnen voldoen aan de Europese rapportageverplichtingen.

Verwijzingen naar secundaire grondstoffen werden weggelaten omdat deze stromen het statuut grondstof hebben en opgenomen moeten worden in het materialenregister (zie artikel 7.2.2.1 van dit besluit)

Bij de identificatie van de actoren werd het ondernemingsnummer toegevoegd. Het ondernemingsnummer (idem als BTW-nummer) is bekend bij partners die handel drijven met elkaar en geeft een belangrijke meerwaarde naar lastenverlaging en koppeling met authentieke bronnen.

Het register moet maandelijks aangevuld worden met de meest recente gegevens.

Een verzameling van identificatieformulieren, aangevuld met gegevens van afvalbewegingen waarvoor een identificatieformulier niet verplicht is, wordt aanvaard als register van afvalstoffen die door of in opdracht van de gemeente worden ingezameld.

Art. 7.2.1.4. Dit artikel handelt over het register van verwerkte afvalstoffen dat moet bijgehouden worden door afvalstoffenverwerkers. Het werd grotendeels overgenomen uit artikel 6.2.4 van het VLAREA.

Het register bevat de hoeveelheid, aard, code en verwerkingswijze van de aangevoerde afvalstoffen en de datum en uur van de aanvoer. Daarnaast moeten ook de betrokken actoren geïdentificeerd worden en aantal specifieke gegevens in geval van weigering, storten of opslag van de afvalstoffen worden bijgehouden.

Bij de verwerkingswijze van de afvalstoffen moet een onderscheid gemaakt worden tussen verbranden met energieterugwinning (R1) en andere verbranding (D10). Dit is nodig om te kunnen voldoen aan de Europese rapportageverplichtingen.

Verwijzingen naar secundaire grondstoffen werden weggelaten omdat deze stromen het statuut grondstof hebben en opgenomen moeten worden in het materialenregister (zie artikel 7.2.2.1 van dit besluit).

Bij de identificatie van de actoren werd het ondernemingsnummer toegevoegd. Het ondernemingsnummer (idem als BTW-nummer) is bekend bij partners die handel drijven met elkaar en geeft een belangrijke meerwaarde naar lastenverlaging en koppeling met authentieke bronnen.

Het register moet minstens na elke werkdag aangevuld worden met de meest recente gegevens.

In de milieuvergunning kan afgeweken worden van de bepalingen in dit register.

Onderafdeling 7.2.2. - Registers van materialen die geen afvalstoffen zijn

Art. 7.2.2.1. Dit artikel handelt over het materialenregister dat door de producenten en gebruikers van grondstoffen (bijproducten en materialen waar eindeafvalcriteria op van toepassing zijn) moeten bijhouden.

De Vlaamse minister zal een lijst vastleggen van materialencodes die voor de codering van de verschillende materialen gebruikt wordt. Dit is nodig aangezien de afvalstoffenlijst niet van toepassing is op grondstoffen en omdat het detailniveau van de afvalstoffenlijst veel te groot is. We beogen hier een allesomvattende lijst waarvan het detailniveau beantwoord aan wat nuttig en nodig is. In eerste instantie zullen echter alleen de materialen worden opgenomen waarvoor specifieke Europese of Vlaamse criteria inzake niet-afvalstoffen zijn opgenomen, of waarvoor de OVAM een grondstofverklaring aflevert. In de toekomst kan de lijst uitgebreid worden.

Art. 7.2.2.2. Het bijhouden van materialenregisters in verplicht voor grondstoffenproducenten. Om elk misverstand over het bijhouden van registers ten aanzien van grondstoffen (einde-afvalmaterialen, bijproducten die geen afvalstof zijn, of eventuele andere materialen) te vermijden, is er expliciet opgenomen dat er alleen registers worden bijgehouden voor de materialen die in de materiaalcodelijst zijn opgesomd. De minister zal deze lijst conform artikel 7.2.2.1 vaststellen.

Het uitgaande materialenregister van de grondstoffenproducenten bevat de hoeveelheid, aard, code en toepassingswijze van de geproduceerde materialen. Daarnaast moeten ook de betrokken actoren geïdentificeerd worden aan de hand van o.a. het ondernemingsnummer. Het ondernemingsnummer (idem als BTW-nummer) is bekend bij partners die handel drijven met elkaar en geeft een belangrijke meerwaarde naar lastenverlaging en koppeling met authentieke bronnen.Het materialenregister wordt tenminste elke dag aangevuld met de meest recente informatie.

Grondstoffen die ingezet worden in de inrichting waar ze ontstaan zijn, moeten niet in het register worden opgenomen. Dit betekent bijvoorbeeld dat bedrijven die hun bijproducten zelf weer gebruiken, deze materialen niet in hun uitgaande materialenregister moeten opnemen.

Art. 7.2.2.3. Om elk misverstand over het bijhouden van registers ten aanzien van grondstoffen (einde-afvalmaterialen, bijproducten die geen afvalstof zijn, of eventuele andere materialen) te vermijden, is er expliciet opgenomen dat er alleen registers worden bijgehouden voor de materialen die in de materiaalcodelijst zijn opgesomd.

De minister zal deze lijst, conform artikel 7.2.2.1 vaststellen. Het inkomende materialenregister van de grondstoffengebruikers bevat de hoeveelheid, aard, code en toepassingswijze van de geproduceerde materialen. Daarnaast moeten ook de betrokken actoren geïdentificeerd worden aan de hand van o.a. het ondernemingsnummer. Het ondernemingsnummer (idem als BTW-nummer) is bekend bij partners die handel drijven met elkaar en geeft een belangrijke meerwaarde naar lastenverlaging en koppeling met authentieke bronnen.

Indien grondstoffen geweigerd worden door de grondstoffengebruiker, moet tevens de reden van weigering opgenomen worden in het inkomende materialenregister

Het materialenregister wordt tenminste elke dag aangevuld met de meest recente informatie.

Grondstoffen die ingezet worden in de inrichting waar ze ontstaan zijn, moeten niet in het register worden opgenomen. Dit betekent bijvoorbeeld dat bedrijven die hun bijproducten zelf weer gebruiken, deze materialen niet in hun inkomende materialenregister moeten opnemen.

Art. 7.2.2.4. In eerste instantie wordt het inkomende materialenregister alleen opgelegd aan de producenten van non-ferrometalen. Dit is nodig om een zekere controle te kunnen hebben op welke grondtsoffen worden aangevoerd aangezien voor een groot aantal van deze materialen in hoofdstuk 2 een uitzondering voorzien is, in de zin dat hiervoor geen grondstofverklaring nodig is.

De Vlaamse minister kan bij gemotiveerd besluit de plicht om een inkomend materialenregister bij te houden, uitbreiden of beperken.

Onderafdeling 7.2.3

Art. 7.2.3.1. De diverse afvalstoffenregisters en het materialenregister moeten gedurende ten minste vijf jaar worden bijgehouden en moeten ter inzage liggen op de plaats van exploitatie.

Art. 7.2.3.2. De registers van ingezamelde, verhandeld en vermakelde afvalstoffen, het register van verwerkte afvalstoffen en het materialenregister moet door de registerplichtige op een elektronische drager worden bijgehouden zodat een eenvoudige uitwisseling van registergegevens met de overheid mogelijk is. Het formaat en de technische specificaties van het register en de gegevensuitwisseling wordt opgenomen in een standaardprocedure die de Vlaamse minister zal vaststellen. Bij gebrek aan standaardprocedure zal de gegevensuitwisseling gebeuren via een code van goede praktijk. Dit laatste voert de OVAM uit.

Afdeling 7.3. - Gegevens over afvalstoffenproductie

Onderafdeling 7.3.1. - Bedrijfsafvalstoffen

Art. 7.3.1.1. Dit artikel bepaalt wie moet rapporteren over de informatie in het register van geproduceerde afvalstoffen en het materialenregisters.

Het artikel is in grote mate overgenomen uit 6.3.1.1 van het VLAREA.

In het VLAREA was dit artikel alleen van betrekking op het afvalstoffenregister.

Omdat een deel van de afvalstoffen als grondstof wordt ingedeeld en de gegevens nodig zijn om te kunnen voldoen aan de Europese rapporteerverplichtingen worden in deze paragraaf de materialenregisters toegevoegd.

Het tweede lid werd overgenomen uit artikel 6.3.1.1, § 2, van het VLAREA.

Het derde lid werd overgenomen uit artikel 6.3.1.1, § 3, van het VLAREA.

Art. 7.3.1.2. Dit artikel bepaalt wie verslag moet uitbrengen over afvalstoffen en materialen en wat de verslaggeving inhoudt. Het artikel is in grote mate overgenomen uit 6.3.1.2 van het VLAREA.

In het VLAREA was dit artikel alleen van betrekking op de afvalstoffengegevens. Omdat een deel van de afvalstoffen als grondstof wordt ingedeeld en de gegevens nodig zijn om te kunnen voldoen aan de Europese rapporteerverplichtingen wordt in deze paragraaf de verslaggeving over materialengegevens toegevoegd.

§ 1. Deze paragraaf werd overgenomen uit artikel 6.3.1.2, § 1, van het VLAREA. De verslaggeving over materiaalgegevens werd toegevoegd.

§ 2. Deze paragraaf werd overgenomen uit artikel 6.3.1.2, § 2, van het VLAREA.

§ 3. De verslaggeving heeft ook betrekking op de rapportering over grondstoffen die opgenomen zijn in het materialenregister.

Art. 7.3.1.3. Dit artikel bepaalt de praktische modaliteiten in verband met de verslaggeving uit het vorige artikel.

Dit werd overgenomen uit artikel 6.3.1.3, § 1, van het VLAREA.

Onderafdeling 7.3.2. - Huishoudelijke afvalstoffen

Deze onderafdeling bevat de bepalingen betreffende de verslaggeving over de afvalstoffen die door of in opdracht van de gemeente worden ingezameld. Deze onderafdeling is volledig overgenomen uit VLAREA.

Art. 7.3.2.1 Het eerste lid werd overgenomen uit artikel 6.3.2.1, § 1, van het VLAREA.

Het tweede lid werd overgenomen uit artikel 6.3.2.1, § 2, van het VLAREA.

Art.7.3.2.2. Het eerste lid werd overgenomen uit artikel 6.3.2.2, § 1, van het VLAREA.

Het tweede lid werd overgenomen uit artikel 6.3.2.2, § 2, van het VLAREA.

Het derde lid werd overgenomen uit artikel 6.3.2.2, § 3, van het VLAREA.

Afdeling 7.4. - Gegevens over de verwerking van afvalstoffen

Art. 7.4.1. Dit artikel bepaalt wie verslag moet uitbrengen over de afvalstoffen en grondstoffen die voor verwerking of gebruik worden aangeboden.

De OVAM maakt een selectie op van afvalverwerkers en grondstoffengebruikersdie in een welbepaald jaar verslag moeten uitbrengen. De OVAM publiceert deze selectie op de website voor 31 december voorafgaand aan het jaar waarin men verslag moet uitbrengen. De OVAM publiceert ook de verantwoording van deze selectie.

Art. 7.4.2. Dit artikel bevat de modaliteiten voor de verslaggeving over voor verwerking aangeboden afvalstoffen door verwerkers van afvalstoffen en over voor gebruik aangeboden grondstoffen door grondstoffengebruikers.

Art. 7.4.3. Dit artikel bevat de modaliteiten voor de verslaggeving door afvalstoffenverwerkers, meer specifiek ten aanzien van de ingevoerde afvalstoffen.

HOOFDSTUK 8. - Monsterneming en analyse van afvalstoffen en andere materialen die overeenkomstig hoofdstuk 2 in aanmerking komen voor gebruik als grondstoffen

Afdeling 8.1 - Erkenning van laboratoria

Onderafdeling 8.1.1. - Toepassingsgebied

Art. 8.1.1.1. De wijzigingen in deze onderafdeling brengen meer logica in de volgorde van de juridische bepalingen.

De erkenning voor een laboratorium wordt afgeleverd voor één of meer analysepakketten. De minister bepaalt de analysepakketten en hun inhoud, in casu één of meer parameters. Tekst komt overeen met artikel 7.1.1.2 van het VLAREA.

Het definiëren van de analysepakketten (verzameling van parameters) spruit voort uit de verschillende wetgevingen waarbij afvalstoffen en bodems moeten geanalyseerd worden. De tekst stond reeds in artikel 7.1.1.1 §§ 1 en 2 van het VLAREA. Door de verruiming van het Afvalstoffendecreet naar het Materialendecreet is nog een aanvulling bijgekomen voor de bijproducten, nl; 'andere materialen die overeenkomstig hoofdstuk 2 in aanmerking komen voor gebruik als grondstoffen'.

Afhankelijk van de toepasselijke wetgeving kan de minister bepalen dat de laboratoria een erkenning moeten bezitten voor 1 of meer analysepakketten.

Onderafdeling 8.1.2. - Aanvraagprocedure erkenning en beoordelingsverslag

Art. 8.1.2.1. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 7.1.2.1 van het VLAREA.

Art. 8.1.2.2. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 7.1.2.2 van het VLAREA.

Art. 8.1.2.3. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 7.1.2.2 van het VLAREA.

Art. 8.1.2.4, § 1. Een deel van het administratief dossier doorsturen naar VITO wordt geschrapt want is overbodig. Bij aanvraag voor erkenning, verlenging of uitbreiding gebeurt toch een plaatsbezoek door VITO met controle van de actuele toestand. Rest van het artikel 7.1.2.4 § 1 is letterlijk overgenomen.

§ 2. Het doorsturen van aanvullende gegevens naar VITO wordt geschrapt want is overbodig. Basisgegevens (zie § 1) worden ook niet naar VITO gestuurd. Het is voldoende dat de OVAM het volledige administratieve dossier bezit. De rest van het artikel 7.1.2.4, § 2, van het VLAREA wordt letterlijk overgenomen.

§ 3. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 7.1.2.4, § 3, van het VLAREA.

§ 4. De zinsnede over de aanvullende gegevens (cf. § 2) wordt geschrapt. In het beoordelingsverslag is de bespreking van het opleidingsniveau van het personeel en de laboratoriumuitrusting niet essentieel en wordt geschrapt. Het VITO-beoordelingsverslag bevat het technische luik van de ringtestresultaten en de controle van het kwaliteitssysteem. De rest van het artikel 7.1.2.4, § 4, van het VLAREA wordt letterlijk overgenomen.

Onderafdeling 8.1.3. - Beslissingsprocedure

Art. 8.1.3.1. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 7.1.3.1 van het VLAREA.

Art.8.1.3.2. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 7.1.3.2 van het VLAREA.

Onderafdeling 8.1.4. - Algemene verplichtingen die voortvloeien uit de erkenning

Art. 8.1.4.1. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 7.1.4.1 van het VLAREA.

Art. 8.1.4.2. Hier wordt in punt 3° over 'gelijkwaardigheid van methoden' geschrapt want overbodige regelgeving. Sinds de invoering op 1 juni 2004 is aan een laboratorium geen enkele methode door de OVAM al dan niet gelijkwaardig verklaard. Indien een methode gelijkwaardig is, wordt ze opgenomen in het CMA zodat ze door alle erkende labo's kan toegepast worden.

Art. 8.1.4.3. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 7.1.4.3 van het VLAREA.

Onderafdeling 8.1.5. - Procedure uitbreiding, verlenging en opheffing erkenning

Art. 8.1.5.1. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 7.1.5.1 van het VLAREA.

Art. 8.1.5.2. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 7.1.5.2 van het VLAREA.

Art. 8.1.5.3. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 7.1.5.3 van het VLAREA.

Afdeling 8.2. - Compendium voor Monsterneming en Analyse

Art. 8.2.1. Dit artikel is een letterlijke overname van artikel 8.3.1 van het VLAREA.

HOOFDSTUK 9. - Milieuheffingen en milieubijdragen

De bepalingen inzake de inning en invordering van de milieuheffing zijn opgenomen in hoofdstuk 9. Deze bepalingen betreffen een aantal administratieve en procedurele bepalingen ter uitvoering van de decretale bepalingen inzake milieuheffingen, en zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen ter uitvoering van het vorige decreet.

Afdeling 9.1. - Milieuheffingen

Art. 9.1.1. Artikel 9.1.1 delegeert de bevoegdheid tot het aanduiden van de ambtenaren bedoeld in 49 en 60 van het decreet aan de leidend ambtenaar van de OVAM. Tevens worden een aantal bevoegdheden inzake het uitschrijven van dwangbevelen en het vestigen van hypotheken gedelegeerd aan de leidend ambtenaar van de OVAM of de door hem aangeduide ambtenaar.

Art. 9.1.2. Artikel 9.1.2 bepaalt de termijnen waarbinnen de kwartaal- en voorschotaangiften ingediend en betaald moeten worden.

Art. 9.1.3. Artikel 9.1.3 regelt de beroepsprocedure, de samenstelling van de geschillenadviescommisie bedoeld in artikel 55 van het decreet, en het horen van de OVAM door de geschillenadviescommissie.

HOOFDSTUK 10. - Wijzigingsbepalingen

Deze artikelen brengen een aantal wijzigingen aan in :
* het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
* het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
* het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2005 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake de erkenning en de subsidiëring van kringloopcentra;
* het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, wijzigingen aan de deelformulieren m.b.t. afvalstoffen;
* het besluit van de Vlaamse Regering van 23 januari 2004 betreffende de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die in het Vlaamse Gewest door of op initiatief van lagere besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd;
* het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning;
* het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.

De wijzigingen zijn nodig om foutieve verwijzingen te voorkomen.

Voor wat betreft artikel 10.1.2 moet worden opgemerkt dat artikel 11 van het Materialendecreet een eerste aanzet geeft om via de milieuvergunning aspecten van duurzaam materialenbeheer te introduceren. Op dit ogenblik is nog niet verder bepaald hoe die aanpak in de praktijk kan gerealiseerd worden.

Aangezien het Materialendecreet een verantwoordelijkheid legt bij de OVAM om een duurzaam materialenbeleid verder vorm te geven, lijkt het aangewezen om ook in het kader van de milieuvergunningsaanvragen waarover de OVAM nu reeds een advies verleent, deze adviesbevoegdheid anders in te vullen. Bovendien is de huidige omschrijving in VLAREM I van de adviesbevoegdheid van de OVAM gedeeltelijk achterhaald door de hertekening van de taken van de milieuadministraties sinds de implementatie van BBB.

Door de aangepaste omschrijving van haar adviesbevoegdheid zal de OVAM in de toekomst minder focussen op hinder- en verontreiniging, veroorzaakt door afvalstoffen, maar meer de nadruk leggen op het duurzaam beheer van afvalstoffen en materialen, waarvan de principes en de uitgangspunten zijn vastgelegd in het Materialendecreet. Verontreiniging door afvalstoffen en materialen en hun verwerking maken wel inherent deel uit van een duurzaam beheer, maar zullen in de adviesverlening door de OVAM minder doorslaggevend zijn.

HOOFDSTUK 11. - Overgangsbepalingen

Art. 11.1. De gebruikscertificaten die werden verleend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaamse reglement inzake afvalvoorkoming- en beheer, worden automatisch beschouwd als grondstofverklaringen voor de termijn vastgesteld in het gebruikscertificaat.

Grondstofverklaringen die in het verleden zijn verleend door de minister of de OVAM, in het kader van jurisprudentie en interpretaties van de wetgeving inzake afvalstoffen en niet-afvalstoffen, moeten worden beschouwd als gelijkwaardig aan de grondstofverklaringen die conform dit besluit kunnen of moeten worden uitgevaardigd. Zij bezitten evenwel niet dezelfde vorm van rechtsgeldigheid. Omwille van de rechtszekerheid kunnen houders van grondstoffenverklaringen de OVAM verzoeken hun verklaring te laten omzetten naar een grondstoffenverklaring zoals bedoeld in dit besluit. De reeds beschikbare informatie zal als basis kunnen dienen voor een grondstofverklaring zonder dat een nieuw aanvraagdossier van toepassing is. Anderzijds behoudt de OVAM zich het recht voor om op verzoek of uit eigen beweging, houders van bestaande grondstoffenverklaringen om meer informatie te vragen of om aan te dringen op het indienen van een volledig aanvraagdossier, conform de procedure in dit besluit. Voor houders van grondstofverklaringen is de insteek 'geen nieuws, goed nieuws', dat wil zeggen dat alleen als we de geldigheid van bestaande verklaringen zouden intrekken of herziening wensen, wordt dit aan de betreffende bedrijven gemeld.

Art. 11.2. Alle registraties van vervoerder van afvalstoffen, verleend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaamse reglement inzake afvalvoorkoming- en beheer, blijven geldig en worden automatisch opgenomen in het register van geregistreerde vervoerders.

Art. 11.3. § 1. Alle erkenningen als overbrenger van afvalstoffen, verleend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, worden automatisch beschouwd als registraties van inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars en worden automatisch opgenomen in het register van inzamelaars, geregistreerde afvalstoffenhandelaars en makelaars.

§ 2. Deze paragraaf verfijnd de overgangsregeling voor erkende overbrengers. Alle erkenningen die aflopen binnen een termijn van 18 maanden na inwerkingtreding van het VLAREMA, worden automatisch verlengd tot 18 maanden na de inwerkingtredinng. De reden hiervoor is dat de huidige erkende overbrengers van gevaarlijke afvalstoffen minstens 1 jaar de tijd moeten krijgen om hun kwaliteitsborgingssysteem te ontwikkelen waarna een keuring moet plaatsvinden. Overbrengers van gevaarlijke afvalstoffen waarvan de erkenning binnen het jaar zou vervallen en die dus binnen het jaar een verlenging zouden moeten aanvragen, moeten op het ogenblik van de aanvraag van de verlenging reeds over een keuringsattest beschikken terwijl men bij een nieuwe aanvraag tot registratie 2 jaar de tijd krijgt om zich te laten keuren.

§ 3. Voor het kwaliteitsborgingssysteem, vermeld in artikel 6.1.1.5, geldt een overgangsperiode van 12 maanden vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, zodat de betrokkenen voldoende tijd krijgen om zich hiermee in overeenstemming te stellen.

Art. 11.4. In onderafdeling 5.2.4 worden onder andere de procedure en erkenningstermijn voor de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen gewijzigd. Overgangsbepalingen zijn nodig voor de bestaande erkenningen.

§ 1. De huidige erkenningen gelden voor maximum vijf jaar. Bij wijziging gelden de erkenningen voor onbepaalde duur. In deze overgangsbepaling wordt bepaald dat de erkenningen voor vijf jaar van rechtswege worden verlengd voor onbepaalde duur. De erkenningen verleend voor een kortere termijn dan vijf jaar werden beperkt verleend met een bepaalde motivatie. Deze beperkte termijnen moeten dan ook behouden blijven teneinde de redenen voor beperking te kunnen opvolgen.

§ 2. Het VLAREA legt jaarlijkse opvolgingskeuringen en een initiële keuring bij elke nieuwe aanvraag op die minstens vijfjaarlijks nodig is. Bij wijziging worden jaarlijkse opvolgingskeuringen (met afwijkingsmogelijkheid op aanvraag naar tweejaarlijks) en een initiële keuring bij elke nieuwe aanvraag en na de eerste vijf jaar opgelegd. Erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen die reeds langer dan vijf jaar een erkenning hebben lopen, hebben reeds een extra initiële keuring na de eerste vijf jaar moeten laten uitvoeren. Deze verplichting wordt dan ook uitgezonderd voor deze erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen.

Art. 11.5. In alle wetteksten waarin verwezen wordt naar het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, moet dit gelezen worden als een verwijzing naar dit besluit.

Dit artikel is nodig om foutieve verwijzingen te voorkomen.

HOOFDSTUK 12. - Slotbepalingen

Art. 12.1. Het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2000 houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor pcb-houdende apparaten en de daarin aanwezige pcb's, wordt opgeheven, aangezien het in het nieuwe VLAREA geïntegreerd wordt.

Art. 12.2. Het VLAREA wordt opgeheven.

Art. 12.3. Dit artikel bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit besluit en van het Materialendecreet.

Bijlagen

Hieronder staan alleen de relevante wijzigingen toegelicht.

Bijlage 2.1

Deze bijlage geeft de lijst van afvalstoffen weer.

In vergelijking met het VLAREA is bij EURAL-codes 17 05 05* en 17 05 06 het woord 'baggerspecie' gewijzigd in 'bagger- en ruimingsspecie'.

Bijlage 2.2

Bijlage 2.2 bevat in afdelingen 1 tot en met 4 de lijsten met materialen die overeenkomstig hoofdstuk 2 in aanmerking komen voor gebruik als grondstoffen. In de eerste kolom staan de beoogde grondstoffen. Dit hoeven niet per definitie afvalstoffen te zijn, zoals dit verondersteld werd in het VLAREA. Het kan ook gaan om reststromen die in aanmerking komen om als bijproduct te worden bestempeld. Dit is in lijn met het Materialendecreet.

In de tweede kolom staat de herkomst en een omschrijving van het materiaal.

De derde kolom geeft aan in welk artikel of welke onderafdeling de criteria inzake samenstelling staan. In het VLAREA bevatte deze kolom ook een verwijzing naar de gebruiksvoorwaarden. Voor de duidelijkheid is dat hier weggelaten. Gebruiksvoorwaarden zijn opgenomen in afdeling 5.3 van het dit besluit.

Afdeling 1 ('gebruik als meststof of bodemverbeterend middel') kent de volgende aanpassingen in vergelijking met het VLAREA.

* De opsomming van materialen van dierlijke oorsprong zoals vismeel, diermeel, verenmeel, beendermeel, wol, enz. is vervangen door een verwijzing naar alle toegelaten materialen van dierlijke oorsprong conform de wetgeving dierlijke bijproducten. Dit zijn met name de afgeleide producten zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1069/2009, meer bepaald producten die zijn verkregen door een of meer behandelingen, omzettingen of verwerkingsfasen van dierlijke bijproducten. Elke andere opsomming of verwijzing zou onnodig beperkend zijn. De volledige titel van de Verordening luidt : Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten).

* Een gebruikscertificaat (grondstofverklaring) is niet langer verplicht voor neergeslagen dubbelzout van kaliumsulfaat en calciumsulfaat.

* Een gebruikscertificaat (grondstofverklaring) is niet langer verplicht voor kalkhoudend slib verkregen bij de bereiding van drinkwater of proceswater uit ruw water.

* Voor gedroogde en gemalen anorganische kalkrijke voedingsresten is verduidelijkt dat dit alleen afkomstig kan zijn van eierschalen en de verwerking van schelpen van schelpdieren en schalen van schaaldieren waaruit de weke delen en het vlees verwijderd zijn, anders vallen zij onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1069/2009 inzake dierlijke bijproducten. Een gebruikscertificaat is niet langer verplicht.

* Gesteriliseerd en gedroogd mengsel van zuiveringsslib, dierlijk afval en dierlijke mest als materiaalstroom is weggelaten in deze lijst. Desgevallend moet er een grondstofverklaring aangevraagd worden.

Afdeling 2 ('gebruik als bouwstof') kent de volgende aanpassingen in vergelijking met het VLAREA.

* Gebroken en/of gekalibreerde en/of uitgesorteerde of voorbehandelde slakken of assen zijn niet langer cumulatief onderworpen aan het eenheidsreglement en een grondstofverklaring. Alleen een grondstofverklaring wordt geëist. Idem voor gewassen uitgesorteerd beton- of metselwerkgranulaat.

* Voor granulaten, breker- en zeefzanden en gerecycleerde brokken is de toevoeging 'niet verontreinigd' weggelaten. De toegelaten mate van verontreiniging is immers vastgesteld in de parameterlijsten.

* 'Gegranuleerde niet-teerhoudende bouwmaterialen' werd vervangen door 'gerecycleerde bitumineuze granulaten'.

* De omschrijving 'behandelde grond- en bodemmaterialen' is, identiek aan vroegere versies van het VLAREA, verlaten en vervangen door 'behandeld zand van rioolkolken, zandvangers en veegvuil'. Deze omlijnde definiëring is wenselijk in functie van het bodemdecreet en Vlarebo, aangezien uitgegraven bodem voor gebruik als bodem in aanmerking kan worden genomen als het voldoet aan de bepalingen van Vlarebo. Dit is ook aangehaald in de memorie van toelichting bij artikel 38 van het Materialendecreet. De formulering maakt duidelijk dat uitgegraven bodem alleszins buiten het toepassingsgebied als grondstof voor bouwstoffen valt. Bovendien is een grondstofverklaring verplicht. Een grondstofverklaring biedt immers een extra controlemogelijkheid naar aard, samenstelling en herkomst van het materiaal. Eventuele verkeerde toepassingen kunnen zo worden gedetecteerd.

* Bij 'ruimingsspecie' is de omschrijving van herkomst gewijzigd om aan te sluiten bij de praktijk en de actualiteit. Een verwijzing naar een wettekst werd gewijzigd.

* Materiaal dat bestaat uit 'niet-verontreinigd puin', verkregen bij selectieve bouw-en sloopactiviteiten en bestemd voor toepassingen van minder dan 100 ton, is niet in de lijst opgenomen. Bepalingen hieromtrent staan in artikel 5.3.3.3.

Afdeling 3 ('gebruik als bodem') is op volgende punten aangepast in vergelijking met het VLAREA.

* Aanpassing 'ruimingsspecie', identiek aan de wijziging bij gebruik als bouwstof.

* Voor ruimingsspecie en baggerspecie bestemd voor gebruik als bodem, wordt geen grondstofverklaring meer geëist : de administratieve afhandeling van de dossierlast bleek in het verleden niet op te wegen tegen de garantie die de aflevering van een grondstofverklaring al dan niet met zich meebrengt op het vlak van bescherming van mens en milieu. De betreffende materiaalstromen moeten echter onverminderd aan de respectievelijke voorwaarden opgelegd in hoofdstuk 2 en afdeling 5.3 voldoen.

* Weglating toevoeging 'niet verontreinigd' bij brekerzeefzand en sorteerzeefzand.

* Geen vermelding van behandelde grond- en bodemmaterialen als aparte materiaalstroom.

Desgevallend zal een grondstofverklaring aangevraagd moeten worden.

Afdeling 4 ('gebruik in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas') is de vroegere afdeling 6 van bijlage 4.1 van het VLAREA. Deze afdeling is niet gewijzigd.

Daar waar in bijlage 2.2 het verplichte gebruikscertificaat (of nu : grondstofverklaring) geschrapt werd, is overwogen of er een meerwaarde aan de vraag naar een dergelijke verklaring (met bijhorende administratieve procedure) was. Bij het al dan niet instellen of behouden van een grondstofverklaring spelen de volgende elementen mee :

* Door grondstoffenverklaringen wordt een overzicht van hetgeen gebeurt in een bepaalde sector bekomen. Uiteraard hoeft sectoronderzoek niet niet via administratieve procedures te gebeuren maar kan het ook via andere kanalen.

* De aanvraag maakt een controle op voorhand mogelijk. Het kan ook eisen naar opvolging opleggen, extra analyses, gebruiksvoorwaarden enz. Anderzijds moet controle en toezicht bij voorkeur niet gebeuren op basis van een papieren dossier, maar regelmatig op het terrein en aan de hand van duidelijke voorwaarden in de wetgeving plaatsvinden, ongeacht een grondstofverklaring werd geëist. Een papieren grondstofverklaring kan de illusie opwekken dat toezicht door inspectiediensten op het terrein niet meer nodig is omwille van deze papieren 'controle'.

REACH zal van toepassing worden van zodra iets einde-afval is. Onder REACH zal veel informatie voorhanden moeten zijn, ofwel om een registratie, ofwel om een uitzondering op de registratieplicht te documenteren. Een aantal stromen hebben geen 'primair equivalent', zoals slakken of assen, waardoor een verklaring die illustreert welke voorwaarden voldaan zijn vanuit de afvalsfeer om einde-afval te worden, nuttig is. Beschikbare informatie onder REACH kan behulpzaam zijn om een grondstofverklaring af te leveren, maar deze niet vervangen. REACH neemt geen enkele voorafname op het afvalstoffenstatuut.

Bijlage 2.3.1. Voorwaarden inzake samenstelling en gebruik als meststof of bodemverbeterend middel

Bijlage 2.3.1.A. Samenstellingsvoorwaarden maximum gehalten aan verontreinigende stoffen
In deze bijlage werden alleen redactionele aanpassingen aangebracht,

Bijlage 2.3.1.B. Samenstellingsvoorwaarden maximum gehalten aan verontreinigende stoffen voor grondstoffen met < 2 % droge stof op de verse stof

Dit is een nieuwe bijlage op basis van artikel 2.3.1.1. Bijlage 2.3.1.A bevat alleen maximumgehalten voor de verontreiniging op drogestofbasis. Bepaalde vloeibare stromen (bijv concentraten van omgekeerde osmose, ultrafiltratie, effluenten) bevatten een zeer laag drogestofgehalte (< 2 % ) en dus nauwelijks vaste deeltjes. Het indikken van deze vloeistoffen is tijdrovend en vergt veel inspanningen. Laboratoria analyseren dergelijke stromen als een nat staal en drukken dan resultaten uit per volume-eenheid of op nat materiaal bijv. mg/l of mg/kg verse stof.

Vermits voormelde stromen zeer weinig droge stof bevatten, wordt het moeilijker om betrouwbare meetresultaten te bekomen. De meetfout op de drogestofmeting kan snel oplopen.

Bij een klein verschil in droge stof (bijv. 1 % versus 1,2 %) zal het meetresultaat op drogestofbasis uitvergroot worden. Rekenvoorbeeld
* 5 mg/kg vers materiaal bij 1 % ds stemt overeen met 5 mg/10 g of 500 mg/kg ds
* 5 mg/kg vers materiaal bij 1,2 % ds stemt overeen met 5 mg/12 g of 417 mg/kg ds

De maximum toelaatbare dosis aan verontreinigingen die via meststof/bodemverbeterend middel per ha/jaar mag toegediend worden (zie artikel 5.3.2.1 en vermeld in bijlage 2.3.2.C) blijft ongewijzigd, mag nooit overschreden worden en moet onafhankelijk blijven van het drogestofgehalte in de potentiële secundaire grondstof. Dit is de milieurandvoorwaarde.

De oplossing omvat het volgende, zoals weergegeven in deze bijlage :

* De analyse van de verontreinigingen gebeurt op de vloeistof zonder indikking volgens de methoden in het CMA voor vloeistoffen;

* De resultaten worden uitgedrukt in mg/kg verse stof (nat materiaal).

* Huidig normenkader voor de maximum gehalten aan verontreinigingen in mg/kg ds (bijlage 4.2.1.A van het VLAREA) is gebaseerd op een standaarddosis 2 000 kg droge stof/ha/jaar. De standaarddosis voor de vloeibare stromen 2 % of minder droge stof wordt vastgelegd op 100 000 kg verse stof/ha/jaar. 100 ton verse stof /ha/j wordt als een maximale werkbare vloeistofdosis beschouwd en komt overeen met maximum 2 ton droge stof/ha/j.

* De verhouding 'maximum dosis verse stof' versus 'standaard dosis droge stof' bedraagt 50. Bij dezelfde randvoorwaarde (zie boven) bedragen de maximum gehalten aan verontreinigingen in de verse stof een factor 50 lager dan de huidige normen op droge stof basis. Voor de organische verbindingen worden de waarden uitgedrukt in µg/kg verse stof.

* Voor een vloeistof met 2 % droge stof is het bestaande normenkader op droge stof of het nieuwe berekende kader op verse stof even streng. In de praktijk worden de vloeibare stromen (< 2 % ds) om diverse redenen (nutriëntinhoud, zoutgehalte,...) meestal niet in de dosis van 100 ton/ha/jaar toegediend. Anderzijds wordt in deze vloeibare stromen soms een aanrijking aan bepaalde verontreinigingen vastgesteld boven de nieuwe berekende waarden op de verse stof. De berekende maximumwaarden op verse stof worden als toetsingswaarden gehanteerd. Bij overschrijding van de toetsingswaarde worden de oorzaak en het beoogde gebruik bestudeerd. Indien de verhoogde concentraties inherent zijn aan het productieproces en niet kunnen vermeden worden, kan de valorisatie toch worden toegestaan in specifieke en concrete gebruikswijzen. Bij dosering op de bodem mag echter de randvoorwaarde (zie boven) niet overschreden worden.

Bijlage 2.3.1.C. Voorwaarden voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel, maximum toelaatbare dosering aan verontreinigende stoffen

Deze bijlage is gelijk aan bijlage 4.2.1.B uit het VLAREA.

Voor wat betreft de bijlagen 2.3.1.A, 2.3.1.B en 2.3.1.C, is de VLAREA-norm van 560 ppm voor minerale olie aangepast.

De toetsingswaarden voor minerale olie voor meststoffen, bodemverbeterende middelen worden voortaan tweeledig bepaald : 560 ppm voor C10-C20 en 5600 voor C20-C40. De hogere koolstofketens hebben immers een 10x lagere toxiciteit.

De parameter minerale olie is een methodebepaalde parameter, dit wil zeggen dat de afgesproken analysemethode (verzeping, extractie, zuivering, integratie van de pieken) het meetresultaat zal determineren.

Conform CMA/3/W minerale olie zijn alle koolwaterstoffen (KWS) die niet-verzeepbaar, extraheerbaar met cyclohexaan, niet-adsorbeerbaar aan florisil en chromatografeerbaar zijn, als C10 tot net voor C40 te kenmerken. Hieronder kunnen ook nog KWS van biogene oorsprong zitten.

Bodemverbeterende middelen bevatten meestal organische stoffen van biogene aard, maar door contaminatie ook organische stoffen van petrogene aard.

In bodemverbeterende middelen is het analytisch echter niet mogelijk om de biogene en petrogene koolwaterstoffen te kwantificeren. Wel kan het gaschromatogram GC-patroon wijzen op biogene of petrogene of gemengd biogene-petrogene koolwaterstoffen (KWS).

In het recente monitoringsprogramma bodemverbeterende middelen wordt bij 16/35 stalen de normwaarde 560 ppm overschreden terwijl bij controle van de chromatogrammen slechts bij 3 stalen duidelijke petrogene kenmerken teruggevonden worden en bij nog eens 3 stalen er een onduidelijk patroon wordt gedetecteerd.

De norm van 560 ppm wordt snel overschreden en de toetsingswaarden zijn beter geschikt om probleemstromen op te sporen. In de praktijk worden de toetsingswaarden + het chromatogram gebruikt voor het al dan niet toelaten van bodemverbeterende middelen als secundaire grondstof. Indien de toetsingswaarden worden overschreden en er worden petrogene eigenschappen vastgesteld, wordt het bodemverbeterend middel niet toegelaten als secundaire grondstof.

Concluderend is het hanteren van de normwaarde en toetsingswaarde naast elkaar geen eenduidig kwaliteitskader en wordt dit best opgeheven. In plaats daarvan wordt er een dubbele norm ingevoerd voor minerale olie in functie van de ketenlengte die verband houdt met de toxiciteit van de KWS.

Bijlage 2.3.1.D. Specifieke voorwaarden voor gebruik van behandeld zuiveringsslib als meststof of bodemverbeterend middel

Deze bijlage is overgenomen uit het VLAREA, bijlage 4.2.1.C.

Bijlage 2.3.1.E

In vergelijking met bijlage 4.2.1. D uit het VLAREA werd deze bijlage technisch aangepast om afstemming met Vlarebo en de slibrichtlijn te bekomen.

Bijlage 2.3.2. Voorwaarden inzake samenstelling voor gebruik als bouwstof

De bijlagen onder 2.3.2. werden met minieme aanpassingen overgenomen uit het VLAREA.

Bijlage 2.3.2.A. Voorwaarden voor gebruik als bouwstof

Bijlage 2.3.2.B. Voorwaarden voor -gebruik als niet-vormgegeven bouwstof

Bijlage 2.3.2.C. Immissiegrenswaarden voor bodem

Punt (2) in bijlage 2.3.2.C werd geschrapt en vervangen door een verwijzing naar het CMA.
Voor de bijlagen 2.3.1 en 2.3.2 geldt dat de normering voor extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) is weggelaten.

De praktijk heeft uitgewezen dat EOX als signaalparameter voor de detectie van pcb's, chloorbenzenen en vluchtige organische koolwaterstoffen niet optimaal is aangezien er veel interferentie bij de meetresultaten is. Er zijn veel vals positieve meetwaarden. Andere stoffen dan Cl-houdende KWS geven een positief signaal en geven aanleiding tot overschrijding van normen. De interferenties kunnen niet of zelden geïdentificeerd worden en zijn zelden afkomstig van verhoogde waarden aan pcb's, chloorbenzenen en vluchtige organische koolwaterstoffen.

Vermits EOX zeer veel stoffen kan omvatten met zeer verschillende humaan- en ecotoxicologische eigenschappen, is het vastleggen van veilige bodem- en grondwaterconcentraties niet mogelijk en bijgevolg is geen gefundeerde normonderbouwing mogelijk.

EOX in afvalstoffen is alleen genormeerd voor acceptatie op stortplaatsen van categorie 2 en stortplaatsen voor gevaarlijk afval en bijgevolg zijn er geen normen op stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.

Er is geen norm voor EOX voor gebruik als bodemverbeterend middel, noch in Nederland, Frankrijk en Duitsland, noch in de Europese richtlijn voor het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw. EOX is voor gebruik als bouwstof niet genormeerd in Duitsland en Frankrijk. In Nederland wordt EOX gebruikt als trigger voor verder onderzoek. EOX is niet genormeerd in het VLAREBO als bodemsaneringsnorm of als norm voor gebruik van uitgegraven bodem als bodem.

Voormelde argumenten leiden tot het besluit om EOX als genormeerde parameter te schrappen in de gebruiksgebieden meststoffen, bodemverbeterende middelen en bouwstoffen. Aangezien dezelfde problematiek zich stelt in het kader voor het bouwkundig bodemgebruik van uitgegraven bodem wordt EOX ook geschrapt uit de tabel van bijlage VI van het VLAREBO (artikel 10.5.2).

Bijlage 2.3.4. Voorwaarden voor gebruik in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas

De bijlagen onder 2.3.4. werden met minieme aanpassingen overgenomen uit het VLAREA.

Bijlage 2.3.4.A. Voorwaarden voor de afdichtingslaag

Bijlage 2.3.4.B. Voorwaarden voor gebruik in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas

Bijlage 2.3.4.C. Voorwaarden voor gebruik van kunstmatige afdichtingslagen met waterglas

Bijlage 2.3.5. Metallurgisch productieproces voor non-ferrometalen

Bijlage 2.3.6. Metallurgisch productieproces voor ferrometalen

Bijlage 3.4.6. Afgewerkte olie die onder het toepassingsgebied valt van de aanvaardingsplicht

Deze bijlage is een voortzetting van het beleid inzake afgewerkte olie, zoals vastgelegd in het VLAREA. Een toevoeging betreft de laatste paragraaf. In sommige gevallen wordt voor de afgifte van oliehoudende afvalstoffen, omwille van andere internationale wetgeving, reeds een bijdrage betaald. Om een dubbele betaling te vermijden worden deze afvalstoffen nu uitgesloten van de aanvaardingsplicht.

Bijlage 5.2.3. Medische afvalstoffen

De bijlagen over medische afvalstoffen zijn overgenomen uit het VLAREA.

Bijlage 5.2.3.A. Lijst van het medische afval

Bijlage 5.2.3.B. Logo risicohoudend medisch afval.

Bijlage 5.2.4. Certificaat van vernietiging

Deze bijlage is aangepast zodanig dat het een opsomming geeft van de elementen die op een certificaat van vernietiging moet staan, zonder een suggestie van vormgeving.

Bijlage 5.2.10.A. Aanmeldingsformulier voor scheepsafval en ladingsresiduen.

Deze bijlage is overgenomen uit het VLAREA. Het format van het formulier is aangepast aan de richtlijnen van de Vlaamse overheid.

Bijlage 5.2.10.B. Berekeningswijze bijdrage kostendekkingssysteem.

Deze bijlage is overgenomen uit het VLAREA.

Bijlage 11.1. Lijst van milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2,1° ; f) en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

Deze bijlage behoort bij artikel 11.1.15.

Nota
(1) VERORDENING (EU) Nr. 333/2011 VAN DE RAAD van 31 maart 2011 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer bepaalde soorten metaalschroot niet langer als afval worden aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad.

(... - ...)

ADVIES 50.540/3 VAN 10 JANUARI 2012 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE

De Raad van State, afdeling Wetgeving, derde kamer, op 15 december 2011 door de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur verzocht haar, binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 23 januari 2012, van advies te dienen over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering « tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen », heeft het volgende advies gegeven :

1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich beperkt tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.

Gelet op de aard en de omvang van het ontwerp heeft de Raad van State binnen de tijd die hem voor zijn advies is gelaten en tijdens welke ook over tal van andere ontwerpen aan een termijn gebonden advies dient te worden verleend, zelfs dat beperkte onderzoek niet grondig en volledig kunnen verrichten. Noodgedwongen heeft hij zich moeten beperken tot de meest in het oog springende problemen.

STRAKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP

2. Met het decreet van 23 december 2011 « betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen » is een kader gecreëerd voor de omzetting van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 « betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aatal richtlijnen », alsook een basis voor het vormgeven van een beleid gericht op het duurzaam beheer van materiaalkringlopen.

Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering strekt tot uitvoering van het decreet van 23 december 2011 en tot verdere omzetting in het interne recht van de voornoemde richtlijn 2008/98/EG en acht andere richtlijnen (1). Het ontwerp is bedoeld om in de plaats te komen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2000 « houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor PCB-houdende apparaten en de daarin aanwezige PCB's' en van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 « tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en beheer », die bij het te nemen besluit worden opgeheven. Daarnaast worden ook verscheidene besluiten van de Vlaamse Regering gewijzigd om deze af te stemmen op het decreet van 23 december 2011 en het te nemen besluit.

3.1. Het ontworpen besluit vindt in het algemeen rechtsgrond in de meeste artikelen van het decreet van 23 december 2011 die worden opgesomd in het derde lid van de aanhef.

3.2. Voor een aantal bepalingen moet echter worden opgemerkt dat er ofwel geen rechtsgrond is, ofwel die bepalingen niet in overeenstemming zijn met het voornoemde decreet van 23 december 2011, ofwel de rechtsgrond wordt geboden door een andere bepaling van dat decreet dan die welke wordt vermeld, ofwel de rechtsgrond wordt geboden door een ander decreet.

3.2.1. Luidens artikel 2.4.2.3., § 4, van het ontwerp zal, als de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) optreedt als aanvrager van een grondstofverklaring, in afwijking van paragraad 2 van dit artikel, de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu en waterbeleid (hierna : de minister), de grondstofverklaring verlenen of weigeren, met inachtneming van een termijn van 45 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag.

Aangezien in artikel 40, tweede lid, van het decreet van 23 december 2011 wordt bepaald dat « OVAM beslist over de aanvragen voor het afleveren van een grondstofverklaring », komt het de Vlaamse Regering niet toe om in een afwijkende regeling hiervoor te voorzien. Hoe begrijpelijk de ontworpen bepaling ook moge voorkomen, er is daarvoor geen rechtsgrond.

3.2.2. In onderafdeling 5.2.4. met als opschrift « Afgedankte voertuigen » wordt bepaald dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die afgedankte voertuigen depollueert of moet depollueren overeenkomstig artikel 5.2.2.6.4., § 2, van titel II van het Vlarem, erkend moet zijn.

Het decreet van 23 december 2011 bevat geen machtiging aan de Vlaamse Regering om hiervoor in een erkenningsregeling te voorzien. Er lijkt dan ook geen rechtsgrond te zijn om in de voornoemde erkenningsregeling te voorzien.

3.2.3. In artikel 9.1.1., § 1, tweede lid, van het ontwerp worden de door de leidend ambtenaar van de OVAM aangewezen ambtenaren gemachtigd om onder meer de administratieve geldboete kwijt te schelden of te verminderen en uitstel van betaling te verlenen. De rechtsgrond hiervoor wordt geboden respectievelijk door de artikelen 61, eerste lid, en 62 van het decreet van 23 december 2011.

Bij artikel 9.1.1., § 2, eerste lid, 2°, van het ontwerp wordt de leidend ambtenaar van de OVAM gemachtigd te verzoeken om een hypothecaire inschrijving als bedoeld in artikel 64 van het decreet van 23 december 2011. De rechtsgrond hiervoor wordt geboden door artikel 64, vierde lid, van hetzelfde decreet.

3.2.4. Bij artikel 10.3.1 van het ontwerp wordt artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 januari 2004 « betreffende de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die in het Vlaamse Gewest door of op initiatief van lagere besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd », gewijzigd. De rechtsgrond hiervoor wordt geboden door artikel 15, eerste lid, 2°, van het decreet van 23 december 2011.

3.2.5. Bij artikel 12.3 van het ontwerp worden de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 in werking gesteld. De rechtsgrond hiervoor wordt geboden door artikel 86 van hetzelfde decreet.

3.2.6. Bij de artikelen 10.1.1., 10.1.2. en 10.1.2. (lees : 10.1.3.) (2) van het ontwerp worden, respectievelijk de artikelen 1, 21 en 43ter van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 « houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning » gewijzigd (hierna : Vlarem I). De rechtsgrond hiervoor wordt geboden door de artikelen 3, tweede lid, en 12, § 1, eerste lid, en 20, eerste lid, van het decreet van 28 juni 1985 « betreffende de milieuvergunning ».

De artikelen 10.1.3. tot 10.1.10 van het ontwerp voorzien in de wijziging van verscheidene rubrieken in bijlage 1 bij Vlarem I. De rechtsgrond hiervoor wordt geboden door artikel 3 van het voornoemde decreet van 28 juni 1985.

Bij de artikelen 10.2.1. tot 10.2.12. van het ontwerp worden verscheidene artikelen en bijlagen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 « houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne » gewijzigd. De rechtsgrond hiervoor wordt geboden door artikel 20, eerste lid, van het voornoemde decreet van 28 juni 1985.

3.2.7. Bij de artikelen 10.5.1. en 10.5.2. van het ontwerp wordt voorzien in de wijziging van de artikelen 161, § 2, 5°, en 168, §§ 2, 3°, en 3, 2°, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 « houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming », alsmede van bijlage VI bij dat besluit. De rechtsgrond hiervoor wordt geboden door artikel 138, § 1, van het decreet van 27 oktober 2006 « betreffende de bodemsanering en de bodembescherming ».

3.2.8. Bij de artikelen 10.6.1. tot 10.6.15. worden verscheidene artikelen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 « tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid » en bijlage VIII bij dit besluit gewijzigd. De rechtsgrond hiervoor wordt geboden door de artikelen 16.1.2., 16.3.1., § 1, 1°, 16.3.9., § 2, eerste lid, en 16.4.6. van het decreet van 5 april 1995 « houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ».

ALGEMENE OPMERKINGEN

4. In enkele bepalingen van het ontwerp worden aan de minister opdrachten van verordenende bevoegdheid verleend die niet kunnen worden geacht betrekking te hebben op aangelegenheden van bijkomstige aard. Zij betreffen integendeel essentiële aspecten van de ontworpen regeling, die in het ontworpen besluit zelfs zouden moeten worden opgenomen. Bij wijze van voorbeeld kan worden verwezen naar de artikelen 4.4.4. en 5.1.4.

Luidens artikel 4.4.4. wordt groenafval na inzameling en op- en overslag op een daartoe vergunde inrichting integraal afgevoerd naar een daartoe vergunde inrichting voor nuttige toepassing en wordt de minister gemachtigd om hiervoor nadere regels vast te stellen. Uit het verslag aan de Vlaamse Regering blijkt dat de aan de betrokken minister verleende opdracht verder reikt dan het nemen van detailmaatregelen of van uitvoeringsmaatregelen van bijkomende aard.

In artikel 5.1.4. wordt bepaald dat de gemeente het bedrag en de voorwaarden van de bijdrage in de kosten van het beheer van huishudelijk afval te goeder trouw berekent en rekening houdt met de minima en maxima, vastgesteld door de minister. Nu de gemeenten deze bijdragen innen onder de vorm van belastingen of retributies, lijkt deze delegatie niet van bijkomstige aard en dienen de minima en maxima te worden vastgesteld bij besluit van de Vlaamse Regering.

5. In een aantal bepalingen wordt verwezen naar richtlijnen, en niet naar de interne voorschriften die de betrokken bepalingen hebben omgezet. Bij wijze van voorbeeld kan worden verwezen naar de artikelen 1.2.1., § 3, 7°, 4.1.3. en bijlage 2.1 (3).

Er dient met betrekking tot die bepalingen te worden opgemerkt dat de techniek van « regeling door verwijzing » naar voorschriften van richtlijnen om wetgevingstechnische redenen ontoelaatbaar is. Uit de kenmerken van een EU-richtlijn volgt immers dat in principe niet de richtlijn zelf, maar de voorschriften van intern recht die de bepalingen ervan in de interne rechtsorde omzetten, in die rechtsorde van toepassing zullen zijn.

Bijgevolg dient de verwijzing naar een richtlijn te worden vervangen door een verwijzing naar de internrechtelijke voorschriften waarmee die richtlijn in het interne recht werd omgezet. Mocht die richtlijn nog niet volledig zijn omgezet, dan dienen de bedoelde voorschriften ervan in het ontwerp zelf te worden omgezet.

BIJZONDERE OPMERKINGEN

Aanhef

6. De aanhef dient te worden aangepast gelet op hetgeen werd opgemerkt omtrent de rechtsgrond voor het ontworpen besluit.

Artikel 2.2.7.

7. Luidens artikel 2.2.7., § 1, is in de erin bedoelde gevallen geen grondstofverklaring vereist als er voor materialen die als beoogde grondstoffen op de markt worden gebracht, Europees vastgestelde voorwaarden en criteria gelden.

Gevraagd wat precies bedoeld wordt met « Europees vastgestelde voorwaarden en criteria », heeft de gemachtigde het volgende verklaard :
« De verwijzing naar de Europees vastgestelde voorwaarden en criteria zijn voorwaarden en criteria zoals vastgelegd in een verordening, bijvoorbeeld de Verordening 333/2011 van de Raad van 31 maart 2011 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer bepaalde soorten metaalschroot niet langer als afval worden aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad.

Voorwaarden of criteria die eventueel in een richtlijn worden opgenomen, zullen eerst in de Vlaamse wetgeving moeten geïmplementeerd worden voordat ze kunnen afgedwongen worden. Vanaf het moment dat ze in de Vlaamse wetgeving staan en van kracht zijn, vervalt eventueel de noodzaak voor een grondstofverklaring. »

Omwille van de rechtszekerheid dient te worden gepreciseerd dat er geen grondstofverklaring is vereist als er voor materialen die als beoogde grondstoffen op de markt worden gebracht « rechtstreeks toepasselijke » Europees vastgestelde voorwaarden en criteria gelden.

Deze opmerking kan, mutatis mutandis, worden herhaald voor artikel 2.2.7., § 2.

Artikel 2.3.2.1.

8. Artikel 2.3.2.1., § 1, 5°, luidt als volgt :
« Rekening houdend met de geldende voorwaarden voor werken of bouwstoffen moeten de volgende criteria voor de samenstelling minimaal zijn vervuld om de materialen, vermeld in bijlage 2.2., afdeling 2, te beschouwen als grondstoffen die bestemd zijn voor gebruik als bouwstof :
(...)
5° het berekende totaalgehalte aan asbestvezels bedraagt maximaal 100mg/kg droge stof. »
De Raad van State wenst de stellers van het ontwerp erop te wijzen dat met die bepaling geen afbreuk kan worden gedaan aan de voorschriften inzake het op de markt brengen en het gebruik van asbestvezels zoals bepaald in bijlage XVII, punt 6, van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 (4).

Artikel 3.4.11.1.

9. Bij artikel 3.4.11.1. wordt de leidinggevende ambtenaar van OVAM gemachtigd om verpakte verbruiksgoederen aan te wijzen als goederen die vaak voorkomen in zwerfvuil.
Gelet op de gevolgen die deze aanwijzing met zich meebrengt (5), lijkt het voorwerp van deze delegatie niet louter van technische aard te zijn, zodat zij minstens aan de minister dient te worden toegekend.

Artikelen 4.4.1. en 4.5.1.

10. In artikel 4.4.1., eerste lid, van het ontwerp worden de verwijderingshandelingen voor afvalstoffen opgesomd waarvan de toepassing verboden is. Luidens artikel 4.4.1., tweede lid, zijn die verbodsbepalingen ook van toepassing op afvalstoffen die in het Vlaamse Gewest zijn geproduceerd en die worden verwijderd buiten het Vlaamse Gewest.

Gevraagd om nadere toelichting bij deze laatste bepaling, heeft de gemachtigde het volgende geantwoord :
« Het uitrijden van materiaal op land, zonder aanduiding of controle van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbouwkundige meerwaarde, is een vorm van verwijderen die niet aansluit bij de milieuhygiënisch en landbouwkundig gewenste praktijk. De toepassing van materialen als bodemverbeterend middel of meststof zonder dat aan de criteria uit hoofdstuk 2 inzake bepaalde materiaalstromen wordt voldaan, is niet mogelijk.

Verbranding op zee is verboden op grond van EU-wetgeving en internationale verdragen en overeenkomsten.

Tot slot kan ter verduidelijking worden toegelicht dat injectie in de diepe ondergrond (« D3-handeling ») in technisch opzicht verschilt van « storten ». Deze D-handeling is sinds 1997 verboden. « Storten » in zoutmijnen blijft wel mogelijk, zowel als D- dan als (in sommige gevallen) R-handeling, tenzij er een stortverbod is uitgeaardigd. Het verbod handelt dus niet over ondergronds storten, waarvoor overigens in het VLAREM voorwaarden werden opgenomen.

Deze verbodsbepalingen gelden voor afvalstoffen die in Vlaanderen ontstaan en waarvoor de intentie bestaat ze buiten het Vlaamse Gewest op dergelijke wijze te verwerken. Indien de overheid vanuit een materiaalbeleidsoogpunt beslist dat een bepaalde afvalstof moet worden gerecycleerd in plaats van verbrand of gestort, is het niet aanvaardbaar dat zo 'n beleidsbeslissing eenvoudig kan worden ondergraven door die afvalstoffen te laten verbranden (of storten) in een ander land of een ander gewest. »

De Raad van State dient de stellers van het ontwerp erop te wijzen dat omwille van de territoriale begrenzing van de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest, niet kan worden bepaald dat deze verbodsbepalingen ook van toepassing zijn op afvalstoffen die in het Vlaamse Gewest zijn geproduceerd en die worden verwijderd buiten het Vlaamse Gewest. Een dergelijk verbod kan immers alleen opgelegd worden binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest.

Artikel 5.2.2.4.

11. In artikel 5.2.2.4., § 1, tweede lid, en § 3, derde lid, van het ontwerp dient te worden verwezen naar artikel 5.2.3.3., 3°, b), in plaats van naar artikel 5.2.3.4., § 1, 3°, b).

Artikel 5.2.3.1.

12. In artikel 5.2.3.1., § 2, laatste lid, van het ontwerp dient te worden verwezen naar artikel 4.3.2. in plaats van naar artikel 5.2.2.1.

Artikel 6.1.4.1.

13. Luidens artikel 6.1.4.1. worden vervoerders van afvalstoffen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of in het Waalse Gewest zijn geregistreerd of erkend, beschouwd als geregistreerde vervoerders van afvalstoffen.

Door de gelijkstelling te beperken tot vervoerders van afvalstoffen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of in het Waalse Gewest zijn geregistreerd of erkend, is deze bepaling strijdig met vrij verkeer van diensten, zoals vervat in de artikelen 56 en volgende van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Volgens die bepalingen zijn beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Europese Unie verboden ten aanzien van de onderdanen van lidstaten die zijn gevestigd in een andere lidstaat dan die waarin degene is gevestigd ten behoeven van wie de dienst wordt verricht.

Aangezien volgens de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna : EER) bovendien ook drie EER-landen, namelijk IJsland, Liechtenstein en Noorwegen, onder de interne markt vallen, dient bijgevolg te worden gerefereerd aan de vervoerders van afvalstoffen die zijn geregistreerd of erkend in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Waalse Gewest of een andere staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte.

Artikel 7.2.1.4.

14. In artikel 7.2.1.4., eerste lid, van het ontwerp wordt bepaald dat de verwerker van afvalstoffen een register dient bij te houden van de door hem verwerkte afvalstoffen en worden de in dit register te vermelden gegevens opgesomd. Met deze bepaling wordt uitvoering gegeven aan artikel 6, § 1, eerste lid, van het decreet van 23 december 2011.

Luidens artikel 7.2.1.4., derde lid, van het ontwerp kan in de milieuvergunning, verleend overeenkomstig de bepalingen van het milieuvergunningendecreet, van artikel 7.2.1.4. worden afgeweken.

Volgens artikel 6, § 1, eerste lid, derde zin, van het decreet van 23 december 2011 kan de Vlaamse Regering groepen van natuurlijke personen en rechtspersonen van die plicht (het houden van een afvalstoffenregister) ontslaan. Gevraagd of het wel mogelijk is om van de verplichting tot het bijhouden van een register af te wijken via de milieuvergunning, heeft de gemachtigde het volgende geantwoord :
« In artikel 6, § 1, van het Materialendecreet is bepaald dat de Vlaamse Regering bepaalde groepen van natuurlijke personen en rechtspersonen van de registerplicht kan ontslaan. »

Die uitleg overtuigt niet. De delegatie van bevoegdheid bedoeld in artikel 6, § 1, eerste lid, derde zin, van het decreet van 23 december 2011 moet zo worden begrepen dat enkel bij reglementair besluit op algemene wijze bepaalde groepen van natuurlijke personen en rechtspersonen van de registratieplicht kunnen worden ontheven. Zij houdt niet in dat bij een individueel besluit vrijstelling hiervan kan worden verleend, en nog minder dat de Vlaamse Regering de vergunningsverlenende overheden zou kunnen machtigen om een vrijstelling te verlenen.

Artikel 7.2.2.4.

15. In artikel 7.2.2.4., tweede lid, dient te worden verwezen naar artikel 7.2.2.3., eerste lid, in plaats van naar artikel 7.2.2.4., § 1. Ook de toevoeging van het woord « Vlaamse » kan worden weggelaten, gelet op de definitie van de term « minister » in artikel 1.2.1., § 2, 57°, van het ontwerp.

Onderafdeling 7.3.1. en afdeling 7.4.

16. Luidens artikel 7.3.1.1. maakt OVAM jaarlijks op basis van statistische criteria een selectie van afvalstoffenproducenten van bedrijfsafvaltoffen en van grondstoffenproducenten, om gegevens te verzamelen over de productie van bedrijfsafvalstoffen en grondstoffen. In artikel 7.4.1., eerste lid, wordt bepaald dat OVAM jaarlijks een gemotiveerde selectie maakt van Vlaamse afvalstoffenverwerkers en grondstoffengebruikers en van de afvalstoffen en grondstoffen maakt waarover dezen moeten rapporteren, om gegevens te verzamelen over de verwerking van afvalstoffen en het gebruik van grondstoffen in het Vlaamse Gewest.

Deze ontworpen regelingen lijken ervan uit te gaan dat het decreet van 23 december 2011 een steekproefmethode toelaat. De vraag rijst of dat wel in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6 van het decreet van 23 december 2011, op grond waarvan de beheerders bepaalde informatie moeten doorgeven aan OVAM.

Volgens de gemachtigde is de regeling verantwoord op grond van artikel 6, §§ 1 en 3, van het decreet van 23 december 2011.

Dat kan echter worden betwijfeld, aangezien het voornoemde artikel 6, §§ 1 en 3, veeleer een selectie van de te verstrekken gegevens lijkt te beogen en niet een selectie van de beheerders.

Artikel 8.1.2.2.

17. Luidens artikel 8.1.2.2. van het ontwerp moet een aanvraag tot erkenning van een laboratorium aangetekend aan OVAM worden verstuurd en dienen de bij die aanvraag te voegen gegevens en documenten in het Nederlands te zijn opgesteld.

De in artikel 8.1.2.2. vervatte verplichting dat de bij die aanvraag te voegen gegevens en documenten in het Nederlands moeten zijn opgesteld, komt neer op een regeling van het gebruik der talen in bestuurszaken. Artikel 129, § 1, 1°, van de Grondwet bepaalt echter dat de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is om bij decreet het gebruik der talen in bestuurszaken te regelen in het Nederlandse taalgebied (6). De ontworpen bepaling dient bijgevolg uit het voorliggende ontwerp, dat betrekking heeft op een gewestaangelegenheid, te worden weggelaten. De gemeenrechtelijke regeling zal dus gelden.

Artikel 9.1.2.

18. In artikel 9.1.2., § 1, eerste lid, dient te worden verwezen naar artikel 50 van het decreet van 23 december 2011 in plaats van naar artikel 44 van dat decreet.

Artikel 12.3.

19. Artikel 12.3. van het ontwerp luidt als volgt :
« Het decreet van ... betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, met uitzondering van artikel 7 en artikel 84, en dit besluit treden in werking op... ».

Bij artikel 86 van het decreet van 23 december 2011 wordt echter bepaald dat dit decreet in werking treedt op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum, met uitzondering van afdeling 2 (7) van hoofdstuk 5, die in werking treedt op 1 januari 2012. Bijgevolg dient artikel 12.3. in die zin te worden herschreven dat de reeds in werking gestelde artikelen van het decreet van 23 december 2011 uit het toepassingsgebied van artikel 12.3. worden weggelaten.

Bijlage 10.6

20.1. In deze bijlage wordt de lijst van de wettelijke verplichtingen bepaald waarvoor het verzuim om eraan te voldoen of er gevolg aan te geven, als een milieu-inbreuk wordt beschouwd.

20.2. Wat betreft de wettelijke verplichting vervat in artikel 3.3.1., eerste lid, is het niet duidelijk door wie de inbreuk kan worden gepleegd.

Hierover om toelichting gevraagd, heeft de gemachtigde het volgende geantwoord :
« De overtreding bestaat uit het niet indienen - voor goedkeuring - van een collectief plan door de producenten die gevat worden door de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onder de vorm van een collectief plan. De overtreding wordt begaan door de individuele producenten die niet toetreden tot een ingediend of goedgekeurd collectief plan. »

Het verdient aanbeveling de tekst op dit punt te preciseren.

20.3. In de wettelijke verplichting bij artikel 3.4.1.5. dient te worden verwezen naar artikel 1.2.1., § 2, 21°, in plaats van naar 1.2.1., § 7, 1°.

20.4. In de bijlage wordt onder meer verwezen naar de verplichting vervat in artikel 3.4.8.4. Het dispositief van het te nemen besluit bevat echter geen artikel 3.4.8.4. Ofwel dient de verwijzing te worden weggelaten, ofwel dient naar een andere bepaling te worden verwezen.

20.5. Bij de artikelen 3.4.10.1., 3.4.10.3., 3.4.11.1., eerste lid, 3.4.12.1., eerste lid, en 3.4.13.1., eerste lid, van het ontworpen besluit worden verplichtingen opgelegd die dienen te zijn vervuld tegen 1 januari 2012. Een aantal van deze verplichtingen zijn reeds opgenomen in het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 « tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer », en de overtreding ervan wordt reeds als een milieu-inbreuk beschouwd op grond van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 « tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ». Voor andere verplichtingen is dit echter niet het geval.

Gevraagd of bepaalde gedragingen aldus niet retroactief als een inbreuk worden aangemerkt, heeft de gemachtigde het volgende geantwoord :
« Artikel 3.4.10.1 en artikel 3.4.10.3 van het VLAREMA komen in grote lijnen overeen met de artikelen 5.5.23.2, 5.5.23.4 en 5.5.23.5 van het VLAREA. De overeenkomstige milieu-inbreuken zijn opgenomen in artikel 5.5.23.2 en 5.5.23.5 van bijlage VIII van het milieuhandhavingsbesluit van 12 december 2008 (MHB).

Artikel 3.4.11.1, eerste lid, komt overeen met artikel 5.5.10 van het VLAREA, en overeenkomstig artikel ... in bijlage VIII van het MHB.

Artikel 3.4.12.1., eerste lid, komt overeen met artikel 5.5.2.3.10 van het VLAREA, maar er is (tot mijn verwondering) geen overeenkomstig artikel in bijlage VIII van het MHB.

Artikel 3.4.13.1., eerste lid, komt overeen met artikel 5.9. van het VLAREA, en ook hiervoor is er geen overeenkomstig artikel in bijlage VIII van het MHB.

De data voor indiening van de collectieve plannen zijn wel aangepast/geactualiseerd t.o.v. het VLAREA, en moeten volgens mij nogmaals aangepast worden omdat het VLAREMA op 1 januari 2012 nog niet in werking getreden is. »

De tekst van de bijlage dient aangepast te worden, opdat geen nieuwe strafbaarstellingen met terugwerkende kracht worden ingevoerd.

20.6. In de omschrijving van de verplichting vervat in artikel 6.1.1.6., § 2, tweede en derde lid, van het ontworpen besluit wordt afgeweken van de daarmee overeenstemmende tekst in het dispositief van het te nemen besluit. Het dispositief en de bijlage dienen op elkaar te worden afgestemd.

20.7. De verplichting die bij artikel 7.4.2. wordt vermeld, is die welke in het dispositief van het te nemen besluit is vastgesteld bij artikel 7.4.3. Er dient dan ook te worden verwezen naar artikel 7.4.3. in plaats van naar artikel 7.4.2.

De kamer was samengesteld uit :
de Heren :
P. Lemmens, kamervoorzitter.
J. Smets; B. Seutin, staatsraden.
Mevr. G. Verberckmoes, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door Mevr. K. Bams, auditeur.
De Griffier,
G. Verberckmoes.
De Voorzitter,
P. Lemmens.
_______
Nota's
(1) Meer bepaald :
1° Richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 « betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw ».
2° Richtlijn 93/3/EEG van de Commissie van 5 februari 1993 « tot wijziging van richtlijn 66/403/EEG betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen ».
3° Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 « betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's).
4° Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 « betreffende autowrakken ».
5° Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 « betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen ».
6° Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 « betreffende de verbranding van afval ».
7° Richtlijn 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 « betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur ».
8° Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 « inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG ».
(2) Het ontwerp bevat twee artikelen 10.1.2. Het tweede artikel 10.1.2. dient te worden vernummerd tot 10.1.3. en ook de daarop volgende artikelen van afdeling 10.1. van hoofdstuk 10 dienen te worden vernummerd.
(3) Zie de inleiding van bijlage 2.1. waarin een definitie wordt gegeven van het begrip « gevaarlijke stof ».
(4) Verordering (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 « inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie ».
(5) Luidens artikel 3.4.11.1. wordt voor verpakte verbruiksgoederen die door de leidinggevende ambtenaar van de OVAM worden aangeduid als goederen die vaak terug te vinden zijn in het zwerfvuil de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door de verplichting voor de betrokken producenten om te beschikken over een collectief plan als vermeld in afdeling 3.3., dat de betrokken producenten moeten opstellen tegen 1 januari 2012.
(6) Met uitzondering van de gemeenten, diensten en instellingen bedoeld in artikel 129, § 2, van de Grondwet.
(7) Dit zijn de artikelen 44 tot 65 van het decreet van 23 december 2011.

(... - ...)

De Vlaamse Regering,

Gelet op het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, ondertekend in Straatsburg op 9 september 1996;

Gelet op verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, artikel 3, tweede lid, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, artikel 12, § 1, eerste lid, en artikel 20, eerste lid, gewijzigd bij het decreet van 6 februari 2004;

Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 3.5.3, ingevoegd bij het decreet van 6 februari 2004, artikel 16.1.2, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, artikel 16.3.1, § 1, 1°, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, artikel 16.3.9, § 2, eerste lid, en artikel 16.4.6, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007;

Gelet op het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en bodembescherming, artikel 138, § 1;

Gelet op het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, artikel 3, 4°, 5°, 9°, 23° en 26°, artikel 5, 6, 7, 9, 13, 14, 15, eerste lid, 2°, artikel 19, § 1 en § 3, artikel 20, 21, 22, 23, 26, 30, 32, 35, 39, § 2 en § 3, artikel 40, 41, 43, 49, 50, 55, 57, 60, 61, eerste lid, artikel 62, 63, 64, vierde lid, en artikel 86;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende milieuvergunning;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2000 houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor pcb-houdende apparaten en de daarin aanwezige pcb's;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 23 januari 2004 betreffende de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die in het Vlaamse Gewest door of op initiatief van lagere besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2005 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake de erkenning en de subsidiëring van kringloopcentra;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 14 juli 2011;

Gelet op advies nr. 50.540/3 van de Raad van State, gegeven op 23 januari 2012, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. Algemene Bepalingen

Afdeling 1.1. Inleidende bepalingen

Artikel 1.1.1. (08/04/2024- ...)

Dit besluit voorziet in de omzetting van de volgende richtlijnen :
1° richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw;
2° richtlijn 93/3/EEG van de Commissie van 5 februari 1993 tot wijziging van richtlijn 66/403/EEG betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen;
3° richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (pcb's / pct's);
4° richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken;
5° richtlijn (EU) 2019/883 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen, tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU en tot intrekking van Richtlijn 2000/59/EG;
6° richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval;
7° richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, (AEEA);
8° richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's en tot intrekking van richtlijn 91/157/EEG;
9° richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen;
10° richtlijn 2013/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's, wat het op de markt brengen van cadmiumhoudende draagbare batterijen en accu's voor gebruik in draadloos elektrisch gereedschap en van knoopcellen met een laag kwikgehalte betreft, en houdende intrekking van Beschikking 2009/603/EG van de Commissie;
11° richtlijn 2015/1127 van de Commissie van 10 juli 2015 tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen;
12° richtlijn (EU) 2015/2087 van de Commissie van 18 november 2015 houdende wijziging van bijlage II van Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen;
13° richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen;
14° richtlijn (EU) 2015/720 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende de vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen;
15° Richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu.

Dit besluit voorziet in de omzetting van het besluit van de Commissie van 18 december 2014 tot wijziging van Beschikking 2000/532/EG betreffende de lijst van afvalstoffen overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad.

Afdeling 1.2. Definities

Artikel 1.2.1. (08/04/2024- ...)

§1. De begrippen en definities, vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, zijn van toepassing op dit besluit.

§2. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° afgedankte EEA : EEA die afvalstoffen vormen in de zin van artikel 3, 1°, van het Materialendecreet, daaronder begrepen alle onderdelen, subeenheden en verbruiksmaterialen die deel uitmaken van het product op het moment dat het wordt afgedankt;
1°/1 afvalolie : alle soorten minerale, synthetische, plantaardige of dierlijke smeerolie of industriële olie die ongeschikt is geworden voor het gebruik waarvoor ze oorspronkelijk bestemd was, zoals gebruikte olie van verbrandingsmotoren en versnellingsbakken, alsook smeerolie, olie voor turbines en hydraulische oliën;
2° ...;
3° asfaltgranulaat : granulaat dat afkomstig is van de opbraak of het frezen van asfaltverhardingen;
4° baggerspecie : baggerspecie als vermeld in artikel 2, 35°, van het Bodemdecreet;
5° band : elke volle of luchtrubberband, met inbegrip van bandages, met uitzondering van fietsbanden;
6° batterij of accu : bron van door rechtstreekse omzetting van chemische energie verkregen elektrische energie, bestaande uit een of meer primaire (niet-oplaadbare) batterijcellen of uit een of meer secundaire (oplaadbare) batterijcellen. De volgende batterijen vallen niet onder deze definitie : batterijen en accu's in apparatuur die bestemd is om de ruimte ingestuurd te worden, en batterijen en accu's in apparatuur die wordt aangewend in samenhang met de bescherming van wezenlijke belangen in verband met de veiligheid van de lidstaten, wapens, munitie, en oorlogsmateriaal, met uitzondering van producten die niet voor specifieke militaire doeleinden zijn bestemd;
6° /1 bedrijfsrestafval: de fractie van bedrijfsafvalstoffen die niet selectief wordt aangeboden of ingezameld;
7° behandeld zuiveringsslib : zuiveringsslib dat overeenkomstig bijlage 2.3.1.D biologisch, chemisch of thermisch behandeld is door langdurige opslag of volgens een ander geschikt procedé, om de vergistbaarheid ervan en de hygiënische bezwaren tegen het gebruik ervan aanzienlijk te verminderen;
7° /1 beheerder van een onlinemarktplaats: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die, al dan niet ten bezwarende titel, een onlinemarktplaats organiseert of beheert;
8° beoefenaar van een geneeskundig beroep : iedereen, bijvoorbeeld een arts, tandarts, dierenarts of verpleegkundige, die als werknemer of zelfstandige geneeskundige of diergeneeskundige behandelingen verstrekt;
9° betongranulaat : granulaat dat afkomstig is van het breken van beton;
9° /1 beveiligde zending: een van de hiernavolgende betekeningswijzen:
a) een aangetekend schrijven;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
10° bodem : de bodem, zoals gedefinieerd in artikel 2, 1°, van het Bodemdecreet;
11° Bodemdecreet : het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
11° /1 bouw- en sloopafval: afvalstoffen die geproduceerd worden door bouwwerkzaamheden en afkomstig zijn van de aangewende bouwmaterialen, exclusief hun verpakkingen, of afvalstoffen die geproduceerd worden door sloop-, renovatie- en ontmantelingswerkzaamheden nadat alle losse elementen verwijderd zijn die geen deel uitmaken van de constructie;
12° bouwstof: materiaal dat, naargelang de toepassing en voor zover beschikbaar, voldoet aan bouwtechnische geharmoniseerde Europese normen of standaarden, standaardbestekken, voorschriften van de Vlaamse overheid, gestandaardiseerde bouwtechnische specificaties of andere bouwtechnische voorschriften;
13° brandstofresten: afval van reguliere brandstoffen die zijn bestemd voor het aandrijven van motoren, al dan niet vermengd met afvalolie;
14° brekerzeefzand : zand dat afkomstig is van het zeven, voorafgaand aan het breken van puin met uitzondering van asfaltpuin en freesasfalt;
15° calorische waarde : stookwaarde bij constante druk of onderste verbrandingswaarde nat;
15/1° categorie 3-materiaal: categorie 3-materiaal als vermeld in artikel 10 van de verordening (EG) 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1774/2002;
15°/2 CMA: compendium voor de monsterneming en analyse in het kader van het Materialendecreet en het Bodemdecreet als vermeld in het VLAREL
16° compost : het stabiele, gehygiëniseerde en humusrijke eindproduct van de compostering van selectief ingezameld organisch-biologisch afval en ander biologisch materiaal;
17° compostering : gecontroleerd proces waarbij in aanwezigheid van zuurstof, door natuurlijke opwarming als gevolg van microbiële afbraakprocessen, organisch-biologisch afval en organisch-biologisch materiaal onder gecontroleerde omstandigheden worden omgezet in een gehygiëniseerd, gestabiliseerd en gehomogeniseerd product dat als bodemverbeterend middel kan worden gebruikt. Het composteerproces kan voorafgegaan worden door een anaerobe vergistingsstap;
18° recyclagepark : een met toepassing van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid vergunde inrichting waar particulieren en eventueel ook bedrijven onder toezicht op vastgestelde dagen en uren bepaalde gesorteerde huishoudelijke afvalstoffen en eventueel met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen kunnen deponeren;
19° dierlijke en plantaardige vetten en oliën : alle eetbare dierlijke of plantaardige oliën en vetten, en een mengsel ervan, die geschikt zijn om aangewend te worden bij het frituren van voedingsmiddelen, als vermeld in het koninklijk besluit van 22 januari 1988 betreffende het gebruik van eetbare oliën en voedingsvetten bij het frituren van voedingsmiddelen, door huishoudens of professionele gebruikers;
20° digestaat : het eindproduct van de anaerobe vergisting van selectief ingezameld organisch-biologisch afval, eventueel samen met mest of energiegewassen, met inbegrip van de nabehandeling;
21° drukwerk : dagbladen, weekbladen, maandbladen, tijdschriften, periodieken, gratis regionale pers, gratis publicaties, telefoongidsen en reclamedrukwerk die verdeeld worden in het Vlaamse Gewest;
22° eindverkoper : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest producten te koop aanbiedt aan de consument;
23° elektrische en elektronische apparatuur, afgekort EEA: apparaten die om naar behoren te werken, afhankelijk zijn van elektrische stromen of elektromagnetische velden en apparaten voor het opwekken, overbrengen en meten van die stromen en velden, die bedoeld zijn voor gebruik met een spanning van maximaal 1000 volt bij wisselstroom en 1500 volt bij gelijkstroom en die onderworpen zijn aan de aanvaardingsplicht, vermeld in artikel 3.4.4.1;
23° /1 elektronische melding: elke melding die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2281 van het Burgerlijk Wetboek, via de elektronische webloketten op de website van de OVAM;
24° EURAL-code : een code uit de lijst van afvalstoffen, vermeld in bijlage 2.1;
25° financieringsovereenkomst: een lenings-, lease-, huur- of afbetalingsovereenkomst of een regeling met betrekking tot enig product, ongeacht of volgens die overeenkomst of regeling, dan wel volgens een aanvullende overeenkomst of regeling, eigendomsoverdracht van het product zal of kan plaatsvinden;
25° /1 folies: folies die worden gebruikt als secundaire verpakking of tertiaire verpakking;
25°/2 gehalte gerecycleerde kunststoffen, uitgedrukt in procent: het gehalte aan gerecycleerde kunststoffen in een materiaal of product wordt bepaald als de verhouding van de massa gerecycleerde kunststoffen tot de totale massa kunststoffen in het materiaal of product, vermenigvuldigd met 100;
25°/3 gemengd bouw- en sloopafval: de fractie van het bouw- en sloopafval die niet gescheiden wordt aangeboden of ingezameld;
26° geneeskundige of diergeneeskundige behandeling : elke behandeling, met of zonder instrumenten, die erop gericht is de lichamelijke en de geestelijke gezondheid van de mens of van het dier te bevorderen of te controleren. Medisch onderzoek in laboratoria en alle behandelingen in mortuaria, in onderzoeksinrichtingen, in bloedtransfusiecentra en in instellingen voor forensische geneeskunde worden ook als een geneeskundige of diergeneeskundige behandeling beschouwd;
27° geneeskundige praktijk : elke praktijk of groepspraktijk van een arts, tandarts, dierenarts of van een andere zelfstandige beoefenaar van een geneeskundig beroep, waar geneeskundige of diergeneeskundige behandelingen worden verstrekt of die de basis vormt voor de niet-georganiseerde thuisverzorging, alsook alle organisaties voor thuisverzorging, alle dierenklinieken en alle instellingen voor verzorging, vermeld in 43°, en alle andere psychiatrische ziekenhuizen dan de psychiatrische ziekenhuizen, vermeld in 42° ;
28° gerecycleerde brokken : brokken die afkomstig zijn van afgebroken, al dan niet gewapende betonmassieven, of van herwonnen steen of herwonnen bewerkte breuksteen, of van afgebroken baksteenmassieven;
29° gerecycleerde granulaten : granulaten die ontstaan door mechanische behandeling van anorganisch materiaal dat afkomstig is van bouwkundige constructies, zoals betongranulaat, asfaltgranulaat, menggranulaat,
metselwerkgranulaat, gerecycleerde brokken, brekerzand van asfalt, brekerzeefzand, sorteerzeefgranulaat en sorteerzeefzand en die gecertificeerd zijn volgens het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten;
30° gft-afval: het keuken- en tuinafval dat afkomstig is van het gescheiden ingezamelde organische deel van het huishoudelijk afval. Het omvat composteerbaar keukenafval en etensresten en het gedeelte van het tuinafval dat bestaat uit niet-houtig, fijn materiaal;
31° gratis publicaties : elk drukwerk dat gratis verspreid wordt en dat geen reclamedrukwerk of gratis regionale pers is;
32° gratis regionale pers : alle drukwerk met vast verschijningsritme dat gratis verspreid wordt, met uitsluiting van het drukwerk dat uitgaat van een adverteerder of een daartoe opgerichte groep van adverteerders, waarin op jaarbasis minimaal 30 % van de gedrukte oppervlakte besteed wordt aan artikelen met algemene informatie;
33° groenafval : het composteerbaar organisch afval dat onder meer vrijkomt in tuinen, plantsoenen, parken, oevers van waterlopen en wegbermen en natuurgebieden;
34° grofvuil : afvalstoffen die ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding, en de vergelijkbare afvalstoffen die door hun omvang, hun aard of hun gewicht niet in de recipiënt voor huisvuilophaling kunnen worden geborgen en die huis aan huis worden ingezameld, alsook de restfractie die overblijft voor verbranden of storten na aanbieding in het recyclagepark;
35° grondstoffen : bijproducten of materialen die het einde van de afvalfase hebben bereikt, overeenkomstig artikel 36, 37 of 39 van het Materialendecreet;
36° grondstoffenproducent : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon waarvan de activiteit bijproducten of materialen die het einde van de afvalfase hebben bereikt, voortbrengt, overeenkomstig artikel 36, 37 of 39 van het Materialendecreet;
37° grondstoffengebruiker : elke natuurlijke of rechtspersoon die bijproducten of materialen die het einde van de afvalfase hebben bereikt, overeenkomstig artikel 36, 37 of 39 van het materialendecreet, inzet in zijn procesvoering;
38° ...;
39° ...;
40° houder van pcb-houdende apparaten : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die pcb's of een pcb-houdend apparaat in zijn bezit heeft;
40° /1 huishoudelijk restafval: de fractie van huishoudelijke afvalstoffen die niet selectief wordt aangeboden of ingezameld, inclusief niet-selectief ingezameld afval van straatvuilnisbakjes in beheer van de gemeenten of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, alsook het straat- en veegvuil en het afval van het opruimen van sluikstorten;
40° /2 in hoofdzaak residentiële gebouwen: gebouw of gebouwen waarvan de woonfunctie ten minste zesenzestig procent omvat van het totale betrokken bouwvolume; het betrokken bouwvolume is de som van de bouwvolumes van alle gebouwen opgenomen in dezelfde omgevingsvergunning;
41° ingedeelde inrichting : een inrichting waar een activiteit wordt uitgeoefend die is opgenomen in de indelingslijst, vermeld in 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
42° instelling voor geneeskunde : alle openbare en private ziekenhuizen, met uitzondering van de psychiatrische ziekenhuizen, alle poliklinieken, alle vaste of mobiele instellingen en eenheden of inrichtingen die geneeskundige behandelingen verstrekken aan ambulante of bedlegerige patiënten, alle psychiatrische ziekenhuizen op de campus van een ziekenhuis die behoren tot dezelfde inrichtende macht, alle rust- en verzorgingstehuizen op de campus van een ziekenhuis en die behoren tot dezelfde inrichtende macht en niet onder de erkenning van een rusthuis vallen, alle psychiatrische verzorgingstehuizen die gelegen zijn op de campus van een ziekenhuis en behoren tot dezelfde inrichtende macht, alle laboratoria en onderzoeksinrichtingen die, intern of extern aan een instelling verbonden, voor die instellingen en voor geneeskundige praktijken onderzoeken verrichten, alle laboratoria van de farmaceutische nijverheid, alle mobiele of vaste bloedtransfusiecentra, alle mortuaria waar lijkverzorging wordt uitgevoerd, en alle instellingen voor forensische geneeskunde;
43° instelling voor verzorging : alle andere rust- en verzorgingstehuizen dan de rust- en verzorgingstehuizen, vermeld in 42°, alle rusthuizen, al dan niet met rvt-woongelegenheid, alle dagverzorgingscentra en alle andere psychiatrische verzorgingstehuizen dan de psychiatrische verzorgingstehuizen, vermeld in 42° ;
44° inzamelaar : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die overgaat tot de inzameling van afvalstoffen;
44° /1 keukenafval en etensresten: alle voedselresten, met inbegrip van afgewerkte bak- en braadolie afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens, met inbegrip van centrale keukens en keukens van huishoudens;
45° kga : klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong en van vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong als vermeld in punt 54°;
46° kringloopcentrum : een door de OVAM erkende rechtspersoon die over een inzamelingsdienst, sortering en verkoopsruimte beschikt en die in een binnen zijn erkenning afgebakend verzorgingsgebied potentieel herbruikbare goederen inzamelt, opslaat, sorteert, herstelt en verkoopt met producthergebruik als doel;
47° kunststof: een polymeer in de zin van artikel 3, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van 18 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, waaraan additieven of andere stoffen kunnen zijn toegevoegd en dat als een structureel hoofdbestanddeel van eindproducten kan worden gebruikt;
48° landbouwfolie : kunststoffolie die wordt gebruikt in het kader van een landbouw, tuinbouw- of veeteeltactiviteit, met uitzondering van verpakkingen als vermeld in het samenwerkingsakkoord van 4 november 2008 betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval;
49° ...;
50° Materialendecreet : het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
50° /1 matrassen: producten die bestemd zijn om op te slapen en te rusten, die geschikt zijn voor het gebruik door de mens voor een lange periode, die bestaan uit een sterke hoes, gevuld met kernmaterialen, en die kunnen worden geplaatst op een bestaande ondersteunende bedstructuur, inclusief toppers. Een topper is een dunne matras die bovenop de normale matras wordt gelegd;
51° medisch afval : een bijzondere afvalstof die bestaat uit alle afvalstoffen, ongeacht de aard, het voorkomen of de samenstelling, die afkomstig zijn van geneeskundige of diergeneeskundige behandelingen;
52° menggranulaat : granulaat dat afkomstig is van het breken van metselwerk en beton, zodat het mengsel een minimaal gehalte aan beton bevat;
53° meststof of bodemverbeterend middel : elke stof waaraan een specifieke werking ter bevordering van de plantaardige productie wordt toegeschreven als vermeld in de federale wetgeving betreffende de handel in meststoffen en bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten;
54° met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen : bedrijfsafvalstoffen van vergelijkbare aard, samenstelling en hoeveelheid als huishoudelijke afvalstoffen, die ontstaan ten gevolge van activiteiten die van dezelfde aard zijn als activiteiten van de normale werking van een particuliere huishouding;
55° metselwerkgranulaat : granulaat dat afkomstig is van het breken van metselwerk;
56° milieutechnische eenheid : de milieutechnische eenheid, vermeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM;
57° decreet betreffende de omgevingsvergunning : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
58° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid;
59° niet-vormgegeven bouwstof : bouwstof die niet aan alle criteria van een vormgegeven bouwstof voldoet;
60° olie : alle soorten smeerolie of industriële olie, op minerale, synthetische, plantaardige of dierlijke basis, in het bijzonder olie voor verbrandingsmotoren, transmissiesystemen, alsook olie voor machines, turbines, warmteoverdracht en hydraulische systemen met uitzondering van pcb-oliën;
60° /1 onlinemarktplaats: een digitaal platform, portaal of een enig ander gelijkaardig elektronisch middel, applicatie of dienst, die een verkoper in staat stelt een overeenkomst op afstand, in de zin van artikel I.8, 15° van het Wetboek van economisch recht, af te sluiten met gebruikers van de onlinemarktplaats;
60° /2 opvulling: een handeling voor nuttige toepassing waarbij niet-gevaarlijk afval wordt gebruikt voor het herstel van uitgegraven terreinen of voor civieltechnische toepassingen bij de landschapsaanleg. Afval dat wordt gebruikt voor opvulling moet dienen ter vervanging van niet-afvalmaterialen, geschikt zijn voor de voornoemde doelen en worden beperkt tot de hoeveelheid die strikt noodzakelijk is om die doelen te bereiken;
61° organisch-biologische afvalstoffen : groenafval, gft-afval of organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen;
61° /1 organisch-biologisch bedrijfsafval: het organisch-biologisch afval van bedrijven, met inbegrip van keukenafval en etensresten en levensmiddelenafval;
62° oude en vervallen geneesmiddelen : restanten van geneesmiddelen als vermeld in artikel 1 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, met uitzondering van artikel 1bis van die wet, die farmaceutische specialiteiten zijn, en die aan een particulier werden verstrekt en waarvan hij zich ontdoet, wil ontdoen of moet ontdoen. Een specialiteit is elk vooraf bereid geneesmiddel dat onder een speciale benaming en in een bijzondere verpakking in de handel wordt gebracht;
63° pcb-houdend apparaat : elk toestel dat pcb's bevat of heeft bevat, zoals transformatoren, condensatoren, recipiënten die resthoeveelheden bevatten, en dat niet is gereinigd. Tenzij redelijkerwijs het tegendeel kan worden aangenomen, worden toestellen die mogelijk pcb's bevatten als pcb-houdende apparaten beschouwd;
64° pcb's : polychloorbifenylen, polychloorterfenylen, monomethyltetrachloordifenylmethaan, monomethyldichloordifenylmethaan, monomethyldibroomdifenylmethaan en alle mengsels waarvan het totale gehalte aan de bovenvermelde stoffen hoger is dan 0,005 gewichtsprocent;
65° percentage van hergebruik en recyclage : het percentage van het gewicht aan afvalstoffen, onderverdeeld per materiaalsoort als vermeld in artikel 3.4.4.5, die tot grondstof gerecycleerd worden, vermeerderd met de apparatuur, onderverdeeld per materiaalsoort, die wordt voorbereid voor hergebruik, ten opzichte van het totale gewicht van de overeenkomstige materiaalsoort van de afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die werd ingezameld;
66° plastic: een polymeer in de zin van artikel 3, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van 18 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, waaraan additieven of andere stoffen kunnen zijn toegevoegd en dat als een structureel hoofdbestanddeel van eindproducten kan worden gebruikt;
67° pmd-afval: afval van alle plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons bestemd voor gebruik door huishoudens of vergelijkbaar bedrijfsmatig gebruik, met uitzondering van afval afkomstig van klein gevaarlijk afval, en geëxpandeerd polystyreen verpakkingen voor non-food toepassingen;
68° producent: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van verkoop op afstand overeenkomstig de bepalingen van artikel I.8, 15° van het Wetboek van economisch recht:
a) is gevestigd op het grondgebied en een product vervaardigt onder zijn eigen naam of merk, of laat een product ontwerpen of vervaardigen dat hij onder zijn naam of merk op het grondgebied verhandelt of bestemt voor eigen gebruik;
b) is gevestigd op het grondgebied en een product op het grondgebied wederverkoopt of bestemt voor eigen gebruik dat door andere leveranciers is geproduceerd onder zijn eigen naam of merk. Daarbij wordt de wederverkoper niet als producent van het product aangemerkt als het merkteken van de producent, vermeld in punt a), op het product zichtbaar is;
c) is gevestigd op het grondgebied en beroepsmatig een product op de markt brengt;
d) is gevestigd buiten het grondgebied en een product via verkoop op afstand, in de zin van artikel I.8, 15° van het Wetboek van economisch recht, rechtstreeks of door gebruik van een online marktplaats, aan particuliere huishoudens of andere gebruikers dan particuliere huishoudens op het grondgebied verkoopt.
Diegene die uitsluitend voorziet in financiering op grond van of in het kader van een financieringsovereenkomst, en die de voor- en nadelen verbonden aan de eigendom niet draagt, wordt niet als producent van het product aangemerkt, tenzij hij ook optreedt als producent als vermeld in punt a) tot en met d);
69° producent van drukwerk : de uitgever of de persoon die handelt in opdracht van een buitenlandse uitgever, die drukwerk verspreidt in het Vlaamse Gewest. De uitgever is de persoon die het drukwerk laat aanmaken en die verantwoordelijk is voor de vorm en de inhoud;
70° puin : steenachtige fractie uit bouw- en sloopafval;
71° reclamedrukwerk : al het drukwerk dat minder dan vijfmaal per week verschijnt en waarin minder dan 30 % van de gedrukte oppervlakte besteed wordt aan artikelen met algemene informatie met uitzondering van flyers ter promotie van activiteiten van lokale verenigingen;
72° recyclagevoet : het percentage van het gewicht aan gerecycleerd drukwerk ten opzichte van het totale gewicht aan drukwerk dat tijdens het voorgaande kalenderjaar door om het even welke producent van om het even welk drukwerk verspreid werd in het Vlaamse Gewest;
73° regeneratie van afvalolie : iedere recyclingshandeling waardoor basisoliën kunnen worden geproduceerd door raffinage van afvalolie, in het bijzonder door uit die olie de verontreinigende stoffen, oxidatieproducten en additieven te verwijderen;
74° reiniging van pcb-houdende apparaten : het geheel van werkzaamheden waardoor een pcb-houdend apparaat opnieuw gebruikt, gerecycleerd of onder veilige omstandigheden verwijderd kan worden. De vervanging, namelijk de werkzaamheden waarbij pcb's worden vervangen door een passende vloeistof die geen pcb's bevat, wordt ook als reiniging beschouwd;
74° /1 risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie : alle risicohoudende medische afvalstoffen, behalve als ze zijn opgenomen in de lijst, vermeld in bijlage 5.2.3.C;
75° ruimingsspecie : ruimingsspecie als vermeld in artikel 2, 36°, van het Bodemdecreet;
76° ...;
77° ...;
77° /1 sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval: een vergunde inrichting voor het uitsorteren van bouw- en sloopafval via een aparte installatie. De sortering is een aparte activiteit en vindt plaats voor het eventuele breekproces;
77° /2 sluikstorten: het bewust ontwijken van de huishoudelijke afvalophaling of bedrijfsafvalophaling door afvalstoffen achter te laten of te storten op niet-reglementaire plaatsen, tijdstippen of in de foute recipiënten;
78° sorteerzeefgranulaat: gerecycleerd granulaat met d ≥ 4mm en Dmax ≤ 80 mm dat verkregen is na het uitsorteren, afzeven en kalibreren van puin met fysische verontreiniging of met asbestverdachte materialen. Het sorteerzeefgranulaat is afkomstig van een sorteerinrichting die beschikt over een kwaliteitsborgingssysteem als vermeld in het eenheidsreglement voor gerecycleerde granulaten;
78°/1 sorteerzeefpuin: afgezeefde grove inerte puinfractie met een korrelmaat groter dan 20 mm die verkregen is na het uitsorteren van puin met fysische verontreinigingen of asbestverdachte materialen, en die afkomstig is van een sorteerinrichting die beschikt over een kwaliteitsborgingssysteem als vermeld in het eenheidsreglement voor gerecycleerde granulaten;
78/1/1° stalmest: mest als vermeld in artikel 3, §5, 19°, van het Mestdecreet;
79° sorteerzeefzand: gerecycleerd granulaat met Dmax = 20 mm dat verkregen is bij het uitsorteren van puin met fysische verontreinigingen en asbestverdachte materialen, en dat afkomstig is van een sorteerinrichting die beschikt over een kwaliteitsborgingssysteem als vermeld in het eenheidsreglement voor gerecycleerde granulaten;
79° /1 thuisverzorging: de geneeskundige of diergeneeskundige behandelingen in het huis van de belanghebbende, verstrekt door de beoefenaar van een geneeskundig beroep, al dan niet in georganiseerd verband;
80° ...;
81° titel II van het VLAREM : het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
82° tussenhandelaar : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die producten verdeelt aan één of meer eindverkopers of andere tussenhandelaars in het Vlaamse Gewest;
83° vergisting : gecontroleerd afbraakproces door micro-organismen van organisch-biologisch afval en ander organisch-biologisch materiaal in afwezigheid van zuurstof waardoor biogas en een gehomogeniseerd product (het digestaat) worden gevormd;
83° /1 verstoking: een procedé als vermeld in bijlage 1, 41, van de verordening (EU) 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn;
84° vervoer van afvalstoffen : afvalstoffen van de ene plaats naar de andere brengen over de openbare weg, spoorweg, waterweg, via luchtvaart of via pijpleiding;
85° vervoerder van afvalstoffen : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in opdracht van derden beroepsmatig afvalstoffen vervoert. Beroepsmatig houdt in dat afvalstoffen worden vervoerd in het kader van een professionele activiteit, ongeacht of deze professionele activiteit exclusief bestaat uit het vervoer en de inzameling van afvalstoffen of bestaat uit het, al dan niet occasioneel, inzamelen en vervoeren van afvalstoffen als onderdeel van een bredere professionele activiteit;
86° ...;
87° VLAREBO : het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
87° /1 ...;
88° vormgegeven bouwstof: een bouwstof die:
a) een proefstuk kan omvatten waarvan de afmeting van twee van de drie dimensies groter dan 40 millimeter is; 
b) een druksterkte heeft van minstens 9,0 N/mm2, bepaald volgens de proefmethode uit de NBN-reeksen, aangepast aan het eindproduct;
89° wegwerpluier: luier die bestemd is voor eenmalig gebruik, of delen ervan;
89° /1 zeefzand van asfalt : brekerzeefzand en brekerzand van asfalt bekomen voor en na het breken of zeven van het asfaltpuin en freesasfalt;
90° zuiveringsslib :
a) slib dat afkomstig is van zuiveringsinstallaties voor huishoudelijk of stedelijk afvalwater;
b) slib dat afkomstig is van zuiveringsinstallaties voor bedrijfsafvalwater;
91° zwerfvuil : klein vast afval dat terug te vinden is op een niet daarvoor bestemde plaats.
92°...;
93° ...;
94° ...;
95° ...

§3. Voor de toepassing van onderafdeling 3.4.2 van hoofdstuk 3 en onderafdeling 5.2.4 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder :
1° demontage-informatie : alle informatie die voor een doelmatige en milieuvriendelijke verwerking van een afgedankt voertuig noodzakelijk is. De informatie is opgenomen in handboeken of is beschikbaar in elektronische vorm;
2° hergebruik : elke handeling waarbij onderdelen of vloeistoffen van een afgedankt voertuig voor hetzelfde doel worden gebruikt als waarvoor ze initieel geconcipieerd werden;
3° hergebruiken : het uitvoeren van elke handeling waarbij onderdelen of vloeistoffen van een afgedankt voertuig voor hetzelfde doel worden gebruikt als waarvoor ze initieel geconcipieerd werden;
4° recycleren : terugwinnen van materialen en grondstoffen, afkomstig van de verwerking van afgedankte voertuigen, in het oorspronkelijke productieproces dat aan de basis lag van de afvalstoffen, of in een ander productieproces, niet inbegrepen de terugwinning van energie. In dit kader betekent terugwinning van energie het gebruik van brandbare afvalstoffen om energie op te wekken door directe verbranding met of zonder andere afvalstoffen, maar met terugwinning van warmte;
5° recycling : de handeling van het recycleren;
6° shredder : toestel dat voor het stuktrekken of versnijden van afgedankte voertuigen wordt gebruikt, ook om direct recycleerbaar schroot te verkrijgen;
7° voertuig : voertuigen die onder categorie M1 of N1 vallen, vermeld in Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG, alsmede driewielige motorvoertuigen als vermeld in Verordening (EU) 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers, met uitzondering van driewielers, ongeacht hoe het voertuig tijdens het gebruik werd onderhouden of gerepareerd en ongeacht of het werd uitgerust met door de producent geleverde onderdelen dan wel met andere onderdelen die als vervangings- of inbouwonderdeel in overeenstemming met de relevante gemeenschapsbepalingen of interne bepalingen werden aangebracht;
8° voertuigproducent : de voertuigfabrikant of de beroepsimporteur van een voertuig in een lidstaat van de Europese Unie.

§3/1. Voor de toepassing van onderafdeling 3.4.4 van hoofdstuk 3 en onderafdeling 5.2.5 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder:
1° actief implanteerbaar medisch hulpmiddel: een actief implanteerbaar medisch hulpmiddel als vermeld in het koninklijk besluit van 15 juli 1997 betreffende de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen, dat EEA is;
2° afzondering: de manuele, mechanische, chemische of metallurgische behandeling die ervoor zorgt dat gevaarlijke stoffen, mengsels en onderdelen tijdens het verwerkingsproces in een identificeerbare stroom of als identificeerbaar deel van een stroom zijn afgescheiden. Stoffen, mengsels of onderdelen zijn identificeerbaar als zij kunnen worden gemonitord om te verifiëren dat zij worden verwerkt op een wijze die veilig is voor het milieu;
3° distributeur van EEA: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die deel uitmaakt van de toeleveringsketen en EEA op de markt brengt. Een distributeur van EEA kan tezelfdertijd een producent van EEA als vermeld in 16° zijn;
4° gebruikte EEA: EEA dat al is gebruikt, maar dat niet noodzakelijk een afvalstof is;
5° grote, niet-verplaatsbare industriële werktuigen: een groot geheel van machines, apparatuur en/of onderdelen die samenwerken voor een bepaalde toepassing, op een vaste plaats door vakmensen worden geïnstalleerd of afgebroken, en door vakmensen worden gebruikt en onderhouden in een industriële productieomgeving of een centrum voor onderzoek en ontwikkeling;
6° grote, vaste installatie: een grootschalig samenstel van diverse typen apparaten en eventueel andere hulpmiddelen die cumulatief voldoen aan de volgende voorwaarden:
a) ze wordt door vakmensen gemonteerd, geïnstalleerd en afgebroken;
b) ze is bestemd voor permanent gebruik als onderdeel van een gebouw of een structuur op een vooraf bepaalde en speciaal daarvoor bestemde plaats;
c) ze kan uitsluitend door dezelfde speciaal ontworpen apparatuur vervangen worden;
7° heel kleine afgedankte EEA: afgedankte EEA met buitenafmetingen van ten hoogste 25 cm;
8° hergebruikcentrum voor EEA : een rechtspersoon of natuurlijke persoon die gebruikte EEA beroepsmatig opslaat, sorteert en scheidt in potentieel herbruikbare EEA en niet-herbruikbare afgedankte EEA, en die potentieel herbruikbare EEA voorbereidt voor hergebruik;
9° huishoudelijke afgedankte EEA: afgedankte EEA die afkomstig is van particuliere huishoudens en afgedankte EEA die afkomstig is van commerciële, industriële, institutionele en andere bronnen en die volgens de aard en hoeveelheid met die van particuliere huishoudens vergelijkbaar is. Afval van EEA die waarschijnlijk zowel door particuliere huishoudens als door andere gebruikers dan particuliere huishoudens wordt gebruikt, wordt in elk geval als huishoudelijk afgedankte EEA beschouwd;
10° in de handel brengen van EEA: het voor het eerst beroepsmatig op de markt brengen van een product op het grondgebied;
11° medisch hulpmiddel: een medisch hulpmiddel of hulpstuk als vermeld in het koninklijk besluit van 18 maart 1999 betreffende medische hulpmiddelen, dat EEA is;
12° medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek: een hulpmiddel of hulpstuk voor in-vitrodiagnostiek als vermeld in het koninklijk besluit van 14 november 2001 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek, dat EEA is;
13° niet voor de weg bestemde mobiele machine: een machine met een interne krachtbron, waarvan de werking ofwel mobiliteit vereist, ofwel permanente of semipermanente beweging tussen een reeks vaste werklocaties tijdens het werk;
14° op de markt brengen van EEA: het in het kader van een commerciële activiteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik;
15° percentage van nuttige toepassing en voorbereiding voor hergebruik en recyclage: dat cijfer wordt berekend voor elke categorie overeenkomstig artikel 3.4.4.2 door het gewicht van de afgedankte EEA dat de inrichting voor nuttige toepassing of voorbereiding voor hergebruik en recyclage binnenkomt, na passende verwerking overeenkomstig artikel 5.2.5.3, te delen door het gewicht van alle gescheiden ingezamelde AEEA voor elke categorie, uitgedrukt als percentage;
16° producent van EEA: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van verkoop op afstand overeenkomstig de bepalingen van artikel I.8, 15° van het Wetboek van economisch recht:
a) is gevestigd op het grondgebied en een product vervaardigt onder zijn eigen naam of merk, of laat een product ontwerpen of vervaardigen dat hij onder zijn naam of merk op het grondgebied verhandelt;
b) is gevestigd op het grondgebied en een product wederverkoopt dat door andere leveranciers is geproduceerd onder zijn eigen naam of merk. Daarbij wordt de wederverkoper niet als producent van het product aangemerkt als het merkteken van de producent, vermeld in punt a), op het product zichtbaar is;
c) is gevestigd op het grondgebied en beroepsmatig een product op de markt brengt;
d) is gevestigd buiten het grondgebied en een product via verkoop op afstand, in de zin van artikel I.8, 15° van het Wetboek van economisch recht, rechtstreeks of door gebruik van een online marktplaats, aan particuliere huishoudens of aan andere gebruikers dan particuliere huishoudens op het grondgebied verkoopt.
Diegene die uitsluitend voorziet in financiering op grond van of in het kader van een financieringsovereenkomst, en die de voor- en nadelen verbonden aan de eigendom niet draagt, wordt niet als producent van het product aangemerkt, tenzij hij ook optreedt als producent als vermeld in punt a) tot en met d);
17° professionele afgedankte EEA: alle afgedankte EEA die niet als huishoudelijk afgedankte EEA aangemerkt kunnen worden.

§4. Voor de toepassing van onderafdeling 3.4.5 van hoofdstuk 3 en onderafdeling 5.2.7 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder :
1° autobatterij of -accu : batterij of accu die gebruikt wordt voor het starten, voor de verlichting of het ontstekingsvermogen van een voertuig;
2° batterijpak : set batterijen of accu's die onderling verbonden zijn of die voorzien zijn van een buitenverpakking, die één complete eenheid vormt en niet is bestemd om door de eindgebruiker te worden opgedeeld of geopend;
3° draagbare batterij of accu : elke batterij, elke knoopcel, elk batterijpak of elke accu waarvoor tegelijk geldt dat ze :
a) afgedicht zijn;
b) met de hand kunnen worden gedragen;
c) geen industriële batterij of accu, noch een autobatterij of -accu zijn;
4° industriële batterij of accu : batterij of accu die uitsluitend voor gebruik voor industriële of professionele doeleinden is ontworpen of die in elk type elektrisch voertuig wordt gebruikt;
5° knoopcel : kleine ronde draagbare batterij of accu met een diameter die groter is dan de hoogte en die wordt gebruikt voor speciale doeleinden, zoals gehoorapparaten, horloges, kleine draagbare apparatuur en als back-up- stroomvoorziening;
6° op de markt brengen van batterijen en accu's : het leveren of ter beschikking stellen, al dan niet tegen betaling, aan een derde, met inbegrip van invoer in het douanegebied;
7° producent van batterijen en accu's : persoon die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van de techniek voor communicatie op afstand overeenkomstig de bepalingen van artikel I.8, 15° van het Wetboek van economisch recht,, batterijen of accu's, met inbegrip van die welke in apparaten of voertuigen zijn ingebouwd, beroepsmatig voor het eerst op het grondgebied op de markt brengt, al dan niet voor eigen gebruik;
8° recycling van batterijen en accu's : het in een productieproces opnieuw verwerken van afvalmaterialen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, met uitzondering van de terugwinning van energie;
9° verwerking van batterijen en accu's : iedere activiteit die afgedankte batterijen en accu's ondergaan nadat ze zijn overgedragen aan een faciliteit voor sortering, voorbereiding op recycling of voorbereiding op verwijdering.

§4/1. Voor de toepassing van onderafdeling 5.2.10 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder:
1° haven: plaats of geografisch gebied met verbeteringswerken en voorzieningen die hoofdzakelijk zijn ontworpen om de ontvangst van schepen mogelijk te maken, met inbegrip van de ankerplaatsen binnen de jurisdictie van de haven;
2° havenontvangstvoorziening: elke vaste, drijvende of mobiele voorziening die in staat is om als dienstverlening het afval van schepen in ontvangst te nemen;
3° ladingresiduen: de restanten van lading aan boord die na het laden en lossen op het dek of in ruimen of tanks achterblijven, met inbegrip van overschotten of restanten die het gevolg zijn van morsen bij het laden en lossen, in natte of droge toestand of meegevoerd in waswater, en exclusief ladingstof dat na vegen op het dek achterblijft of stof op de buitenoppervlakken van het schip;
4° MARPOL-verdrag: het internationaal verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, in zijn geactualiseerde versie;
5° pleziervaartuig: elk schip met een romplengte van 2,5 meter of meer, ongeacht het type of de aandrijving, dat bestemd is voor sport- of recreatiedoeleinden en niet voor handelsdoeleinden wordt gebruikt;
6° afval van schepen: al het afval, met inbegrip van ladingresiduen, dat tijdens de exploitatie van een schip of tijdens laad-, los- en schoonmaakactiviteiten ontstaat en binnen het toepassingsgebied van de bijlagen I, II, IV, V en VI bij het MARPOL-verdrag valt, evenals passief opgevist afval;
7° schip: elk zeegaand vaartuig, ongeacht het type, dat in het mariene milieu opereert, waaronder vissersvaartuigen, pleziervaartuigen, draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, onderwatervaartuigen en drijvende vaartuigen;
8° vissersvaartuig: elk schip dat is uitgerust of met commercieel oogmerk wordt gebruikt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;
9° passief opgevist afval: afval dat tijdens visserijactiviteiten in netten terechtkomt;
10° toereikende opslagcapaciteit: voldoende capaciteit om het afval aan boord op te slaan vanaf het ogenblik van vertrek tot de volgende aanloophaven, met inbegrip van het afval dat waarschijnlijk zal ontstaan tijdens de reis;
11° geregeld verkeer: verkeer op basis van een gepubliceerde of geplande lijst van vertrek- en aankomsttijden tussen bepaalde havens of terugkerende overtochten die een herkenbare regeling vormen;
12° regelmatig een haven aandoen: met hetzelfde schip herhaalde reizen uitvoeren die een vast patroon vormen tussen bepaalde havens, of een reeks reizen zonder tussenstops van en naar dezelfde haven uitvoeren;
13° frequent een haven aandoen: met een schip minstens één keer om de twee weken dezelfde haven aandoen;
14° GISIS: het Global Integrated Shipping Information System dat door de IMO is opgezet;
15° verwerking: nuttige toepassing of verwijdering, met inbegrip van de daaraan voorafgaande voorbereidende handelingen;
16° indirecte bijdrage: bijdrage die wordt betaald voor het verlenen van diensten van havenontvangstvoorzieningen, ongeacht of al dan niet werkelijk afval van schepen wordt afgegeven.

§5. Voor de toepassing van onderafdeling 5.2.11 van hoofdstuk 5 en bijlage 3.4.6 gelden de definities, vermeld in het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, ondertekend in Straatsburg op 9 september 1996.

§6. Voor de toepassing van onderafdeling 5.3.11 en 5.3.12 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder:
1° cateringmateriaal: alles wat gebruikt wordt voor het aanbieden en het nuttigen van etenswaren, met uitsluiting van voorverpakte etenswaren en servetten;
2° bereide voedingsmiddelen: voedingsmiddelen die ter plaatse worden klaargemaakt, samengesteld, geschikt, opgewarmd, geregenereerd of ontdooid;
3° ...;
4° plastic draagtassen: draagtassen, met plastic als structureel hoofdbestanddeel, met of zonder handgreep, die aan consumenten worden verstrekt op de plaats van verkoop van goederen of producten;
5° lichte plastic draagtassen: plastic draagtassen met een wanddikte van minder dan 50 micron en meer dan of gelijk aan 15 micron;
6° evenement: een eenmalige of een periodieke gebeurtenis op het gebied van kunst, cultuur, sport, festiviteit of volksvermaak. De gebeurtenis wordt publiek aangekondigd en is voor iedereen toegankelijk, al dan niet tegen betaling. Ze gaat door op een welbepaald tijdstip en is tijdelijk. De locatie kan zich zowel op publiek als op privaat terrein bevinden. Het evenement kan zowel in de openlucht doorgaan als in een gesloten ruimte.;
7° recipiënt: alles wat gebruikt wordt voor het aanbieden en het nuttigen van drank.;
8° serveren: het aanbieden, opdienen, bedienen van etenswaren of drank aan de eindgebruiker, met uitzondering van drankautomaten.


§7. Voor de toepassing van onderafdeling 5.3.13 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder:
1° afvalzak: elke zak bestemd voor de verzameling en/of inzameling van afvalstoffen;
2° ...;
3° kunststoffen afvalzak: elke afvalzak met kunststof als structureel hoofdbestanddeel.

§8. Voor de toepassing van onderafdeling 3.4.14 van hoofdstuk 3 wordt verstaan onder:
1° vistuig: elk voorwerp of onderdeel van een werktuig dat wordt gebruikt in de visserij of de aquacultuur om in zee levende organismen af te zonderen, te vangen of te kweken, of dat op het zeeoppervlak drijft en wordt uitgezet met als doel dergelijke in zee levende organismen aan te trekken, te vangen of te kweken; 
2° vistuigafval: elk vistuig dat valt onder de definitie van afvalstoffen, vermeld in artikel 3, §1, eerste lid, 1°, van het Materialendecreet, met inbegrip van alle afzonderlijke bestanddelen, stoffen of materialen die deel uitmaakten of bevestigd waren aan een dergelijk vistuig toen het werd afgedankt, werd achtergelaten of verloren raakte;
3° in de handel brengen van kunststofhoudend vistuig: het voor het eerst op de markt brengen van een dergelijk product op het grondgebied;
4° op de markt brengen van kunststofhoudend vistuig: het in het kader van een commerciële activiteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een dergelijk product met het oog op distributie, consumptie of gebruik;
5° producent van kunststofhoudend vistuig: 
a) elke op het grondgebied gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die beroepsmatig, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van verkoop op afstand overeenkomstig de bepalingen van artikel I. 8, 15°, van het Wetboek van economisch recht, kunststofhoudend vistuig in de handel brengt, en die een andere persoon is dan de personen die visserijactiviteiten uitvoeren als vermeld in artikel 4, punt 28, van Verordening (EG) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad; 
b) elke buiten het grondgebied gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die beroepsmatig via verkoop op afstand, in de zin van artikel I.8, 15°, van het Wetboek van economisch recht, rechtstreeks of door gebruik van een online marktplaats, aan particuliere huishoudens of andere gebruikers dan particuliere huishoudens kunststofhoudend vistuig op het grondgebied verkoopt, en die een andere persoon is dan de personen die visserijactiviteiten uitvoeren als vermeld in artikel 4, punt 28, van Verordening (EG) nr. 1380/2013;
6° havenontvangstvoorziening: een havenontvangstvoorziening als vermeld in artikel 1.2.1, §4/1, 2°.

§8. Voor de toepassing van onderafdeling 5.3.18 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder:
1° kunststoffen rolcontainer voor afval: elke rolcontainer voor afval waarbij kunststof als structureel bestanddeel fungeert van de container voor afval.
    
§9. Voor de toepassing van onderafdeling 5.3.19 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder:
1° kweekpot: pot die bestemd is voor het opkweken van planten en bloemen. 
2° kweektray of plantentray: een plaat met verschillende rechthoekige of ronde cellen die enerzijds bestemd is voor het stekken en opkweken van planten, en anderzijds voor het plaatsen van verschillende kweekpotten.
     
§10. Voor de toepassing van onderafdeling 5.3.1.20 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder:
1° meubilair in de openbare buitenruimte: meubilair in openbare parken, in natuurgebieden, op straten, pleinen, openbare speelpleinen, openbare parkeerplaatsen en openbare sportterreinen. 
    
§11. Voor de toepassing van onderafdeling 5.3.21 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder:
1° kunststof geluidsscherm: een geluidswerende wandvormige constructie bestaande uit een geluidsisolerend en desgevallend geluidsabsorberend materiaal en voorzien van de nodige structuren om de bouwkundige stabiliteit te verzekeren, waarbij het paneel of het geluidsisolerend of het geluidsabsorberend materiaal of al deze elementen uit kunststof bestaan.  
    
§12. Voor de toepassing van onderafdeling 5.3.23 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder:
1° kunststoffen afdekplaten voor kabels, gasleidingen en andere nutsvoorzieningen voor buitentoepassingen: alle platen uit kunststof die ervoor zorgen dat de kabels, gasleidingen en andere nutsvoorzieningen mechanisch zijn afgeschermd in de bodem. Deze platen hebben kunststof als structureel hoofdbestanddeel en kunnen zowel een permanente als een tijdelijke functie hebben.

§13. Voor de toepassing van onderafdeling 5.3.24 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder:
1° kunststoffen raamsysteem: elk raamsysteem waarbij kunststof als structureel bestanddeel fungeert van het raamsysteem.
 

HOOFDSTUK 2. Afbakening van de afvalfase

Afdeling 2.1. Lijst van afvalstoffen

Artikel 2.1.1. (01/06/2012- ...)

De lijst van afvalstoffen is opgenomen in bijlage 2.1.

Stoffen en voorwerpen die in de lijst van afvalstoffen zijn opgenomen, worden alleen als afvalstof beschouwd als ze aan de definitie van afvalstof voldoen.

[Afdeling 2.2. Europese criteria (verv. BVR 2 juli 2021, art. 13, I: 27 augustus 2021)]

Artikel 2.2.1. (27/08/2021- ...)

 Er is geen grondstofverklaring vereist voor materialen waarvoor rechtstreeks toepasselijke Europees vastgestelde voorwaarden of criteria voor bijproducten of einde-afval gelden.

Artikel 2.2.2. (27/08/2021- ...)

Een inrichting of onderneming die voldoet aan rechtstreeks toepasselijke Europees vastgestelde voorwaarden of criteria voor bijproducten of einde-afval, kan die op de markt brengen als ze is opgenomen in een register. De minister stelt nadere regels vast voor de vorm en de inhoud van het register en voor de registratieprocedure.

Op eenvoudig verzoek van de OVAM of de toezichthouder toont de inrichting of onderneming in kwestie de conformiteit met de Europese eisen aan. Niet-conformiteit kan aanleiding geven tot schrapping uit het register. De minister kan vaststellen welke informatie beschikbaar moet zijn om de conformiteit te kunnen aantonen en stelt nadere regels vast voor de schrapping uit het register.

Artikel 2.2.3. (27/08/2021- ...)

...

Artikel 2.2.4. (27/08/2021- ...)

...

Artikel 2.2.5. (27/08/2021- ...)

...

Artikel 2.2.6. (27/08/2021- ...)

...

Artikel 2.2.7. (27/08/2021- ...)

...

Artikel 2.2.8. (27/08/2021- ...)

...

Afdeling 2.3. Specifieke criteria

[Onderafdeling 2.3.1. Algemene bepalingen voor specifieke criteria (verv. BVR 2 juli 2021, art. 14, I: 27 augustus 2021)]

Artikel 2.3.1.1. (08/04/2024- ...)

§1. Een materiaal mag alleen als grondstof worden beschouwd als het gebruik over het geheel genomen geen ongunstige effecten heeft op het milieu of de menselijke gezondheid.

§2. De producent brengt de OVAM op de hoogte als hij beschikt over aanwijzingen of informatie dat het gebruik wel ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid heeft. Hij beperkt zich hierbij tot de aanwezigheid van stoffen vermeld in de kandidaatslijst, autorisatielijst of restrictielijst van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen, of stoffen vermeld in bijlage I van de Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen.

Artikel 2.3.1.2. (08/04/2024- ...)

Voor bepaalde materialen worden, waar nodig, specifieke criteria vastgesteld die minimaal vervuld moeten zijn opdat een bepaald materiaal kan worden beschouwd als een grondstof, bestemd voor een bepaald toepassingsgebied. Elk materiaal afzonderlijk voldoet aan die criteria.

Artikel 2.3.1.3. (08/04/2024- ...)

In de lijst met materialen, vermeld in bijlage 2.2, is aangegeven voor welke materialen een grondstofverklaring vereist is.

Beoogde grondstoffen die bestemd zijn voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel, of voor gebruik als bouwstof, en die niet vermeld worden in bijlage 2.2, kunnen pas als grondstof worden beschouwd als de OVAM een toelating heeft gegeven in de vorm van een grondstofverklaring.

Het gebruik van een grondstof als bodem is niet toegelaten.

Een grondstofverklaring wordt afgegeven volgens de procedure, vermeld in afdeling 2.4. Een grondstofverklaring kan worden afgegeven als voldaan is aan de toepasselijke specifieke criteria, vermeld in afdeling 2.3, en de toepassing over het geheel genomen geen ongunstige effecten op het milieu en de menselijke gezondheid heeft.

Als een materiaal niet voldoet aan de toepasselijke specifieke criteria, vermeld in afdeling 2.3, kan ze alleen toegelaten worden als er vanuit milieuoogpunt valabele argumenten zijn en daarvoor een grondstofverklaring wordt verkregen.

Artikel 2.3.1.3/1. (08/04/2024- ...)

Materialen kunnen beschouwd worden als grondstoffen die bestemd zijn voor gebruik in bodemsaneringswerken, als ze voldoen aan de voorwaarden van samenstelling of gebruik, vastgesteld in het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject, het beperkte bodemsaneringsproject, afgegeven door de OVAM conform de bepalingen van het Bodemdecreet.

Artikel 2.3.1.3/2. (01/07/2024- ...)

§ 1. De grondstoffenproducent of in afwijking daarvan, de persoon die in zijn naam optreedt, vermeld in artikel 2.4.2.1, is ervoor verantwoordelijk dat de verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk, nageleefd worden. Hij brengt elke afnemer van de grondstof op de hoogte van de gebruiksvoorwaarden, vermeld in afdeling 5.3, en van de specifieke criteria, vermeld in afdeling 2.3.

Het is de verantwoordelijkheid van de grondstoffenproducent of de persoon die in zijn naam optreedt, om de toezichthouder de eerstvolgende werkdag op de hoogte te brengen, als hij over informatie beschikt waaruit kan worden besloten dat een partij materialen niet meer aan de bepalingen, vermeld in dit hoofdstuk, voldoet. In dat geval wordt die partij materialen beschouwd als afvalstof.

§ 2. De materialen, vermeld in artikel 2.3.1.3, die worden beschouwd als grondstoffen, worden minstens eenmaal per jaar bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen als vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL van 19 november 2010, tenzij anders is bepaald in de grondstofverklaring.

Behandeld zuiveringsslib dat wordt beschouwd als grondstof, wordt minstens zesmaandelijks bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen als vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL van 19 november 2010. Het zuiveringsslib moet worden bemonsterd na behandeling, maar vóór levering aan de gebruiker, en moet representatief zijn voor het geproduceerde zuiveringsslib. Met behoud van de parameters, vermeld in bijlage 2.3.1, die bij dit besluit is gevoegd, worden de volgende parameters geanalyseerd:
1°    zuurtegraad;
2°    organische stof;
3°    stikstof;
4°    difosforpentoxide.

De monsters zijn representatief voor de productie in een bepaald tijdsinterval. De conformiteit met de geldende criteria wordt verzekerd op basis van een representatieve bemonstering en analyse. Afhankelijk van de herkomst, de verontreinigingsgraad en aanwending kan de grondstoffenproducent of in afwijking daarvan, de persoon die in zijn naam optreedt, in overleg met de OVAM, de parameterlijst, vermeld in bijlage 2.3.1 en 2.3.2, beperken.

Voor de materialen, vermeld in artikel 2.3.1.3, die worden beschouwd als grondstoffen, geeft de grondstoffenproducent of, in afwijking daarvan, de persoon die in zijn naam optreedt, bij het plaatsen van de opdracht voor de monstername en analyse van de grondstof het nummer van de grondstofverklaring door aan het  erkende laboratorium dat de bemonstering of analyse, of beide, van die materialen uitvoert, met de vraag om dat nummer in het monsternemingsverslag op te nemen. 
    
Het erkende laboratorium meldt binnen 3 werkdagen na de monstername de start van de analyse van de grondstofverklaring in het Labo Loket - Analyseresultaten van de OVAM. Bij die melding worden de volgende gegevens over de controle verplicht gemeld in het Labo Loket - Analyseresultaten:
1° de identificatie van het erkende laboratorium dat de analyse van de materialen uitvoert, via het Labo-ID;
2° het nummer van de grondstofverklaring;
3° de datum van de monstername;
4° de reden van de monstername via de referentielijst die beschikbaar is op de website van de OVAM; 
5° de identificatie van het erkende laboratorium dat de monstername heeft uitgevoerd, via het Labo-ID; 
6° het nummer van het monster;
7° het monsternameverslag in pdf-formaat.
    
Het Labo Loket - Analyseresultaten verstrekt vervolgens aan het erkende laboratorium een OVAM-opdrachtreferentie voor de aangemelde analyse van de materialen die worden beschouwd als grondstoffen.

§3. De gegevens van de monstername en de analyse van het materiaal dat beschouwd wordt als een grondstof, worden bijgehouden op een elektronische drager met het oog op een eenvoudige gegevensuitwisseling tussen de erkende laboratoria en de OVAM. De minister bepaalt in een standaardprocedure de technische specificaties waaraan de gegevens van de monstername en de analyse moeten voldoen, en de technische specificaties van de uitwisseling van gegevens, zoals bepaald in dit artikel. Voor de materialen die beschouwd worden als grondstoffen, waarbij meer dan één erkend laboratorium analyses uitvoert in het kader van dezelfde analyse, is het erkende laboratorium dat door de opdrachthouder is aangeduid verantwoordelijk dat de resultaten worden gerapporteerd aan de OVAM.
    
De erkende laboratoria die de resultaten van de analyses, vermeld in paragraaf 2, aan de OVAM rapporteren, bezorgen die analysegegevens met vermelding van de OVAM-opdrachtreferentie. Dat gebeurt op elektronische wijze onmiddellijk na de uitvoering van de analyse of onmiddellijk na de ontvangst van de analyseresultaten van de andere betrokken erkende laboratoria. De uitwisseling van de gegevens gebeurt volgens de specificaties die opgenomen zijn in de standaardprocedure.
    
De grondstoffenproducent van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen bezorgt aan de OVAM ook jaarlijks in pdf-formaat de analyseresultaten die de conformiteit met het ministerieel besluit, vermeld in artikel 2.3.6.1, §2, aantonen.
    
De analysegegevens die niet vallen onder de rapporteringsverplichtingen van deze paragraaf, worden door de grondstoffenproducent of de persoon die in zijn naam optreedt, gedurende vijf jaar ter beschikking gehouden van de toezichthouder en de OVAM.

Artikel 2.3.1.4.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(29/03/2025- ...)

Met behoud van de toepassing van de bepalingen over het kwaliteitsborgingssysteem uit onderafdeling 2.5.1 levert de producent een bewijs dat de interne bedrijfsvoering de kwaliteit van de beoogde grondstof en de representativiteit van de analyse garandeert. Dit bewijs bevat relevante elementen in de bedrijfsvoering en bestaat onder meer uit een beschrijving van: 
1. de kwaliteitsopvolging bij acceptatie en/of acceptatiecriteria op de inkomende stromen, 
2. de kwaliteitscontrole op het verwerkingsproces of productieproces, 
3. de kwaliteitsopvolging van de beoogde grondstof op basis van een eigen monsternameprotocol, analyseprotocol en controleschema,
4. of elk ander aantoonbaar bewijs van kwaliteitsbewaking.
 
Dit artikel is niet van toepassing op partijen beoogde grondstoffen die ontstaan uit een eenmalige activiteit waarbij de volledige partij van de beoogde grondstof gekarakteriseerd wordt op basis van representatieve monsternames en analyses.

Onderafdeling 2.3.2. Criteria voor grondstoffen, bestemd voor gebruik als bouwstof

Artikel 2.3.2.1. (29/06/2024- ...)

§ 1. Rekening houdend met de geldende voorwaarden voor het gebruik van bouwstoffen moeten de volgende criteria voor de samenstelling minimaal zijn vervuld om de beoogde grondstoffen te beschouwen als grondstoffen die bestemd zijn voor gebruik als bouwstof :
1° de maximale totaalconcentraties aan organische verbindingen, vermeld in bijlage VI van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, worden niet overschreden;
2° de maximale totaalconcentraties aan metalen, vermeld in bijlage VI van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, zijn dwingende waarden voor het onvermengd gebruik als niet-vormgegeven bouwstof en voor het vermengd gebruik in niet-vormgegeven bouwstof met druksterkte van minder dan 6,0 N/mm2;
3° de maximale uitloogbaarheidswaarden van de metalen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink, vermeld in bijlage 2.3.2.B, worden niet overschreden bij het beoogde gebruik in of als bouwstof. De uitloogbaarheidswaarden van barium, bromide, chloride, fluoride en sulfaat, vermeld in bijlage 2.3.2.B, zijn richtwaarden.
In de as van afvalverbranding en de slakken van metallurgie worden bij het beoogde gebruik in of als bouwstof de maximale uitloogbaarheidswaarden van de metalen antimoon, molybdeen, vanadium, kobalt, seleen en tin, vermeld in bijlage 2.3.2.B, niet overschreden;
4° ...;
5° het berekende totaalgehalte aan asbestvezels bedraagt maximaal 100 mg/kg droge stof;
6° de maximale gehalten aan fysische verontreinigingen zijn voor vlottende verontreinigingen 5,0 cm®/kg droge stof, voor niet-vlottende verontreinigingen 1,0% (massa/massa) en voor glas 2,0% (massa/massa);
7° de gerecycleerde granulaten en fysico-chemisch behandelde gerecycleerde granulaten zijn vrijgesteld van de dwingende waarde voor de totaalconcentratie aan metalen. Als voor elk zwaar metaal de totaalconcentratie lager is dan de waarde voor vrij gebruik van uitgegraven bodem, vermeld in bijlage V van het VLAREBO, zijn gerecycleerde granulaten en fysico-chemisch behandelde granulaten vrijgesteld van de bepaling van de uitloging van zware metalen.

§1/1. De producent van de beoogde grondstof die de dwingende waarde voor totaalconcentratie aan zware metalen of de dwingende waarde voor uitloogbaarheid aan zware metalen overschrijdt, laat onderzoek uitvoeren naar de reinigbaarheid inclusief een tweede mening door een onafhankelijke kennisinstelling. Reinigbaar betekent dat voldaan wordt aan de dwingende waarden voor totaalconcentratie en voor uitloogbaarheid van zware metalen, vermeld in paragraaf 1, en de massa van het gereinigde materiaal minstens 60% bedraagt van de massa van het inputmateriaal. De tweede mening van de onafhankelijke kennisinstelling omvat de beoordeling van het onderzoek en het eigen advies. Het onderzoek naar reinigbaarheid en de tweede mening van de onafhankelijke kennisinstelling worden toegevoegd in de aanvraag voor grondstofverklaring.  
 
Als de beoogde grondstof reinigbaar is, moet ze eerst gereinigd worden om het statuut grondstof te verkrijgen. De niet-gereinigde beoogde grondstof komt niet in aanmerking voor de verwerking tot een vormgegeven bouwstof. Het contract tussen de producent en de reinigingsfirma wordt toegevoegd in de aanvraag voor de grondstofverklaring. 

Als de beoogde grondstof niet reinigbaar is, kan ze verwerkt worden volgens een specifieke receptuur tot een niet-vormgegeven bouwstof met druksterkte van minstens 6,0 N/mm2 of tot een vormgegeven bouwstof. De receptuur wordt bij de aanvraag van de grondstofverklaring gevoegd. Bij het beoogde gebruik wordt voldaan aan de uitloogbaarheidswaarden, vermeld in paragraaf 1, 3°.

Het uitvoeren van een onderzoek naar reinigbaarheid is niet nodig voor slakken van de metallurgie, gerecycleerde granulaten en fysico-chemisch behandelde gerecycleerde granulaten.

De minister kan de minimale onderdelen van het onderzoek naar reinigbaarheid bepalen.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 hoeven de materialen, vermeld in bijlage 2.2, afdeling 2, meer bepaald asfaltgranulaat, gerecycleerde bitumineuze granulaten en zeefzand van asfalt, niet te voldoen aan de totaalconcentratie voor de parameter minerale olie en gelden voor de polycyclische aromatische koolwaterstoffen de totaalconcentraties, vermeld in bijlage 2.3.2.A.

Om vast te stellen of voldaan wordt aan voormelde totaalconcentraties, wordt de pak-spraytest gebruikt. Als de pak-spraytest een gele verkleuring vertoont, wordt geacht dat er niet voldaan is aan de voormelde normen. Bij een onduidelijke verkleuring kan een bevestigingsproef met infraroodspectroscopie worden uitgevoerd. Als de infraroodspectroscopie duidelijke pieken vertoont, wordt geacht dat er niet voldaan is aan voormelde normen. Er mag kwalitatief getest worden met infraroodspectroscopie zonder voorafgaande pak-spraytest. Bij twijfel bepaalt een tegenproef met een chemische analyse op pak via GC-MS of de normen in bijlage 2.3.2.A niet zijn overschreden. Het eenheidsreglement voor gerecycleerde granulaten vermeldt de proefmethode en de conformiteitscontrole van de pak-spraytest..

§ 3. ...

Artikel 2.3.2.2. (27/08/2021- ...)

De OVAM stelt een globaal beheersysteem voor gerecycleerde granulaten vast. Dat beheersysteem bevat minstens een door de minister goed te keuren eenheidsreglement dat de voorwaarden en de procedure voor de keuring van gerecycleerde granulaten regelt.

De gerecycleerde granulaten die als grondstof worden ingezet, moeten voldoen aan de bepalingen van het eenheidsreglement. Het eenheidsreglement voor gerecycleerde granulaten wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Sorteerinrichtingen waarvan het uitgesorteerde puin na verdere bewerking bij een breker wordt afgezet als gerecycleerd granulaat, beschikken over een kwaliteitsborgingssysteem als vermeld in het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten.

De parameterlijsten uit de bijlagen, vermeld in artikel 2.3.2.1, kunnen beperkt worden tot een lijst als vermeld in het eenheidsreglement.

Artikel 2.3.2.3. (08/04/2024- ...)

...

[Onderafdeling 2.3.3. Criteria voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel (verv. BVR 2 juli 2021, art. 18, I: 27 augustus 2021)]

Artikel 2.3.3.1. (27/08/2021- ...)

De materialen, vermeld in bijlage 2.2, afdeling 1, kunnen worden beschouwd als grondstoffen, bestemd voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel, als de voorwaarden van samenstelling, namelijk de maximale gehalten aan verontreinigende stoffen, vervuld zijn. De samenstellingsvoorwaarden voor grondstoffen die 2% of meer dan 2% droge stof bevatten, zijn vermeld in bijlage 2.3.1.A. De samenstellingsvoorwaarden voor grondstoffen die minder dan 2% droge stof bevatten, zijn vermeld in bijlage 2.3.1.B.

Artikel 2.3.3.2. (01/07/2024- ...)

De behandeling van zuiveringsslib wordt uitgevoerd volgens de bepalingen, vermeld in bijlage 2.3.1.D.

Artikel 2.3.3.3. (08/04/2024- ...)

§1. Gft-compost, groencompost, boerderijcompost geproduceerd in een samenwerkingsverband zoals omschreven in artikel 3, §5, 3° van het Mestdecreet en eindmateriaal van de biologische behandeling van organisch-biologische afvalstoffen, worden geproduceerd in een vergunde inrichting voor de biologische verwerking van organisch-biologische afvalstoffen die beschikt over een keuringsattest.

§2. De biologische verwerking van organisch-biologische afvalstoffen is onderworpen aan het kwaliteitsgarantiesysteem Meststoffen-Bodemverbeterende Middelen. Het kwaliteitsgarantiesysteem heeft tot doel te garanderen dat afvalstoffen worden omgezet in kwalitatief hoogwaardige eindmaterialen voor nuttige toepassing. Het kwaliteitsgarantiesysteem wordt beheerd door de OVAM. De minister stelt het kwaliteitsgarantiesysteem vast.

§3. De inrichtingen voor de biologische verwerking van organisch-biologische afvalstoffen met het oog op de productie van bodemverbeterende middelen of meststoffen vergoeden de OVAM voor de ontwikkeling en het beheer van het kwaliteitsgarantiesysteem. De minister kan bindende voorschriften vaststellen voor de berekening van de vergoeding. Ze worden opgesteld in overleg met de betrokken partners.

§4. Het keuringsattest, vermeld in paragraaf 1, wordt afgegeven door een certificeringsinstelling overeenkomstig het kwaliteitsgarantiesysteem Meststoffen-Bodemverbeterende Middelen. Een certificeringsinstelling wordt erkend door de minister, na advies van de OVAM. De procedure is opgenomen in het Algemeen Reglement van de Certificering.

§5. De certificeringsinstellingen voeren de certificeringsactiviteiten op het terrein uit zoals beschreven in het kwaliteitsgarantiesysteem Meststoffen-Bodemverbeterende Middelen. Hun taken zijn:
1° de uitvoering en opvolging van monsternemingen, analyses en audits conform het Algemeen Reglement van de Certificering;
2° het verlenen, schorsen of intrekken van keuringsattesten conform het Algemeen Reglement van de Certificering;
3° de rapportering aan de OVAM, onder meer door:
a) een maandelijks overzicht van de verleende, geschorste of ingetrokken keuringsattesten;
b) verslagen van audits en actieplannen die opgelegd zijn naar aanleiding van non-conformiteiten bij vergunde inrichtingen voor het verwerken van organisch-biologische afvalstoffen, om hun keuringsattest te verkrijgen of te behouden;
c) jaarlijkse rapportering over de certificeringsactiviteiten.

§6. Het Algemeen Reglement van de Certificering wordt goedgekeurd bij ministerieel besluit en wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het bestaat uit een organisatorisch deel waarin voorwaarden voor de certificeringsinstellingen zijn opgenomen en uit een uitvoerend deel met voorwaarden voor de inrichtingen voor de biologische verwerking van organisch-biologische afvalstoffen.

§7. De OVAM houdt als onafhankelijk toezichtsorgaan toezicht op het kwaliteitsgarantiesysteem Meststoffen-Bodemverbeterende Middelen.

De OVAM voert onder meer de volgende taken uit:
1° toezicht houden op het Algemeen Reglement van de Certificering en op het kwaliteitsgarantiesysteem;
2° behandelen van de beroepen tegen beslissingen over de verlening, schorsing of intrekking van de keuringsattesten.

Artikel 2.3.3.4. (01/07/2024- ...)

Producenten van de volgende afvalstoffen maken een informatiefiche op: 
1° organisch-biologische afvalstoffen die door biologische verwerking worden omgevormd tot bodemverbeterende middelen of meststoffen, met uitzondering van:
a) gft-afval;
b) groenafval;
c) andere afvalstoffen die zijn ingedeeld in risicoklasse 1 van het Algemeen Reglement van de Certificering, vermeld in artikel 2.3.3.3, §6;
d) bedrijfseigen organisch-biologische afvalstoffen die op het bedrijf zelf door middel van biologische verwerking worden omgevormd tot bodemverbeterende middelen of meststoffen; 
2° materialen die rechtstreeks worden aangewend als bodemverbeterende middelen of meststoffen, waarvoor een grondstofverklaring vereist is overeenkomstig de bepalingen van artikel 2.3.1.3 of bijlage 2.2. 

De informatiefiche voor de afvalstoffen wordt herzien: 
1° overeenkomstig de frequentie, vermeld in het Algemeen Reglement van de Certificering, vermeld in artikel 2.3.3.3, §6;
2° minstens zesmaandelijks.

De minister bepaalt de minimale onderdelen van de informatiefiche. 

Afvalstoffen waarvoor de opmaak van een informatiefiche verplicht is overeenkomstig 1°, mogen enkel worden aanvaard bij biologische verwerking met het oog op de omvorming tot bodemverbeterende middelen of meststoffen, wanneer de verwerker voorafgaand aan de levering beschikt over een informatiefiche die op het moment van de levering van de afvalstof niet ouder dan 6 maanden is. 

Afvalstoffen waarvoor de opmaak van een informatiefiche verplicht is overeenkomstig 2°, mogen enkel worden toegepast wanneer de gebruiker voorafgaand bij de toepassing beschikt over een informatiefiche die op het moment van de levering van de afvalstof niet ouder dan 6 maanden is.

Een organisch-biologische afvalstof die conform het eerste lid over een informatiefiche moet beschikken, en waarvan de producent weet of redelijkerwijs kan aannemen dat ze verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage 2.3.1, kan worden omgevormd tot, of aangewend worden als, bodemverbeterend middel of meststof, op voorwaarde dat ze bij het gebruik, al dan niet voorafgegaan door omvorming, geen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid heeft. De effecten op het milieu of de menselijke gezondheid worden beoordeeld conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.

Artikel 2.3.3.5. (08/04/2024- ...)

§1. Houtsnippers mogen alleen ondergewerkt worden in landbouwgrond als die in actief gebruik is voor landbouwactiviteiten. In afwachting van het onderwerken mogen de houtsnippers op die landbouwgrond worden toegepast als bodembedekker.

§2. Met behoud van de toepassing van de samenstellingsvoorwaarden, vermeld in bijlage 2.3.1.A, moeten de houtsnippers voldoen aan de bepalingen van artikel 5.3.15.1, §1, 1°, en aan de volgende samenstellingsvoorwaarden:
1° minimaal organische stofgehalte van 80% op droge stof;
2° minimale koolstof-stikstofverhouding van 50;
3° minimale koolstof-fosforverhouding van 500. 

De conformiteit van de houtsnippers met de samenstellingsvoorwaarden van het tweede lid, 1° tot en met 3°, wordt aangetoond door een representatieve bemonstering en analyse:
- per volume van 40 kubieke meter houtsnippers bij aanbrengen op een perceel landbouwgrond met een maximale oppervlakte van 1 hectare
- per volume van 100 kubieke meter houtsnippers bij aanbrengen op een perceel landbouwgrond met een oppervlakte van meer dan 1 hectare.

In afwijking van artikel 2.3.1.3./2. §2 dienen de houtsnippers niet jaarlijks te worden geanalyseerd met het oog op de aftoetsing aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2.3.1.A.

§3. Het gebruik van houtsnippers is verboden als die zijn geproduceerd uit materialen of afvalstromen die afkomstig zijn van:
1° de aanleg en het onderhoud van tuinen, meer bepaald afval dat gras, bladeren, naalden en haagscheersel bevat;
2° recyclageparken en afvalverwerkende bedrijven, uitgezonderd de zeefoverloop groter dan 40 millimeter, van groencompostering die beschikt over een geldig keuringsattest voor groencompost overeenkomstig artikel 2.3.3.3. §1;
3° bouw- en sloopactiviteiten, verpakkingen en houtverwerkende industrie.;
4° gebieden met verontreinigde bodems, die al dan niet gesaneerd worden door middel van fytoremediatie;
5° gebieden gelegen buiten het Vlaams gewest;
6° het beheer van vegetaties en kleine landschapselementen die niet voldoen aan de maatregelen in uitvoering van artikel 13, §4 tot en met §6 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. 

§4. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op particulieren die groenafval uit het onderhoud van de eigen tuin, in hun eigen tuin terug toepassen als bodembedekker.

Onderafdeling 2.3.4. ...

Artikel 2.3.4.1. (08/04/2024- ...)

...

Onderafdeling 2.3.5. Criteria voor grondstoffen afkomstig van en bestemd voor metallurgische productieprocessen voor non-ferrometalen

Artikel 2.3.5.1. (08/04/2024- ...)

§ 1. Materialen afkomstig van metallurgische productieprocessen voor non-ferrometalen, worden beschouwd als grondstoffen als ze rechtstreeks, zonder verdere andere behandeling, worden gebruikt in een ander metallurgisch productieproces voor non-ferrometalen met toepassing van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, vermeld in hoofdstuk 3.10 van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014. De materialen worden niet als grondstoffen beschouwd als de materialen verwerkt worden in productieprocessen die niet gebruikmaken van deze beste beschikbare technieken.

De beoogde grondstoffen zijn afkomstig van en bestemd voor een metallurgisch productieproces, vermeld in bijlage 2.3.5.

De beoogde grondstoffen mogen geen verontreinigingen bevatten die niet eigen zijn aan het metallurgisch proces of gevaarlijke stoffen bevatten die niet in de samenstellingscriteria van de lijst, vermeld in paragraaf 2, zijn opgenomen.

§ 2. De minister stelt de vorm en de inhoud vast van de lijst met materialen, afkomstig van en bestemd voor metallurgische productieprocessen voor non-ferrometalen, die als grondstof kunnen worden beschouwd.

§ 3. Artikel 2.4.2.2, 2°, c) en 3°, en artikel 2.4.2.5, 3°, zijn niet van toepassing in het geval een grondstofverklaring wordt aangevraagd voor materialen afkomstig van metallurgische productieprocessen voor non-ferrometalen, die rechtstreeks, zonder verdere andere behandeling, worden gebruikt in een ander metallurgisch productieproces voor non-ferrometalen, op voorwaarde dat het specifieke productieproces waaruit het materiaal voorkomt, goed omschreven is.

Onderafdeling 2.3.6. Criteria voor grondstoffen afkomstig van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen

Artikel 2.3.6.1. (05/03/2018- ...)

§ 1. Materialen afkomstig van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen, worden beschouwd als grondstoffen als ze rechtstreeks, zonder verdere andere behandeling, worden gebruikt.

De beoogde grondstoffen zijn afkomstig van een metallurgisch productieproces en bestemd voor gebruik, vermeld in bijlage 2.3.6.

De beoogde grondstoffen mogen geen verontreinigingen bevatten die niet eigen zijn aan het metallurgisch proces of gevaarlijke stoffen bevatten die niet in de samenstellingscriteria van de lijst, vermeld in paragraaf 2, zijn opgenomen.

§ 2. De minister stelt de vorm en de inhoud vast van de lijst met materialen, afkomstig van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen, die als grondstof worden gebruikt.

§ 2/1. De producent laat het materiaal dat afkomstig is van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen en als grondstof wordt gebruikt, registreren. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket registraties op de website van de OVAM.

De OVAM stelt een register van geregistreerde materialen die afkomstig zijn van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen en als grondstof worden gebruikt, ter beschikking via haar website.

§ 3. Artikel 2.4.2.2, 2°, c) en 3°, en artikel 2.4.2.5, 3°, zijn niet van toepassing in het geval een grondstofverklaring wordt aangevraagd voor materialen afkomstig van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen, op voorwaarde dat het specifieke productieproces waaruit het materiaal voorkomt, goed omschreven is.

Artikel 2.3.6.2. (05/03/2018- ...)

§ 1. De registratie bevat de volgende gegevens:
1° de identificatiegegevens van de grondstoffenproducent: maatschappelijke naam, rechtsvorm, voor Belgische ondernemingen het ondernemingsnummer en eventueel het vestigingsnummer en voor buitenlandse ondernemingen het btw-nummer, het adres van de maatschappelijke zetel en van de exploitatiezetel, van de verantwoordelijke bij de exploitatiezetel de naam, het contactadres, het telefoonnummer, het e-mailadres en eventueel het faxnummer;
2° de identificatiegegevens van de contactpersoon: naam, contactadres, telefoonnummer en e-mailadres;
3° de identificatie van het materiaal: gebruikelijke naam, jaarlijkse hoeveelheid en de materiaalcode;
4° de beschrijving van de specifiek beoogde toepassing of het gebruik van het materiaal;
5° een verklaring dat de verstrekte gegevens correct en volledig zijn, en dat het materiaal voldoet aan de voorwaarden voor gebruik.

§ 2. De OVAM brengt de aanvrager op de hoogte van de correcte registratie via een melding in het webloket registraties van de OVAM. Zolang de aanvrager geen elektronische melding ontvangt, moet de registratie beschouwd worden als niet ingediend.

De registratie geldt voor een periode van tien jaar.

§ 3. Elke wijziging in de geregistreerde gegevens wordt elektronisch aan de OVAM meegedeeld. Daarvoor maakt de producent gebruik van het webloket registraties op de website van de OVAM. De gewijzigde gegevens worden aangepast in het register van geregistreerde materialen die afkomstig zijn van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen en als grondstof worden gebruikt.

De registratie kan niet aan derden worden doorgegeven, uitgezonderd wanneer de grondstoffenproducent wordt overgenomen.

Bij een overname van de grondstoffenproducent deelt de grondstoffenproducent de identificatiegegevens zoals vermeld in 1° en 2° van paragraaf 1 van dit artikel en een bewijs van de overname mee aan de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket registraties op de website van de OVAM. De nieuwe registratie is geldig met onmiddellijke ingang.

Bij stopzetting van het gebruik van het materiaal als grondstof kan de producent op zijn verzoek de registratie laten opheffen. De registratie als materiaal wordt dan geschrapt uit het register. De producent meldt de stopzetting elektronisch aan de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket registraties op de website van de OVAM.

§ 4. Elk misbruik van de registratie en elke overtreding van de voorwaarden voor het gebruik van het materiaal, kan leiden tot het schorsen van de registratie.

Bij vaststelling van misbruik van de registratie of van een overtreding van de voorwaarden voor het gebruik van het materiaal wordt de producent door de OVAM met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de voorgenomen beslissing tot schorsing en de motieven daarvoor. De producent beschikt over een termijn van veertien dagen na ontvangst van de beveiligde zending om zijn verweermiddelen kenbaar te maken of om aan te tonen dat zijn zaken ondertussen in orde zijn gebracht. Hij kan vragen om gehoord te worden.

De schorsing wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de producent meegedeeld, met vermelding van de motieven. Na de schorsing wordt het materiaal opgenomen in het register van geschorste registraties van materialen die afkomstig zijn van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen.

Een schorsing van de registratie van een materiaal dat afkomstig is van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen, blijft van kracht voor een termijn die afloopt samen met de einddatum van de registratie. Als door de producent intussen kan worden aangetoond dat de aanleiding tot schorsing niet meer bestaat, kan de schorsing ongedaan worden gemaakt. Tijdens de periode van de schorsing kan de producent voor dat materiaal geen nieuwe registratie verkrijgen.

Onderafdeling 2.3.7. Criteria voor grondstoffen die bestemd zijn voor gebruik als blendcomponent in scheepsbrandstof

Artikel 2.3.7.1. (08/04/2024- ...)

Opgewerkte afvalolie en opgewerkte brandstofresten die als  blendcomponent in scheepsbrandstof ingezet worden, moeten voldoen aan de bepalingen van deze onderafdeling. 

Artikel 2.3.7.2. (08/04/2024- ...)

Afvalolie en brandstofresten kunnen opgewerkt worden tot blendcomponent voor scheepsbrandstof op voorwaarde dat het totale PCB-gehalte lager is dan 50 ppm.

Artikel 2.3.7.3. (08/04/2024- ...)

§1. Het opwerkingsproces bevat minstens de volgende drie processtappen: 
1° filtratie; 
2° ontwatering; 
3° destillatie om de bitumineuze fractie af te scheiden van de brandstoffractie, waarbij de beoogde grondstof het destillaat is van het destillatieproces of een gelijkwaardige techniek waarvan wordt aangetoond dat ze toelaat de samenstellingsvoorwaarden uit artikel 2.3.7.4 te behalen.  

§2. Van punt 1° en 2°, vermeld in paragraaf 1, kan afgeweken worden als uit analyses blijkt dat ze geen meerwaarde hebben om aan de samenstellingsvoorwaarden te voldoen.

Artikel 2.3.7.4. (08/04/2024- ...)

De opgewerkte afvalolie en opgewerkte brandstofresten moeten minstens voldoen aan de samenstellingsvoorwaarden, vermeld in bijlage 2.3.3.

Afdeling 2.4. Grondstofverklaring

Onderafdeling 2.4.1. Algemene bepalingen

Artikel 2.4.1.1. (01/06/2012- ...)

Bij de beoordeling of een materiaal kan worden aangemerkt als grondstof, toetst de OVAM het betreffende materiaal aan de definitie van een afvalstof als vermeld in artikel 3,1°, van het Materialendecreet, en houdt daarbij rekening met de elementen, vermeld in artikel 36, 37 en 39 van voormeld decreet.

Het gebruik van de betreffende materialen betekent niet dat de prioriteitsvolgorde, vermeld in artikel 4, § 3, van het Materialendecreet, wordt verlaten, onverminderd de mogelijkheid tot afwijking hiervan, zoals bepaald in artikel 8, § 1, van voormeld decreet.

Artikel 2.4.1.2. (05/03/2018- ...)

In een grondstofverklaring kunnen bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Die voorwaarden kunnen onder meer betrekking hebben op de herkomst van het materiaal, de manier waarop het is ingezameld, geproduceerd of verwerkt, de aard en samenstelling van het materiaal, de grenswaarden voor verontreinigende stoffen, de toegelaten toepassing, de toegelaten wijze van aanwending en de aanwezigheid van een kwaliteitsborgingssysteem als vermeld in afdeling 2.5.

Artikel 2.4.1.3. (27/08/2021- ...)

Een grondstofverklaring wordt alleen afgegeven voor een specifiek materiaal dat wordt geproduceerd door een specifieke producent of dat voortkomt uit een specifiek productieproces, en waarvoor een specifieke toepassing wordt beoogd.

Onderafdeling 2.4.2. Aanvraagprocedure voor een grondstofverklaring

Artikel 2.4.2.1. (08/04/2024- ...)

De producent van de beoogde grondstof of de persoon die in zijn naam optreedt, dient een elektronische aanvraag tot het verkrijgen van een grondstofverklaring in bij de OVAM. Voor die elektronische aanvraag stelt de OVAM een webloket voor grondstofverklaringen ter beschikking via de website van de OVAM.

Een beoogde grondstof waarvoor op het moment van de aanvraag nog niet kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan de dwingende samenstellingsvoorwaarden van de toepassing omdat de concrete toepassing ervan nog niet operationeel is, kan, als het een aanvraag van de initiële grondstofproducent betreft, toch als grondstof worden toegelaten. Op basis van laboratoriumonderzoek moet worden aangetoond dat voldaan kan worden aan de samenstellingsvoorwaarden van de toepassing.

Artikel 2.4.2.2. (01/07/2024- 28/03/2025)

De aanvraag bevat de volgende documenten en gegevens, voor zover ze nog niet aan de OVAM zijn bezorgd :
1° het gewenste gebruik van het materiaal als grondstof;
2° de identificatiegegevens van de aanvrager :
a) ...;
b) de maatschappelijke naam, de rechtsvorm, het ondernemingsnummer, het adres van de maatschappelijke zetel, de naam en het contactadres van de verantwoordelijke, het telefoonnummer, het e-mailadres en eventueel het faxnummer;
c) de relatie ten opzichte van de grondstoffenproducent onder punt 3° ;
3° de identificatiegegevens van de grondstoffenproducent :
a) ...;
b) de maatschappelijke naam, de rechtsvorm, het ondernemingsnummer, het adres van de maatschappelijke zetel, de naam en het contactadres van de verantwoordelijke, het telefoonnummer, het e-mailadres en eventueel het faxnummer;
4° de identificatie van het materiaal : gebruikelijke naam, jaarlijkse hoeveelheid en de EURAL-code van het materiaal, vermeld in bijlage 2.1;
5° een overzicht van het productieproces met beschrijving van de gebruikte inputstromen en de stappen waarbij het materiaal vrijkomt, indien van toepassing;
6° een kopie van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor het proces waaruit het materiaal vrijkomt, indien van toepassing;
7° voor aanvragen voor grondstofverklaring die worden opgelegd in afdeling 2.3:
a) staving dat het materiaal voldoet aan de toepasselijke specifieke criteria uit afdeling 2.3;
b) motivatie waarom het gebruik van de grondstof in de toepassing over het geheel genomen geen ongunstige effecten heeft op mens en leefmilieu;
c) indien van toepassing, een monsternemings- en analyseverslag van een representatief monster van het materiaal, opgesteld door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL. Het aantal monsters en analyses is afhankelijk van de verwachte spreiding van de samenstelling. De analyseverslagen tonen aan dat de grondstof voldoet aan de voorwaarden voor het aanwendingsgebied in kwestie. Die analysegegevens worden bijgehouden op een elektronische drager met het oog op een eenvoudige uitwisseling tussen de OVAM en de aanvrager. De technische specificaties waaraan de analysegegevens moeten voldoen, en de technische specificaties in verband met de uitwisseling van gegevens op verzoek van de OVAM worden opgenomen in een standaardprocedure, vastgesteld door de minister;
d) voor bouwstoffen wordt de uitloogbaarheidstest uitgevoerd op het monster met de hoogste verontreiniging aan metalen. Als een materiaal maar een deel van de massa van de bouwstof uitmaakt, wordt een bijkomend monsternemings- en analyseverslag van het eindproduct opgesteld. Het aantal te onderzoeken eindproducten is afhankelijk van de verwachte spreiding van het gehalte aan de grondstof in het eindproduct. De uitloogbaarheidstesten worden uitgevoerd op het eindproduct met het hoogste gehalte aan grondstof met de hoogste verontreiniging aan metalen;
e) de producent motiveert niet te beschikken over aanwijzingen of informatie van de aanwezigheid van andere niet-genormeerde parameters die ongunstige effecten hebben op het milieu en de menselijke gezondheid. Hij beperkt zich hierbij tot de aanwezigheid van stoffen vermeld in de kandidaatslijst, autorisatielijst of restrictielijst van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen, of stoffen vermeld in bijlage I van de Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen.
7° /1 voor aanvragen voor grondstofverklaring van materialen die vallen onder afdeling 2.6:
a) voor materialen die vallen onder artikel 2.6.2, lid 1: motivatie waarom het gebruik van het materiaal voldoet aan de voorwaarden uit artikel 36 van het Materialendecreet;
b) voor materialen die vallen onder artikel 2.6.3, lid 1: motivatie waarom het gebruik van het materiaal voldoet aan de voorwaarden uit artikel 37 van het Materialendecreet;
8° een beschrijving van de specifiek beoogde toepassing of het gebruik van het materiaal, en de staving ervan door middel van rapporten;
9° een verklaring dat de verstrekte gegevens correct en volledig zijn.

Een verslag van de monsterneming van een representatief monster van het materiaal, uitgevoerd en opgesteld onder leiding van een erkende bodemsaneringsdeskundige in het kader van de taken, vermeld in artikel 6, 6°, van het VLAREL van 19 november 2010, wordt ook aanvaard als een monsternemingsverslag als vermeld in het eerste lid, 7°.

Voor gebruik als bouwstof bevat de aanvraag bijkomend de volgende documenten en gegevens, als ze nog niet aan de OVAM zijn bezorgd:
1° een document dat aantoont dat de beoogde grondstof voldoet aan de definitie bouwstof en dat de beoogde grondstof geschikt is om in de beoogde toepassing te worden ingezet;
2° ...;
3° een specifieke omschrijving van de toepassing waarin de bouwstof gebruikt zal worden, en de kwalitatieve bijdrage van de bouwstof tot de functionaliteit van die toepassing;
4° een motivatie dat, nadat het materiaal of de toepassing zijn functie heeft vervuld, de bouwstof of de toepassing waarin de bouwstof zal worden ingezet, na een eventuele verwerking opnieuw ingezet kan worden in de materialenkringloop.

Artikel 2.4.2.3. (08/04/2024- ...)

§ 1. De OVAM brengt de aanvrager op de hoogte van de ontvangst van de aanvraag door een elektronische melding in het webloket voor grondstofverklaringen. Zolang de aanvrager geen elektronische ontvangstmelding ontvangt, moet de aanvraag beschouwd worden als niet ingediend.

§ 2. De OVAM verleent of weigert een grondstofverklaring bij beslissing en brengt de aanvrager daarvan op de hoogte via een elektronische melding. Voor aanvragen die worden opgelegd in afdeling 2.3 valt de beslissing uiterlijk dertig kalenderdagen na de ontvangstdatum van de aanvraag. Voor aanvragen die vallen onder afdeling 2.6 valt de beslissing uiterlijk zestig kalenderdagen na de ontvangstdatum van de aanvraag. De behandeltermijn start op de eerstvolgende werkdag. In de grondstofverklaring kan een beperkte geldigheidstermijn worden opgenomen..

§ 3. Als de OVAM bij de behandeling van de aanvraag, vermeld in paragraaf 2, om aanvullingen verzoekt, wordt de termijn van de behandeling, vermeld in paragraaf 2, geschorst vanaf de verzending van dat verzoek en begint die opnieuw te lopen op de eerstvolgende werkdag vanaf de ontvangst van de aanvullingen. Als de aanvrager nalaat om de aanvullingen binnen een termijn van negentig kalenderdagen aan de OVAM te bezorgen, wordt de aanvraagprocedure door de OVAM stopgezet en brengt de OVAM de aanvrager hiervan op de hoogte via een elektronische melding. De voormelde termijn van negentig kalenderdagen kan in overleg tussen de aanvrager en de OVAM verlengd worden.

Voor de verzending van het verzoek tot aanvullingen door de OVAM en het ontvangen van de aanvullingen stelt de OVAM een webloket voor grondstofverklaringen ter beschikking via de website van de OVAM. De OVAM stuurt een elektronische ontvangstmelding van de aanvullingen naar de aanvrager.

De OVAM kan advies inwinnen bij een derde partij. Ze doet dat uiterlijk binnen veertien kalenderdagen nadat ze de aanvraag heeft ontvangen, en ze brengt de aanvrager daarvan op de hoogte. 

Als de OVAM bij de behandeling van de aanvraag een derde partij om advies verzoekt, wordt de termijn van de behandeling, vermeld in paragraaf 2, geschorst vanaf de verzending van dat verzoek en begint die opnieuw te lopen op de eerstvolgende werkdag vanaf de ontvangst van het advies of, na dertig kalenderdagen vanaf de verzending van het verzoek.

Na een weigering van een grondstofverklaring wordt een nieuwe aanvraag door de OVAM alleen behandeld als de aanvrager elementen kan aandragen die een nieuwe aanvraag rechtvaardigen.

§ 4. Een grondstofverklaring kan niet aan derden worden doorgegeven, uitgezonderd wanneer de grondstoffenproducent wordt overgenomen.

Bij een overname van de grondstoffenproducent of de houder van de grondstofverklaring deelt de houder van de grondstofverklaring de identificatiegegevens zoals vermeld in 2° en 3° van artikel 2.4.2.2 en een bewijs van de overname mee aan de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket voor grondstofverklaringen op de website van de OVAM. De nieuwe grondstofverklaring op naam van de overnemer is geldig met onmiddellijke ingang.

Bij stopzetting van de activiteiten kan de houder van een grondstofverklaring op zijn verzoek de grondstofverklaring laten opheffen. De grondstofverklaring wordt dan geschrapt uit het register van verleende grondstofverklaringen. De houder van een grondstofverklaring meldt de stopzetting van de activiteiten elektronisch aan de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket voor grondstofverklaringen van de OVAM op de website van de OVAM.

De OVAM stuurt een elektronische ontvangstmelding van de aanvraag tot opheffing en een elektronische melding van de opheffing.

§5. De grondstofverklaring vervalt van rechtswege in de volgende gevallen: 
1° de productie van de materialen die het onderwerp uitmaken van de grondstofverklaring, start niet binnen vijf jaar nadat de grondstofverklaring verleend is;
2° de productie van de materialen die het onderwerp uitmaken van de grondstofverklaring, wordt meer dan vijf opeenvolgende jaren onderbroken.

De OVAM stuurt een elektronische melding van het verval van rechtswege van de grondstofverklaring naar de houder.

§6. Nadat de houder van de grondstofverklaring gehoord is, kan de OVAM de grondstofverklaring gemotiveerd aanpassen op basis van:
1° nieuwe wetenschappelijke kennis over de ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid van de materialen die het voorwerp uitmaken van de grondstofverklaring;
2° vaststellingen op het terrein die wijzen op verhoogde ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid door het gebruik van de materialen die het voorwerp uitmaken van de grondstofverklaring.

Tegen de gemotiveerde beslissing van de OVAM kan beroep worden ingesteld op de wijze, vermeld in artikel 2.4.2.4.

 

Artikel 2.4.2.4. (17/06/2019- ...)

Tegen de beslissing van de OVAM kan beroep worden ingesteld bij de minister, die uitspraak doet binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroepsschrift.

Het beroep wordt met een beveiligde zending ingediend binnen een termijn van dertig dagen na verzending van de bestreden beslissing.

Het beroep is met redenen omkleed en gaat in op de specifieke elementen van de beslissing.

De minister doet uitspraak door middel van een gemotiveerde beoordeling van de aanspraken en bezwaren geformuleerd door de indiener(s) van het beroep en houdt daarbij rekening met de definitie van een afvalstof als vermeld in artikel 3,1° van het Materialendecreet, evenals met de elementen, vermeld in artikelen 36, 37 en 39 van voormeld decreet, en de prioriteitsvolgorde, vermeld in artikel 4, § 3, van voormeld decreet, onverminderd de mogelijkheid tot afwijking hiervan, zoals bepaald in artikel 8, § 1, van voormeld decreet.

Artikel 2.4.2.5. (08/04/2024- ...)

De grondstofverklaring bevat de volgende gegevens :
1° het dossiernummer;
2° de identificatie van de aanvrager;
3° de identificatie van de grondstoffenproducent;
4° de naam van de grondstof en de beschrijving van het productieproces waaruit het oorspronkelijke materiaal is ontstaan;
5° de beoogde toepassing van de grondstof;
6° de voorwaarden voor het gebruik;
7° de geldigheidstermijn.

Artikel 2.4.2.6. (05/03/2018- 28/03/2025)

Tijdens het transport en de opslag van grondstoffen wordt door de houder van de grondstoffen, op verzoek, een bewijs van de grondstofverklaring voorgelegd aan de toezichthouder.

In de grondstofverklaring kan afgeweken worden van de verplichting, vermeld in het eerste lid.

De grondstofverklaringen zijn beschikbaar in het webloket voor grondstofverklaringen op de website van de OVAM en in het online register, vermeld in artikel 2.4.3.2.

Onderafdeling 2.4.3. Opheffing van de grondstofverklaring

Artikel 2.4.3.1. (08/04/2024- ...)

§ 1. De OVAM kan de grondstofverklaring opheffen als :
1° de toezichthouder of de OVAM vaststelt, rekening houdend met alle systematische en toevallige fouten van de monsterneming en de analyse, dat de samenstelling van het materiaal niet voldoet aan de toepasselijke voorwaarden van dit besluit;
2° er zich wijzigingen voordoen aan onder meer het productieproces, de behandeling voor nuttige toepassing of de toepassing van het betreffende materiaal, waardoor het materiaal niet meer voldoet aan de voorwaarden van dit besluit.
3° het gebruik van de grondstof niet in overeenstemming is met de grondstofverklaring;
4° de grondstoffenproducent of in afwijking daarvan, de persoon die in zijn naam optreedt, niet voldoet aan de verplichtingen, vermeld in artikel 2.3.1.3/2;
5° in het aanvraagdossier van de grondstofverklaring inhoudelijk foutieve gegevens worden vermeld die bepalend waren voor de aflevering van de grondstofverklaring;
6° nieuwe wetenschappelijke kennis over de ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid van de materialen die het voorwerp uitmaken van de grondstofverklaring, of vaststellingen op het terrein wijzen op verhoogde ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid door het gebruik van de materialen die het voorwerp uitmaken van de grondstofverklaring.

De OVAM brengt de houder van de grondstofverklaring met een beveiligde zending op de hoogte van het voornemen tot opheffing.

§ 2. Vanaf de ontvangst van de brief met het voornemen tot opheffing beschikt de houder van de grondstofverklaring over dertig kalenderdagen om zijn verweermiddelen in een beveiligde zending aan de OVAM te sturen.

Bij overschrijding van de termijn of bij ontoereikende verweermiddelen heft de OVAM de grondstofverklaring op. Ze doet dat binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van de verweermiddelen of het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid. De OVAM brengt de houder van de grondstofverklaring op de hoogte van die beslissing met een beveiligde zending.

Het voornemen tot opheffing kan worden beschouwd als ingetrokken, als de OVAM uiterlijk binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van de verweermiddelen een beslissing tot intrekking heeft gestuurd naar de houder van de grondstofverklaring, of bij het verstrijken van die termijn. Als de OVAM na ontvangst van de verweermiddelen om bijkomende informatie verzoekt, wordt de termijn vermeld in dit lid geschorst vanaf de verzending van het verzoek en begint die opnieuw te lopen op de eerstvolgende werkdag vanaf de ontvangst van de bijkomende informatie.

Bijkomende informatie moet binnen een termijn van zestig kalenderdagen aan de OVAM worden bezorgd tenzij anders bepaald in de vraag om bijkomende informatie. Als de OVAM die bijkomende informatie niet tijdig ontvangt, wordt de grondstofverklaring opgeheven.

Tegen de beslissing van opheffing kan beroep worden ingesteld bij de minister, met inachtneming van de termijnen, vermeld in artikel 2.4.2.4.

Artikel 2.4.3.2. (01/06/2012- ...)

De OVAM stelt een register met de verleende en opgeheven grondstofverklaringen ter beschikking via haar website.

[Afdeling 2.5. Kwaliteitsborgingssysteem en traceringssysteem (ing. BVR 22 december 2017, art. 14, I: op een door de Vlaamse minister voor leefmilieu en waterbeleid te bepalen datum)]

[Onderafdeling 2.5.1. Kwaliteitsborgingssysteem (ing. BVR 22 december 2017, art. 14, I: op een door de Vlaamse minister voor leefmilieu en waterbeleid te bepalen datum)]

Artikel 2.5.1.1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door de minister- ...)

§ 1. Het kwaliteitsborgingssysteem heeft tot doel de garantie te bieden dat de milieuhygiënische kwaliteit van de grondstoffen in overeenstemming is met de bepalingen van dit besluit en in voorkomend geval met de voorwaarden, vermeld in de grondstofverklaring.

§ 2. Een kwaliteitsborgingssysteem is verplicht bij de productie van de volgende grondstoffen:
1° de grondstoffen bestemd voor gebruik als bouwstof afkomstig van de behandeling van afvalstoffen, waarbij de milieukwaliteit van de grondstoffen variabel is en bijkomende maatregelen nodig zijn om de conformiteit met de opgelegde normen op te volgen. Het kwaliteitsborgingssysteem wordt opgelegd in de grondstofverklaring;
2° de grondstoffen waarbij de milieukwaliteit variabel is en bijkomende maatregelen nodig zijn om de conformiteit met de opgelegde normen op te volgen en waarbij een kwaliteitsborgingssysteem is opgelegd in de grondstofverklaring.

Artikel 2.5.1.2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door de minister- ...)

§ 1. Het kwaliteitsborgingssysteem bestaat uit een zelfcontrole door de producent van de grondstof en een externe controle daarvan door een certificatie-instelling.

§ 2. De zelfcontrole heeft als doel de conformiteit van de grondstof met de opgelegde normen te waarborgen. De zelfcontrole regelt minstens de volgende aspecten:
1° de acceptatiecriteria en de acceptatieprocedure die aangeven hoe de aard, de samenstelling en de verpakking van de geaccepteerde inputmaterialen worden beoordeeld en bijgestuurd als dat nodig is;
2° de monitoring van het proces waaruit de grondstof voortkomt. Elke wijziging in het productieproces wordt aan de OVAM en de certificatie-instelling gemeld als de wijziging van het productieproces een impact heeft op de aard en de samenstelling van de grondstof;
3° de monitoring van de grondstof. De producent stelt minstens een controleschema op dat de conformiteit van de grondstof en desgevallend van de mengsels die hij daarmee aanmaakt met de wetgeving en, als dat van toepassing is, met de voorwaarden, vermeld in de grondstofverklaring, doorlopend moet verzekeren. Het controleschema moet afgestemd zijn op de potentiële milieurisico's bij het gebruik van de grondstof. De producent brengt de toezichthouder en de certificatie-instelling op de hoogte van iedere vastgestelde non-conformiteit. Monsternemingen en analyses worden op een deskundige wijze uitgevoerd. Als in de grondstofverklaring gebruiksvoorwaarden zijn opgelegd, geeft de producent aan hoe hij de gebruiker op de hoogte zal brengen van die verplichtingen;
4° de maatregelen voor het voorraadbeheer en de opmaak en de inhoud van de afleveringsbonnen voor de afvoer van de grondstof;
5° de opleiding van het personeel, met minstens een beschrijving van de wijze waarop de medewerkers worden opgeleid, bevoegd verklaard en bijgeschoold;
6° de werkmethode die aangeeft op welke manier het materialenregister wordt bijgehouden, welke data dat register bevat en waar het register ter inzage ligt. Alle acties, behandelingen, monsternemingen, analyses en controles worden geregistreerd in werkboeken. De resultaten worden geregistreerd in controleregisters;
7° voor elk onderdeel van het proces van zelfcontrole een oplijsting van de bevoegdheden en verantwoordelijken.

De grondstoffenproducent kan voor de zelfcontrole gebruikmaken van andere auditsystemen als ze dezelfde kwaliteitsborging garanderen als het kwaliteitsborgingssysteem als vermeld in deze afdeling.

De minister bepaalt de vereisten waaraan de zelfcontrole moet voldoen.

§ 3. De externe controle heeft tot doel de zelfcontrole van de producent te verifiëren en, een certificaat voor de grondstof af te leveren. Ze bestaat minstens uit controlebezoeken en de uitvoering van controleproeven volgens welbepaalde controleschema's.

Als de grondstoffenproducent voor de zelfcontrole gebruikmaakt van andere auditsystemen, verifieert de certificatie-instelling de evenwaardigheid ervan.

De certificatie-instelling verleent een certificaat per grondstof en per productie-eenheid.

Door het certificaat te verlenen, verklaart de certificatie-instelling dat de conformiteit van de gecertificeerde grondstof regelmatig wordt nagegaan en dat de producent in staat is om op basis van zijn zelfcontrole de conformiteit van zijn grondstof te waarborgen.

De externe controle wordt uitgevoerd door een certificatie-instellingr geaccrediteerd door BELAC of door een ander lid van de European co-operation for Accreditation. De accreditatie heeft betrekking op de werking en de structuur van de certificatie-instelling.

Grondstoffen, afkomstig van de behandeling van afvalstoffen, die als bouwstof niet vermarkt worden, worden vrijgesteld van de bepalingen van dit artikel. Voor deze grondstoffen garandeert de producent een gelijk niveau van milieubescherming.

De certificatie-instelling moet onafhankelijk, onpartijdig en deskundig zijn.

De minister bepaalt de voorwaarden waaraan de certificatie-instelling moet voldoen, en op welke wijze de externe controle die ze uitvoert, moet uitgevoerd worden.

Artikel 2.5.1.3.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door de minister- ...)

De resultaten van de externe controle, vermeld in artikel 2.5.1.2, paragraaf 3, moeten op een elektronische drager in een leesbare en verstaanbare vorm bijgehouden worden.

De certificatie-instelling, vermeld in paragraaf 3, valideert de data, vermeld in het eerste lid, en laadt ze op in de databank voor de monitoring van grondstoffen die beheerd wordt door de OVAM. In de databank worden minstens de monsternemingsverslagen en de analyseverslagen van de externe controleproeven opgenomen. De OVAM bepaalt nader hoe de data gevalideerd worden, welke data in de databank moeten worden opgenomen, het formaat van de data en het tijdstip waarop dat moet gebeuren.

Artikel 2.5.1.4.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door de minister- ...)

De certificatie-instelling, vermeld in artikel 2.5.1.2 paragraaf 3, stelt jaarlijks per producent een overzichtstabel op van de gecertificeerde grondstoffen.

De certificatie-instelling, vermeld in artikel 2.5.1.2, § 3, houdt per gecertificeerde grondstof een overzicht bij en geeft daarbij de gecertificeerde hoeveelheden aan die door de bedrijven worden aangeboden. De lijst wordt digitaal ter beschikking gesteld aan de OVAM. De certificatie-instellingen bezorgen ieder jaar, vóór 15 maart, een dergelijk overzicht van het afgelopen jaar aan de OVAM. De OVAM en de toezichthouder kunnen bijkomende informatie opvragen bij de certificatie-instelling.

[Onderafdeling 2.5.2. Traceringssysteem (ing. BVR 22 december 2017, art. 14, I: op een door de Vlaamse minister voor leefmilieu en waterbeleid te bepalen datum)]

Artikel 2.5.2.1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door de minister- ...)

§ 1. Het traceringssysteem heeft tot doel de garantie te bieden dat een grondstof met gebruiksbeperkingen, zoals bepaald in paragraaf 2 van dit artikel, vermeld in de grondstofverklaring steeds toegepast wordt met dezelfde gebruiksbeperkingen.

§ 2. Het traceringssysteem is verplicht bij het gebruik van de volgende grondstoffen:
1° de grondstoffen bestemd voor gebruik als vormgegeven bouwstof waarvoor de uitloging van de gebroken vormgegeven bouwstof niet voldoet aan de normen. Het traceringssysteem wordt opgelegd in de grondstofverklaring;
2° de grondstoffen waarvoor omwille van de gebruiksbeperkingen een traceringssysteem in de grondstofverklaring wordt opgelegd.

Artikel 2.5.2.2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door de minister- ...)

De toegepaste tracering, vermeld in artikel 2.5.2.1, paragraaf 2, wordt vanaf de productie tot aan het gebruik ervan in een werk uitgevoerd door een derde partij die onafhankelijk opereert van de individuele actoren die bij de grondstofstromen betrokken zijn. De derde partij moet onafhankelijk, onpartijdig en deskundig zijn. De minister duidt deze derde partij aan.

De tracering van de betreffende grondstoffen moet aangetoond worden. Het traceringssysteem houdt in dat de derde partij een digitaal register bijhoudt van het gebruik van de grondstoffen. De toezichthouder en de OVAM hebben toegang tot deze registers.

De minister bepaalt de voorwaarden waaraan zowel de tracering als de voor tracering aan te duiden derde partij moeten voldoen en werkt deze uit in een standaardprocedure.

[Afdeling 2.6. Materialen waarvoor geen Europese criteria en geen specifieke criteria bestaan (ing. BVR 2 juli 2021, art. 23, I: 27 augustus 2021)]

Artikel 2.6.1. (27/08/2021- ...)

Materialen waarvoor geen Europese criteria en geen specifieke criteria bestaan kunnen pas als grondstof worden beschouwd wanneer ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 36 of 37 van het Materialendecreet.

Artikel 2.6.2. (27/08/2021- ...)

Afvalstoffen worden niet langer als afvalstoffen beschouwd als ze een behandeling voor recyclage of nuttige toepassing hebben ondergaan en voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 36 van het Materialendecreet.

De houder van het materiaal beslist op basis van een zelfbeoordeling of aan de bepalingen, vermeld in het eerste lid, is voldaan.

Artikel 2.6.3. (27/08/2021- ...)

Een stof die of een voorwerp dat het resultaat is van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stof of dat voorwerp, kan alleen als bijproduct en niet als afvalstof worden aangemerkt, als wordt voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 37 van het Materialendecreet.

De houder van het materiaal beslist op basis van een zelfbeoordeling of aan de bepalingen, vermeld in het eerste lid, is voldaan.

Artikel 2.6.4. (08/04/2024- ...)

De zelfbeoordeling, vermeld in artikel 2.6.2 en 2.6.3, gebeurt op basis van de handleiding die de OVAM publiceert op haar website. Een kopie van de zelfbeoordeling wordt ter beschikking gehouden van de OVAM en de toezichthoudende overheid.

Het transport en de opslag van grondstoffen die op basis van een zelfbeoordeling als vermeld in het eerste lid, als een grondstof worden beschouwd, gaan altijd vergezeld van een verklaring opgesteld door de houder van de grondstoffen, die het grondstofstatuut op basis van een zelfbeoordeling bevestigt.

De verklaring, vermeld in het tweede lid, bevat minstens de volgende informatie:
1° de adresgegevens en de contactpersoon van het terugwinningsbedrijf of producent;
2° de adresgegevens en de contactpersoon van het bedrijf dat de zelfbeoordeling heeft uitgevoerd;
3° een beschrijving van de einde-afvalstof of bijproduct;
4° een bevestiging dat de einde-afvalstof of bijproduct voldoet aan de voorwaarden voor einde-afval of bijproduct en op welke inrichting de zelfbeoordeling ter inzage wordt gehouden;
5° het specifiek gebruik waarvoor de einde-afvalstof of bijproduct geschikt is;
6° bij grensoverschrijdend transport: een bevestiging dat het materiaal in land van herkomst en in land van bestemming een einde-afval of bijproductstatus heeft.

Artikel 2.6.5. (08/04/2024- ...)

Bij twijfel kan een grondstofverklaring worden aangevraagd bij de OVAM. Het aanvragen van een grondstofverklaring kan geëist worden door de OVAM of de toezichthoudende overheid. Een grondstofverklaring is altijd verplicht bij het gebruik van materialen als brandstof en bij het gebruik van teruggewonnen grondstoffen van de recyclage van wegwerpluiers.

Een grondstofverklaring wordt afgegeven volgens de procedure, vermeld in afdeling 2.4. Wanneer de OVAM of een toezichthoudende overheid een grondstofverklaring eist, wordt in afwachting van het verkrijgen van de grondstofverklaring het materiaal dat het voorwerp uitmaakt van de zelfbeoordeling als afval beschouwd.

HOOFDSTUK 3. Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

Afdeling 3.1. Algemene bepalingen

Artikel 3.1.1. (08/04/2024- ...)

§ 1. Overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Materialendecreet worden de volgende afvalstoffen aangewezen als afvalstoffen waarvoor een vorm van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid geldt :
1° drukwerkafval;
2° afgedankte voertuigen;
3° afvalbanden;
4° afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
5° afgedankte batterijen en accu's;
6° afvalolie als vermeld in bijlage 3.4.6;
7° oude en vervallen geneesmiddelen;
8° afgedankte matrassen;
9° kunststofhoudend vistuigafval;
10° ...;
11° zwerfvuil;
12° ...;
13° gebruikte wegwerpluiers;
14° gebruikte vezelcementen bouwmaterialen.

De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, wordt bepaald in afdeling 3.4.

§ 2. Er kan een vrijwillige terugname georganiseerd worden voor huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen.

De wijze waarop invulling wordt gegeven aan die vorm van vrijwillige terugname, wordt bepaald in afdeling 3.5.

Artikel 3.1.2. (01/06/2012- ...)

Alle verplichtingen en kosten voor de natuurlijke personen en rechtspersonen die aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen zijn, gelden vanaf de datum van de invoering van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.

Afdeling 3.2. Aanvaardingsplicht

Onderafdeling 3.2.1. Algemene bepalingen

Artikel 3.2.1.1. (27/08/2021- ...)

§ 1. De aanvaardingsplicht is een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid als vermeld in artikel 21, § 1 en artikel 21/1 van het Materialendecreet.

§ 1/1. De aanvaardingsplicht voor de eindverkoper houdt in dat hij, als een consument een product aanschaft, verplicht is het overeenstemmende product waarvan de consument zich ontdoet, gratis in ontvangst te nemen. De tussenhandelaars zijn verplicht de door de eindverkopers in ontvangst genomen afvalstoffen gratis te aanvaarden, in verhouding tot de door hen aan de eindverkopers gedane leveringen van producten. De producenten zijn verplicht de door de eindverkopers of door de tussenhandelaars in ontvangst genomen afvalstoffen gratis te aanvaarden en te zorgen voor de nuttige toepassing of de verwijdering ervan, in verhouding tot de door hen aan de eindverkopers of tussenhandelaars gedane leveringen van producten.

De verplichting, vermeld in het eerste lid, geldt ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van verkoop op afstand.

De modaliteiten voor het terugnemen van afgedankte producten in het kader van een verkoop op afstand, dienen voor het sluiten van de koopovereenkomst meegedeeld te worden aan de koper.

§ 2. De eindverkoper, tussenhandelaar en producent moeten de afvalstoffen waarvoor een aanvaardingsplicht geldt, gratis in ontvangst nemen, zelfs als de consument geen vervangende producten aanschaft.

In de aanvaardingsplichtconvenant of in het individuele aanvaardingsplichtplan kan echter van die plicht worden afgeweken :
1° voor huishoudelijke afvalstoffen : als de producenten de gratis inontvangstneming organiseren op de recyclageparken of op andere inzamelpunten met vergelijkbare geografische spreiding en dekking;
2° voor bedrijfsafvalstoffen : als de producenten de gratis inontvangstneming organiseren op een wijze die rekening houdt met de specificiteit van de producten en voldoende garanties biedt voor een milieuverantwoorde behandeling.

§ 3. Tenzij anders is vermeld in de afdelingen 3.3 en 3.4, worden de huishoudelijke afvalstoffen ingezameld in samenwerking met de gemeenten.

De producenten dragen in het geval, vermeld in het eerste lid, de nettokosten ten laste voor de inzameling en scheiding van de afvalstoffen die onderworpen zijn aan de aanvaardingsplicht en die werden ingezameld via de gemeentelijke inzamelkanalen. De vergoeding van de nettokosten wordt onderling afgesproken. Als geen akkoord wordt bereikt, kan de minister, na advies van de OVAM, bindende voorschriften vaststellen voor de aanrekening van die kosten. Die voorschriften bevatten onder meer een lijst van te vergoeden kosten. Ze worden opgesteld in overleg met de betrokken partners.

Om recht te hebben op de vergoeding, vermeld in het tweede lid, moet de inzameling gratis zijn voor de consument.

§ 4. De aanvaarding van afvalstoffen, vermeld in paragrafen 1, 2 en 3, is gratis op voorwaarde dat ze geen afvalstoffen bevatten die vreemd zijn aan het afgedankte product, tenzij die er door normaal gebruik in aanwezig kunnen zijn.

Zolang niet aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan, kan de aanvaarding geweigerd worden.

§ 4/1. De producent waarvoor de aanvaardingsplicht geldt, kan bijkomende inzamelkanalen opzetten voor de afvalstoffen waarop de aanvaardingsplicht van toepassing is. De producenten kunnen daarbij een beroep doen op derden om bepaalde taken uit te voeren.

De inzamelkanalen, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° de afvalstoffen worden opgeslagen zonder schade of verontreiniging van mens, milieu of directe omgeving;
2° bij de opslag wordt gezorgd voor een georganiseerde regelmatige afvoer van de afvalstoffen;
3° de afvalstoffen worden ingezameld conform de wettelijke bepalingen;
4° het inzamelsysteem draagt bij tot een duurzaam materialenbeheer;
5° een zekere continuïteit van de inzameling wordt gegarandeerd.

De inzamelkanalen, vermeld in het eerste lid, worden goedgekeurd door de OVAM. Een schriftelijke beschrijving van het inzamelsysteem, de inzamelpunten, de deelnemende actoren en hun verantwoordelijkheden wordt aan de OVAM voorgelegd. De OVAM heeft 30 dagen de tijd om dergelijke inzamelkanalen al dan niet goed te keuren. Als de OVAM om aanvullende informatie verzoekt, kan de termijn maximaal met één maand worden verlengd. Die termijn gaat in vanaf de datum van de ontvangst van alle opgevraagde informatie.

De producent informeert de gemeenten en intercommunales:
1° over elke goedkeuring van een inzamelkanaal dat actief is op hun grondgebied;
2° jaarlijks over de hoeveelheid afvalstoffen die de inzamelkanalen hebben ingezameld en de wijze van verwerking.

§ 5. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon is verantwoordelijk voor de financiering van de verplichtingen die de aanvaardingsplicht voor hem meebrengt. De financiering kan worden georganiseerd via een collectieve of individuele regeling.

§ 6. Het gedeelte van de kostprijs van een product dat wordt doorgerekend om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de uitvoering van de aanvaardingsplicht, moet zichtbaar worden vermeld op de factuur, tenzij het anders is bepaald in dit besluit, in de aanvaardingsplichtconvenant of in het individuele aanvaardingsplichtplan.

§ 7. De eindverkoper van producten waarvoor de aanvaardingsplicht geldt, moet op een duidelijk zichtbare plaats in elk van zijn verkooppunten een bericht aanbrengen waarop is aangegeven op welke wijze hij voldoet aan de bepalingen van dit besluit en op welke wijze de koper het product kan laten herstellen of zich kan ontdoen van zijn afgedankte product. Ook bij verkoop buiten een verkoopsruimte moet de consument daarover geïnformeerd worden.

§ 8. Ongeacht de datum van ondertekening van een aanvaardingsplichtconvenant of de datum van de goedkeuring van het individuele aanvaardingsplichtplan gelden alle verplichtingen en kosten voor degenen die aan de aanvaardingsplicht onderworpen zijn, vanaf de datum van de inwerkingtreding van de plicht.

Artikel 3.2.1.2. (27/08/2021- ...)

§ 1. De wijze waarop aan de aanvaardingsplicht wordt voldaan, wordt vastgelegd in een van de volgende documenten:
1° een individueel aanvaardingsplichtplan als vermeld in paragraaf 2 en onderafdeling 3.2.3;
2° een aanvaardingsplichtconvenant als vermeld in paragraaf 2 en artikel 3.2.2.1/1.

§ 1/1. De producent waarvoor de aanvaardingsplicht geldt, kan aan de aanvaardingsplicht voldoen door:
1° te beschikken over een door de OVAM goedgekeurd individueel aanvaardingsplichtplan;
2° rechtstreeks of onrechtstreeks, via hun organisatie, door een toetredingsovereenkomst, aangesloten te zijn bij een beheersorganisme als vermeld in artikel 3.2.2.1, op voorwaarde dat het beheersorganisme voldoet aan de verplichtingen die het worden opgelegd in deze afdeling en in de aanvaardingsplichtconvenant.

§ 2. De aanvaardingsplichtconvenant of het individuele aanvaardingsplichtplan bevat in elk geval :
1° een duidelijke omschrijving van het geografisch gebied, de producten en materialen waarop de aanvaardingsplichtconvenant of het individuele aanvaardingsplichtsplan van toepassing is waarbij het geografisch gebied niet beperkt wordt tot de gebieden waar de inzameling en het beheer het winstgevendst is;
1°/1 maatregelen voor de kwalitatieve en kwantitatieve preventie en het hergebruik, voor ecodesign en voor het hoogwaardig sluiten van de kringloop bovenop de vastgelegde inzamel- en verwerkingsdoelstellingen;
2° maatregelen voor de selectieve inzameling van de afvalstoffen van de gebieden, vermeld in punt 1°;
3° maatregelen voor de optimale verwerking van de afvalstoffen;
4° maatregelen voor een goede registratie van de afvalstoffenstromen en onderbouwing van het behalen van de doelstellingen;
5° maatregelen voor de vergoeding van de gemeentelijke inzamelkanalen;
6° maatregelen voor de sensibilisering van de diverse doelgroepen en in het bijzonder om de houders van afvalstoffen te informeren over:
a) preventie- en herstelmogelijkheden;
b) centra en diensten voor hergebruik en voorbereiding voor hergebruik;
c) de terugname- en inzamelsystemen;
d) het voorkomen van zwerfvuil en het negatieve effect op het milieu van zwerfvuil;
7° maatregelen voor eigen controlesystemen op de maatregelen, vermeld in 1° tot en met 6° ;
8° bepalingen over de rapportering:
a) aan de OVAM met betrekking tot alle maatregelen, vermeld in punt 1° tot en met punt 7° ;
b) met betrekking tot het openbaar beschikbaar stellen van informatie over de behaalde resultaten ten opzichte van de wettelijke doelstellingen;
9° maatregelen voor de financiering van de verplichtingen inzake de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid waarbij minstens de kosten worden gedragen conform artikel 21/1, § 2, 1° van het Materialendecreet met uitzondering van de afvalstoffen, vermeld in artikel 3.1.1, eerste lid, 2°, 4° en 5°.

De maatregelen, opgesomd onder 1°, 2° en 3°, moeten leiden tot een betere sluiting van de betreffende materiaalkringlopen door toename van preventie, hergebruik of recyclage van de corresponderende afvalstoffen.

Voor huishoudelijke afvalstoffen bevat de aanvaardingsplichtconvenant of het individuele aanvaardingsplichtplan bovendien een financiële zekerheid die overeenstemt met de geschatte kosten voor het overnemen door het Vlaamse Gewest van de aanvaardingsplicht gedurende zes maanden. In een aanvaardingsplichtconvenant kunnen andere zekerheden overeengekomen worden om de voortgang van de verbintenissen uit de overeenkomst te garanderen.

Artikel 3.2.1.3. (27/08/2021- ...)

§ 1. De producent waarvoor de aanvaardingsplicht geldt, moet jaarlijks rapporteren aan de OVAM over de wijze waarop hij uitvoering geeft aan de aanvaardingsplicht. De producent kan een organisatie aanduiden om de rapportage uit te voeren.

Voor de rapportering geldt dat :
1° de cijfergegevens die in het kader van de aanvaardingsplicht aan de OVAM worden verstrekt, worden gevalideerd door een onafhankelijke keuringsinstelling;
2° de cijfergegevens van inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars, hergebruikcentra en verwerkers die in het kader van de aanvaardingsplicht aan het beheersorganisme of de producent worden geleverd, worden gevalideerd door een onafhankelijke keuringsinstelling;
3° de cijfergegevens die in het kader van de aanvaardingsplicht door de producenten aan het beheersorganisme worden verstrekt, worden gevalideerd door een onafhankelijke keuringsinstelling. Het beheersorganisme of een door dat organisme aangestelde derde kan die taak overnemen, op voorwaarde dat alle leden minstens eenmaal om de drie jaar gecontroleerd worden en het beheersorganisme over die actie en de resultaten jaarlijks aan de OVAM rapporteert;
4° van de verplichtingen, vermeld in punt 1°, 2° en 3°, kan worden afgeweken in een aanvaardingsplichtconvenant of in een individueel aanvaardingsplichtplan als de kwaliteit van de cijfergegevens op een andere manier gegarandeerd kan worden.

Als meerdere beheersorganismen voor eenzelfde afvalstroom actief zijn, worden de cijfergegevens van deze beheersorganismen op eenvoudig verzoek van de OVAM bijkomend gevalideerd om dubbeltellingen en hiaten te detecteren en te corrigeren. In voorkomend geval, duiden de betrokken beheersorganismen, op hun kosten, éénzelfde keuringsinstelling aan om de validatie uit te voeren. Als de beheersorganismen niet tot een gezamenlijke keuze komen, beslist de OVAM, na overleg met de diverse beheersorganismen.

§ 2. De producenten, eindverkopers, tussenhandelaars en beheersorganismen verstrekken aan de OVAM alle informatie die de OVAM nuttig acht voor de evaluatie van de doelstellingen en voor de controle van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, vermeld in hoofdstuk 3 en 5 en in artikel 21 van het Materialendecreet. Als de partijen dat nodig achten, wordt een systeem uitgewerkt dat confidentialiteit garandeert.

Artikel 3.2.1.4. (17/06/2019- ...)

§ 1. De eindverkoper, de tussenhandelaar en de producent, die in het kader van de aanvaardingsplicht afvalstoffen aanvaarden, houden een register bij dat de volgende gegevens met betrekking tot de aanvaarde afvalstoffen bevat :
1° de hoeveelheid afgevoerde afvalstoffen;
2° de datum van de afvoer;
3° de aard van de afvalstoffen;
4° indien van toepassing, de naam en het adres van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van de afgevoerde afvalstoffen;
5° de naam en het adres van de ontvanger van de afvalstoffen.

Dat register wordt ten minste elke maand aangevuld met de meest recente gegevens.

§ 2. Als afvalstoffenregister kan een verzameling van identificatieformulieren overeenkomstig artikel 6.1.1.2 gebruikt worden, aangevuld met de gegevens, vermeld in paragraaf 1, waarvoor overeenkomstig artikel 6.1.1.2, § 1, geen identificatieformulier vereist is.

§ 3. Van de plicht tot het bijhouden van een register door de eindverkoper, de tussenhandelaar en de producent kan worden afgeweken in de aanvaardingsplichtconvenant of in het individuele aanvaardingsplichtplan als de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van de afgevoerde afvalstoffen aan de OVAM online-inzagerecht geeft in zijn register als vermeld in onderafdeling 7.2.1, op voorwaarde dat de bepalingen van het online-inzagerecht zijn goedgekeurd door de OVAM.

Artikel 3.2.1.5. (27/08/2021- ...)

Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is buiten het grondgebied en die, via verkoop op afstand, rechtstreeks of door gebruik van een onlinemarktplaats verkoopt aan particuliere huishoudens op het grondgebied, wijst een op het grondgebied gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan als gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen van de producent die uit dit besluit voortvloeien.

Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is buiten het grondgebied en die, ongeacht de verkooptechniek, verkoopt aan andere personen dan particuliere huishoudens of andere gebruikers dan particuliere op het grondgebied, kan een op het grondgebied gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aanduiden als gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen van de producent die uit dit besluit voortvloeien.

De op het grondgebied gevestigde gevolmachtigde is onderworpen aan dezelfde verplichtingen als de producent.

Een gevolmachtigde wordt aangewezen via een schriftelijke volmacht vooraleer er producten op de markt worden gebracht. Bij de aanduiding van een gevolmachtigde en bij beëindiging van die volmacht wordt de OVAM onmiddellijk door een van de partijen schriftelijk op de hoogte gebracht. In geval van beëindiging moet de persoon, vermeld in het eerste lid, ook een nieuwe gevolmachtigde aanduiden.

Artikel 3.2.1.6. (29/03/2024- ...)

§1. De beheerder van een onlinemarktplaats is ertoe gehouden alle producenten die via zijn onlinemarktplaats een product via verkoop op afstand aan particuliere huishoudens of andere gebruikers dan particuliere huishoudens op het grondgebied verkoopt, schriftelijk in te lichten over de verplichtingen die in het kader van de aanvaardingsplicht op hen rusten.

§2. De beheerder van een onlinemarktplaats verhindert dat producenten die niet zijn aangesloten bij een beheersorganisme of die geen individueel aanvaardingsplichtplan hebben, via zijn onlinemarktplaats overeenkomsten op afstand sluiten met particuliere huishoudens of andere gebruikers dan particuliere huishoudens op het grondgebied. Daartoe vereist de beheerder van een onlinemarktplaats dat de producent op het moment van registratie op de onlinemarktplaats het schriftelijke bewijs verstrekt van zijn individueel aanvaardingsplichtplan of zijn aansluiting bij het of de betrokken beheersorganismen. 

In afwijking van het eerste lid kan de beheerder van een onlinemarktplaats een producent die niet geregistreerd is bij de OVAM, of bij het of de betrokken beheersorganismen, toch toelaten om via zijn onlinemarktplaats overeenkomsten op afstand te sluiten met particuliere huishoudens of andere gebruikers dan particuliere huishoudens op het grondgebied. De beheerder zal dan zelf moeten instaan voor de verplichtingen in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid waartoe die producent normaal gezien gehouden is.

De beheerder van een onlinemarkplaats bezorgt aan de OVAM elk jaar uiterlijk op 1 maart een overzicht van alle producenten die het voorbije jaar op zijn onlinemarkplaats overeenkomsten op afstand hebben kunnen sluiten met particuliere huishoudens of andere gebruikers dan particuliere huishoudens op het grondgebied, en hun registratienummer bij de betrokken beheersorganisaties. 

Als en zolang de OVAM vaststelt dat een producent die op een onlinemarktplaats actief is, in gebreke blijft om de verplichtingen die in het kader van de aanvaardingsplicht op hem rusten, na te leven, verhindert de beheerder van de onlinemarktplaats op eenvoudig verzoek van de OVAM dat die producent op zijn onlinemarktplaats overeenkomsten op afstand sluit met particuliere huishoudens of andere gebruikers dan particuliere huishoudens op het grondgebied. Als de beheerder van de onlinemarktplaats nalaat om dat te doen binnen de termijn die de OVAM oplegt, moet de beheerder zelf instaan voor de verplichtingen van die producent in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.

§3. Als een beheerder van een onlinemarktplaats ook optreedt als producent, is hij eveneens onderworpen aan de verplichtingen met betrekking tot de aanvaardingsplicht voor de producten die hij zelf verkoopt.

[Onderafdeling 3.2.2. Collectieve invulling van de aanvaardingsplicht (verv. BVR 22 maart 2019, art. 15, I: 17 juni 2019)]

Artikel 3.2.2.1. (27/08/2021- ...)

§ 1. Een aanvaardingsplichtconvenant kan gesloten worden onder de voorwaarde dat door de organisaties van ondernemingen die producenten vertegenwoordigen waarvoor de aanvaardingsplicht geldt, een of meer beheersorganismen worden aangewezen die de aanvaardingsplicht van de bij hen aangesloten producenten waarvoor de aanvaardingsplicht geldt op zich nemen.

§ 2. Een beheersorganisme voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° het beheersorganisme is opgericht conform de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen;
2° het beheersorganisme heeft als statutair doel het ten laste nemen van de aanvaardingsplicht voor rekening van de aangesloten producenten;
3° de beheerders of de personen die de vereniging kunnen verbinden, bezitten hun burgerlijke en politieke rechten;
4° de beheerders of de personen die de vereniging kunnen verbinden, zijn tijdens de laatste vijf jaar niet veroordeeld voor een inbreuk op de milieuwetgeving van de Gewesten of van een lidstaat van de Europese Unie;
5° het beheersorganisme beschikt over de nodige financiële, menselijke en technische middelen om de aanvaardingsplicht te vervullen;
6° het beheersorganisme bedient op homogene wijze het gehele grondgebied waar de producenten hun producten op de markt brengen zodat de inzameling, recyclage en nuttige toepassing van het afval, met het oog op het vervullen van de aanvaardingsplicht, gewaarborgd is.

§ 3. Het beheersorganisme legt uiterlijk zes maanden na de ondertekening van de aanvaardingsplichtconvenant een beheerplan voor de looptijd van de aanvaardingsplichtconvenant ter goedkeuring voor aan de OVAM, waarin het aangeeft hoe het de bepalingen van de aanvaardingsplichtconvenant zal uitvoeren.

Het beheerplan bevat minimaal de uitvoeringsvoorwaarden van de bepalingen in de aanvaardingsplichtconvenant conform artikel 3.2.1.2, § 2.

Het beheersorganisme legt jaarlijks voor 15 november een actualisatie van het beheerplan voor het volgende kalenderjaar ter goedkeuring voor aan de OVAM.

§ 4. Het beheersorganisme legt uiterlijk zes maanden na de ondertekening van de aanvaardingsplichtconvenant een financieel plan voor de looptijd van de aanvaardingsplichtconvenant voor advies voor aan de OVAM.

Het financieel plan omvat:
1° het budget;
2° de berekening van eventuele bijdragen waarbij gestreefd wordt naar een differentiatie conform artikel 21/1, § 2, 2° van het Materialendecreet;
3° het beleid rond provisies en reserves;
4° de wijze van financiering van eventuele verliezen;
5° de wijze van financiering van afgedankte producten waarvan de producent niet meer actief is of geïdentificeerd kan worden. De verantwoordelijkheid van het beheersorganisme is hierbij beperkt tot de producten die bij het op de markt brengen aangegeven werden bij het beheersorganisme. Als dit niet meer kan nagegaan worden, draagt het beheersorganisme een verantwoordelijkheid die overeenstemt met haar aandeel in de markt;
6° het beleggingsbeleid.

In het budget, vermeld in het tweede lid, 1°, wordt als apart onderdeel opgenomen in welke middelen het beheersorganisme voorziet voor preventie en voor het hoogwaardig sluiten van de kringloop bovenop de vastgelegde inzamel- en verwerkingsdoelstellingen. In de aanvaardingsplichtconvenant wordt bepaald welk aandeel van het budget daarvoor ter beschikking gesteld wordt.

Het beheersorganisme legt jaarlijks voor 15 november een actualisatie van het financieel plan voor het volgende kalenderjaar ter advies voor aan de OVAM.

§ 5. Als het beheersorganisme de inzameling en verwerking organiseert in het kader van een collectief systeem, gebeurt de toewijzing op basis van een lastenboek waarover een openbare bevraging wordt georganiseerd, en wordt de gunningsbeslissing gebaseerd op de in het lastenboek vastgelegde criteria. De lastenboeken moeten voor goedkeuring aan de OVAM worden voorgelegd. Elke wijziging in de lastenboeken moet vooraf goedgekeurd worden. In de aanvaardingsplichtconvenant kan worden afgeweken van de plicht om de toewijzing op basis van een lastenboek te organiseren. Het beheersorganisme verstrekt openbaar beschikbare informatie over de selectiecriteria, gunningscritera en de ponderatie ervan van de verschillende ontvangen offertes. Die informatie wordt vermeld in een uitgebreid verslag aan de OVAM en aan alle kandidaten die een correcte offerte hebben ingediend. Dit verslag bevat niet alleen een beschrijving van de criteria, maar ook een onderbouwde motivering voor elk van de aanbiedingen van de voor elk criterium toegekende punten.

De bepaling in het eerste lid geldt niet in geval van inzameling en/of verwerking in opdracht van individuele producenten of andere actoren op contractuele basis.

§ 6. De OVAM vervult namens het Vlaamse Gewest de rol van waarnemer in de raad van bestuur en de algemene vergadering van het beheersorganisme. De OVAM ontvangt de uitnodigingen daarvoor en verslagen daarvan op tijd.

§ 7. Het beheersorganisme mag de toetreding van geen enkele onderneming weigeren waarop de aanvaardingsplicht van toepassing zou kunnen zijn. Het beheersorganisme kan van die verplichting afwijken als er ernstige redenen zijn en na de goedkeuring van de OVAM.

§ 8. Op verzoek van de OVAM organiseert ten minste eenmaal per jaar het beheersorganisme overleg met de representatieve organisaties van alle actoren die bij de uitvoering van de aanvaardingsplicht betrokken zijn. Er wordt een samenvattend verslag van de vergadering opgesteld.

§ 9. Het beheersorganisme verstrekt openbaar beschikbare informatie over:
1° de leden en deelnemers van het beheersorganisme;
2° de financiële bijdragen van de door hun leden op de markt gebrachte producten per verkochte eenheid of per ton;
3° de selectieprocedure voor afvalbeheerders.

Artikel 3.2.2.1/1. (17/06/2019- ...)

§ 1. Een aanvaardingsplichtconvenant wordt gesloten tussen de OVAM en een of meer organisaties van ondernemingen die producenten vertegenwoordigen waarop de aanvaardingsplicht van toepassing is. Op verzoek van de partijen kunnen andere actoren toetreden tot de aanvaardingsplichtconvenant.

De organisaties van ondernemingen, vermeld in het eerste lid, moeten rechtspersoonlijkheid bezitten en door hun leden of een groep ervan gemandateerd zijn om een aanvaardingsplichtconvenant te sluiten en de betrokken leden daardoor te verbinden.

§ 2. Een aanvaardingsplichtconvenant kan niet in minder strenge zin afwijken van de bepalingen van dit hoofdstuk.

§ 3. Een aanvaardingsplichtconvenant is verbindend voor de partijen. Naargelang van wat bepaald is in de aanvaardingsplichtconvenant, is ze ook verbindend voor al de leden van de organisaties van ondernemingen die conform paragraaf 1, tweede lid, een mandaat hebben gegeven, tenzij een producent via een individueel aanvaardingsplichtplan of een andere aanvaardingsplichtconvenant aan zijn aanvaardingsplicht voldoet.

§ 4. Voor de ondertekening van de aanvaardingsplichtconvenant wordt een consultatie georganiseerd waarbij de belanghebbende partijen actief betrokken worden en de mogelijkheid krijgen om hun standpunt over de aanvaardingsplichtconvenant kenbaar te maken bij de partijen die de aanvaardingsplichtconvenant gaan ondertekenen.

§ 5. Een aanvaardingsplichtconvenant wordt, na ondertekening door de partijen, integraal bekendgemaakt op de website van de OVAM.

§ 6. In een aanvaardingsplichtconvenant wordt de looptijd van de convenant opgenomen.

Een aanvaardingsplichtconvenant wordt gesloten voor een bepaalde termijn van acht jaar. Als dat gemotiveerd wordt, is een kortere looptijd mogelijk.

De looptijd van een aanvaardingsplichtconvenant kan, na akkoord door alle partijen, eenmalig worden verlengd met twee jaar. Voor een verlenging wordt opnieuw een consultatie georganiseerd als vermeld in paragraaf 4. De verlenging van de looptijd wordt bekendgemaakt op de website van de OVAM.

§ 7. Tijdens de looptijd van de aanvaardingsplichtconvenant kunnen de partijen overeenkomen om ze te wijzigen. De wijzigingen worden bekendgemaakt op de website van de OVAM.

§ 8. De partijen kunnen op elk moment een aanvaardingsplichtconvenant opzeggen, op voorwaarde dat ze een opzeggingstermijn in acht nemen. Behalve als er een andersluidend beding in de aanvaardingsplichtconvenant is, bedraagt die opzegtermijn zes maanden. In geen geval mag de opzeggingstermijn die in de aanvaardingsplichtconvenant bepaald is, langer zijn dan een jaar. Elke langere termijn wordt van rechtswege herleid tot een jaar. De opzegging wordt op straffe van nietigheid meegedeeld met een beveiligde zending. De opzeggingstermijn begint te lopen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving.

Artikel 3.2.2.2. (17/06/2019- ...)

§ 1. Alle documenten die in het kader van de uitvoering van een aanvaardingsplichtconvenant moeten worden opgesteld en die van strategisch belang zijn, worden ter goedkeuring voorgelegd aan de OVAM. Dat zijn ten minste het beheerplan, de lastenboeken en het communicatieplan.

De OVAM heeft één maand de tijd om die documenten al dan niet goed te keuren. Als de OVAM geen beslissing neemt binnen die periode, worden de documenten geacht goedgekeurd te zijn. Als de OVAM om aanvullende informatie verzoekt, kan de termijn maximaal met één maand worden verlengd. Die termijn gaat in vanaf de datum van de ontvangst van alle opgevraagde informatie. Als de OVAM de documenten afkeurt, moet een aangepast voorstel opnieuw voorgelegd worden voor goedkeuring. Een voorstel kan niet worden uitgevoerd zonder de goedkeuring van de OVAM.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 worden het financieel plan en de toetredingsovereenkomst voor advies voorgelegd.

De OVAM heeft één maand de tijd om advies te geven. Als geen advies gegeven wordt binnen die periode, wordt de OVAM geacht een gunstig advies te hebben gegeven. Als de OVAM om aanvullende informatie verzoekt, kan de termijn maximaal met één maand worden verlengd. Die termijn gaat in vanaf de datum van de ontvangst van alle opgevraagde informatie.

[Onderafdeling 3.2.3. Individuele invulling van de aanvaardingsplicht (verv. BVR 22 maart 2019, art. 19, I: 17 juni 2019)]

Artikel 3.2.3.1. (17/06/2019- ...)

Het individuele aanvaardingsplichtplan moet, met behoud van de maatregelen, vermeld in artikel 3.2.1.2, § 2, ten minste de volgende gegevens en verbintenissen bevatten :
1° identificatiegegevens :
a) naam, rechtsvorm, zetel en nummer van het handelsregister of een overeenstemmend registratie- en ondernemingsnummer van de producent van producten waarvoor voor de overeenstemmende afvalstoffen de aanvaardingsplicht geldt;
b) woonplaats en adres van de producent en, in voorkomend geval, van de maatschappelijke zetels, de administratieve zetels en de exploitatiezetels;
c) telefoonnummer en eventueel faxnummer van de woonplaats, zetel of standplaats, binnen het Vlaamse Gewest, waar de producent bereikt kan worden;
d) als de aanvrager niet beschikt over een woonplaats, of, in voorkomend geval, over een maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest, de vermelding van een standplaats, filiaal of kantoor waar het register op elk ogenblik door de bevoegde overheid geraadpleegd kan worden;
e) inhoudstafel van het volledige individuele aanvaardingsplichtplan;
f ) naam en functie van de ondertekenaar van het individuele aanvaardingsplichtplan;
2° voorwerp :
a) vermelding van de onder de aanvaardingsplicht vallende afvalstoffen en de overeenkomstige producten waarop het individuele aanvaardingsplichtplan van toepassing is;
b) omschrijving van de wijze waarop aan de aanvaardingsplicht, vermeld in artikel 3.2.1.1, wordt voldaan, in het bijzonder rekening houdend met de specifieke voorschriften voor die afvalstoffen, vermeld in dit hoofdstuk;
c) de gegevens die overeenkomstig artikel 3.2.1.2 specifiek in het individuele aanvaardingsplichtplan vermeld moeten worden voor de afvalstoffen, zoals omschreven ter uitvoering van punt a);
d) de omschrijving van de wijze waarop de producent garandeert dat er geen kosten, voortkomend uit de aanvaardingsplicht voor producten die door hem op de markt zijn gebracht, zullen worden afgewenteld op andere producenten;
3° verbintenissen : de schriftelijke verbintenis, gedateerd en ondertekend door de producent, of in voorkomend geval, door een natuurlijke persoon die de vennootschap ertoe kan verbinden, dat de afvalstoffen die onder de toepassing van het afvalpreventie- en afvalbeheerplan vallen en die hem met toepassing van dit besluit en artikel 21 van het Materialendecreet worden aangeboden, door hem :
a) gratis in ontvangst zullen worden genomen, tenzij het anders is bepaald in afdeling 3.4;
b) zullen worden verwerkt met inachtneming van de voorschriften, vermeld in dit besluit.

In de verbintenis wordt ook vermeld hoe de kosten voor inzameling, scheiding en verwerking van alle afgedankte producten worden gedekt.

Daarbij moet ten minste een locatie in het Vlaamse Gewest vermeld worden waar derden die afvalstoffen kunnen afleveren. De producten moeten gratis afgeleverd worden, tenzij het anders is bepaald in afdeling 3.4.

Artikel 3.2.3.2. (17/06/2019- ...)

Het individuele aanvaardingsplichtplan, vermeld in artikel 3.2.1.2, § 1, 1°, wordt goedgekeurd volgens de volgende procedure :
1° de aanvraag tot goedkeuring van het individuele aanvaardingsplichtplan wordt met een beveiligde zending naar de OVAM verstuurd of bij de OVAM tegen ontvangstbewijs afgegeven, bij voorkeur in naam van de aanvrager, gedateerd en ondertekend door de aanvrager of, in voorkomend geval, door een natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden, met de volgende bijlagen :
a) in voorkomend geval, een afschrift van de oprichtingsakte en van de eventuele wijzigingen ervan gedurende de laatste vijf jaar;
b) het ontwerp van het individuele aanvaardingsplichtplan waarvoor de goedkeuring wordt gevraagd;
2° de OVAM onderzoekt de aanvraag op volledigheid overeenkomstig de bepalingen in artikel 3.2.3.1 :
a) als wordt vastgesteld dat de aanvraag onvolledig is, brengt de OVAM de aanvrager binnen veertien kalenderdagen na de indiening of de aanvulling van de aanvraag daarvan met een beveiligde zending op de hoogte, met vermelding van de inlichtingen en de gegevens die ontbreken;
b) als wordt vastgesteld dat de aanvraag volledig is, brengt de OVAM de aanvrager daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien kalenderdagen na de indiening of de aanvulling van de aanvraag;
3° binnen een termijn van vier maanden, te rekenen vanaf de datum waarop is vastgesteld dat de aanvraag volledig is, doet de OVAM uitspraak over de aanvraag. Tijdens die vier maanden kan de OVAM alle toelichtingen en informatie opvragen die nodig zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag;
4° de OVAM stuurt haar beslissing met een beveiligde zending aan de aanvrager, binnen tien kalenderdagen na de uitspraak;
5° een individueel aanvaardingsplichtplan wordt, na goedkeuring door de OVAM, bekendgemaakt op de website van de OVAM.

Artikel 3.2.3.3. (17/06/2019- ...)

§ 1. De goedkeuring, vermeld in artikel 3.2.3.2, 3°, kan slechts voor een termijn van maximaal vijf jaar worden verleend. Elke goedkeuringsbeslissing die voor een kortere termijn geldt, moet gemotiveerd zijn.

Een hernieuwing van de goedkeuring is overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 3.2.3.2, mogelijk, telkens voor een termijn van maximaal vijf jaar.

§ 2. De goedkeuring kan door de OVAM :
1° worden opgeheven op verzoek van de houder van de goedkeuring;
2° ambtshalve worden opgeheven of geschorst, na overlegging van een verslag van vaststelling of een proces-verbaal waarin een inbreuk op de voorschriften van dit besluit of een misdrijf wordt vastgesteld.

Behoudens bij een dreigend en onmiddellijk gevaar voor mens of milieu, wordt de houder van de goedkeuring, met een beveiligde zending en minstens veertien dagen voor de betekening ervan, op de hoogte gebracht van de voorgenomen beslissing en de motieven. Binnen die termijn kan de houder van de goedkeuring zich verweren of zijn zaken in orde brengen.

Artikel 3.2.3.4. (17/06/2019- ...)

De houder van de goedkeuring, vermeld in artikel 3.2.3.2, 3°, is verplicht om, wijzigingen van de volgende gegevens in zijn dossier onmiddellijk mee te delen aan de OVAM met een beveiligde zending:
1° naam, rechtsvorm, zetel en nummer van het handelsregister of een overeenstemmend registratie- en ondernemingsnummer;
2° zijn woonplaats, adres of fax- en telefoonnummer en, in voorkomend geval, adres, fax- en telefoonnummer van de maatschappelijke zetels, de administratieve zetels en de exploitatiezetels of van de standplaats binnen het Vlaamse Gewest;
3° het voorwerp van het goedgekeurde individuele aanvaardingsplichtplan;
4° de verbintenissen in het goedgekeurde individuele aanvaardingsplichtplan.

Artikel 3.2.3.5. (17/06/2019- ...)

De natuurlijke persoon of rechtspersoon moet de in het goedgekeurde individuele aanvaardingsplichtplan opgenomen verbintenissen stipt na leven.

Afdeling 3.3. Collectief plan

Artikel 3.3.1. (01/06/2012- ...)

Een collectief plan houdt voor de producenten in dat een gemeenschappelijk plan moet worden ingediend waarin beschreven staat hoe uitvoering zal worden gegeven aan de specifieke bepalingen, vermeld in afdeling 3.4. Elke individuele producent die gevat wordt door deze uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, moet toetreden tot een collectief plan.

Een collectief plan omvat minimaal een beschrijving van :
1° de producenten die het collectieve plan indienen;
2° de afvalstoffen waarop het collectieve plan van toepassing is;
3° de concrete engagementen en doelstellingen van de producenten.

Artikel 3.3.2. (01/06/2012- ...)

Ter uitvoering van het collectieve plan stellen de producenten een actieplan op. Het actieplan wordt jaarlijks, na evaluatie en actualisering, ingediend voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het actieplan betrekking heeft. Het actieplan bevat een opsomming van de geplande acties met een duidelijke timing, vooropgestelde resultaten en een taakverdeling.

Artikel 3.3.3. (01/06/2012- ...)

Het collectieve plan en het jaarlijkse actieplan moeten ter goedkeuring worden voorgelegd aan de OVAM.

De OVAM heeft twee maanden de tijd om die documenten al dan niet goed te keuren. Als de OVAM om aanvullende informatie verzoekt, kan de termijn maximaal met één maand worden verlengd. Die termijn gaat in vanaf de datum van de ontvangst van alle opgevraagde informatie. Als de OVAM de documenten afkeurt, moet een aangepast voorstel opnieuw voorgelegd worden voor goedkeuring. Een voorstel kan niet worden uitgevoerd zonder goedkeuring van de OVAM.

Artikel 3.3.4. (01/06/2012- ...)

Een collectief plan is maximaal geldig voor vijf jaar en kan, op voorwaarde van goedkeuring door de OVAM, telkens voor een periode van maximaal vijf jaar worden verlengd.

Artikel 3.3.5. (01/06/2012- ...)

Jaarlijks wordt voor 1 april gerapporteerd over de uitvoering van het collectieve plan gedurende het voorgaande kalenderjaar.

Artikel 3.3.6. (22/09/2014- ...)

Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, die via een collectief plan onderworpen is aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, kan andere inzamelkanalen naast de gemeentelijke inzamelkanalen opzetten voor huishoudelijke afvalstoffen waarop het collectief plan van toepassing is. De natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen daarbij een beroep doen op derden om bepaalde taken uit te voeren.

De inzamelkanalen, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het inzamelsysteem kan alleen opgezet worden bij de eindverkopers van de huishoudelijke producten waarvan de afvalstoffen het toepassingsgebied vormen van het collectief plan;
2° de afvalstoffen worden opgeslagen zonder schade of verontreiniging van mens, milieu of directe omgeving;
3° bij de opslag wordt gezorgd voor een georganiseerde regelmatige afvoer van de afvalstoffen;
4° de afvalstoffen worden ingezameld conform de wettelijke bepalingen;
5° het inzamelsysteem draagt bij tot een duurzaam materialenbeheer;
6° een zekere continuïteit van de inzameling wordt gegarandeerd.

De inzamelkanalen, vermeld in het eerste lid, worden goedgekeurd door de OVAM. Een schriftelijke beschrijving van het inzamelsysteem, de inzamelpunten, de deelnemende actoren en hun verantwoordelijken wordt aan de OVAM voorgelegd. De OVAM heeft 30 dagen de tijd om dergelijke inzamelkanalen al dan niet goed te keuren. Als de OVAM om aanvullende informatie verzoekt, kan de termijn maximaal met een maand worden verlengd. Die termijn gaat in vanaf de datum van de ontvangst van alle opgevraagde informatie.

De natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inzamelkanaal als vermeld in het eerste lid heeft opgezet, rapporteert jaarlijks voor 1 april aan de OVAM:
1° over de aard en hoeveelheid ingezamelde afvalstoffen;
2° over de wijze van verwerking van de ingezamelde afvalstoffen.

De OVAM informeert de gemeenten en de intercommunales:
1° over elke goedkeuring van een inzamelkanaal dat actief is op hun grondgebied;
2° jaarlijks over de door die inzamelkanalen ingezamelde hoeveelheid afvalstoffen en de wijze van verwerking.

Afdeling 3.4. Afvalstofspecifieke bepalingen

Onderafdeling 3.4.1. Drukwerkafval

Artikel 3.4.1.1. (27/08/2021- ...)

Bewoners of gebruikers van een gebouw met een brievenbus in het Vlaamse gewest kunnen door middel van een sticker aangeven dat ze:
1° noch ongeadresseerd reclamedrukwerk noch gratis ongeadresseerde regionale pers wensen te ontvangen;
2° wel gratis ongeadresseerde regionale pers maar geen ongeadresseerd reclamedrukwerk wensen te ontvangen.

Alleen de NEE/NEE en JA/NEE stickers kunnen daarvoor worden gebruikt.

De stickers worden gerespecteerd door iedere verspreider van ongeadresseerd reclamedrukwerk en gratis ongeadresseerde regionale pers.

Artikel 3.4.1.1/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2025- ...)

Het gebruik van een volledig omvattende plastic wikkel voor ongeadresseerd drukwerk dat gratis wordt aangeboden is verboden.

Artikel 3.4.1.2. (27/08/2021- ...)

De sector van de uitgevers van gratis regionale pers:
1° stelt gratis stickers ter beschikking van de mensen die dat willen ter beperking van de verspreiding van ongewenst reclamedrukwerk en gratis regionale pers;
2° rapporteert aan de OVAM over het aantal verdeelde stickers, het aantal ton papier verdeeld niet-geadresseerd drukwerk en het gebruik van de stickers.

De Vlaamse Regering en de sector van de uitgevers van gratis regionale pers en ongeadresserd reclamedrukwerk sluiten een overeenkomst die de modaliteiten van de bepalingen, vermeld in het vorige lid, vastlegt.

Artikel 3.4.1.3. (22/09/2014- ...)

...

Artikel 3.4.1.4. (22/09/2014- ...)

...

Artikel 3.4.1.5. (22/09/2014- ...)

...

Artikel 3.4.1.6. (22/09/2014- ...)

...

Onderafdeling 3.4.2. Afgedankte voertuigen

Artikel 3.4.2.1. (01/06/2012- ...)

§ 1. Voor afgedankte voertuigen wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. De aanvaardingsplicht is van toepassing vanaf 1 juli 1999.

§ 2. De eindverkopers, tussenhandelaars en producenten van voertuigen voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 1 en § 2, door een voldoende aantal punten van inontvangstname op te stellen. De punten van inontvangstname zijn op evenwichtige wijze verdeeld zodat een voldoende dekkingsgraad van het grondgebied van het Vlaamse Gewest gegarandeerd wordt. De punten van inontvangstname voorzien in de aanvaarding van afgedankte voertuigen.

§ 3. In aanvulling op de voorwaarde, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 4, is de aanvaarding van afgedankte voertuigen, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 1 en § 2, gratis onder voorwaarde dat :
1° ze alle onderdelen bevatten die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het voertuig;
2° ze geen afvalstoffen bevatten die vreemd zijn aan het afgedankte voertuig.

Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, niet wordt voldaan, kunnen kosten worden bedongen in verhouding tot het gebrek.

Zolang niet aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt voldaan, kan de aanvaarding geweigerd worden.

§ 4. In afwijking van artikel 3.2.1.1, § 3, is de samenwerking met de gemeenten voor de inzameling van afgedankte voertuigen niet verplicht.

Artikel 3.4.2.2. (17/06/2019- ...)

§ 1. De verwerking van de met toepassing van de aanvaardingsplicht ingezamelde afgedankte voertuigen moet ertoe leiden dat de volgende doelstellingen worden bereikt :
1° minimaal 95% van het gewicht van alle afgedankte voertuigen moet worden hergebruikt of nuttig toegepast;
2° minimaal 85% van het gewicht van alle afgedankte voertuigen moet worden hergebruikt of gerecycleerd.

§ 2. Voor de onderstaande onderdelen van afgedankte voertuigen geldt dat :
1° afgedankte batterijen en accu's worden verwerkt overeenkomstig artikel 3.4.5.2;
2° afvalolie wordt verwerkt overeenkomstig artikel 3.4.6.2;
3° afvalbanden worden verwerkt overeenkomstig artikel 3.4.3.2.

Artikel 3.4.2.3. (17/06/2019- ...)

Het individuele aanvaardingsplichtplan en de aanvaardingsplichtconvenant, vermeld in artikel 3.2.1.2, § 1, regelen in het bijzonder, in voorkomend geval :
1° de verplichting van de eindverkopers van voertuigen om elk afgedankt voertuig dat de consument aanbiedt, op een punt van inontvangstname te aanvaarden;
2° de verplichting van de voertuigproducenten om alle aanvaarde afgedankte voertuigen bij de punten van inontvangstname die geen erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen zijn, op regelmatige basis in te zamelen en op eigen kosten te laten verwerken in een daartoe erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen.

Artikel 3.4.2.4. (01/06/2012- ...)

De voertuigproducent of de organisatie die hij hiervoor heeft aangeduid, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM :
1° de totale hoeveelheid voertuigen die op de markt werden gebracht in het Vlaamse Gewest, uitgedrukt in kilogram en aantallen;
2° de totale hoeveelheid afgedankte voertuigen, uitgedrukt in kilogram, categorie M1 of N1, of driewielige motorvoertuigen en aantallen, die in het Vlaamse Gewest werden aanvaard door de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen;
3° het gewicht van de onderdelen, materialen en afvalstoffen die afkomstig zijn van afgedankte voertuigen, uitgedrukt in kilogram, die gedurende het voorafgaande kalenderjaar werden :
a) hergebruikt en gerecycleerd;
b) verwerkt in vergunde installaties met terugwinning van energie;
c) verwijderd in vergunde installaties voor de verbranding van afvalstoffen;
d) verwijderd in of op stortplaatsen;
4° de locatie van de verschillende erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen of vergunde verwerkingsinstallaties voor afgedankte voertuigen, en de wijze waarop de aanvaarde afgedankte voertuigen in het Vlaamse Gewest werden verwerkt.

In aanvulling op artikel 3.2.1.4 vermelden de eindverkoper, tussenhandelaar en producent van voertuigen ook het chassisnummer van de afgedankte voertuigen in het afvalstoffenregister. Ze verschaffen aan de OVAM alle informatie die de OVAM nuttig acht om de te bereiken doelstellingen, vermeld in artikel 3.4.2.2, te beoordelen.

Artikel 3.4.2.5. (01/06/2012- ...)

De voertuigproducenten verschaffen aan de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen binnen zes maanden nadat een nieuw voertuigtype in de handel is gebracht, alle demontage-informatie. In die informatie worden de verschillende voertuigonderdelen en -materialen en de plaats van alle gevaarlijke stoffen in de voertuigen aangegeven.

De producenten van voertuigonderdelen verschaffen op verzoek van de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen, rekening houdend met de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële gegevens, ook demontage-informatie, informatie over de opslag en informatie over het testen van onderdelen die opnieuw kunnen worden gebruikt.

Onderafdeling 3.4.3. Afvalbanden

Artikel 3.4.3.1. (01/06/2012- ...)

In afwijking van artikel 3.1.1, 3°, geldt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor afvalbanden alleen voor de afvalbanden uit de vervangmarkt en uit eerste montage.

Voor afvalbanden wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. De aanvaardingsplicht is van toepassing :
1° voor afvalbanden uit de vervangmarkt vanaf 1 juli 1999;
2° voor afvalbanden uit eerste montage vanaf 1 mei 2009.

In afwijking van artikel 3.2.1.1, § 3, is de samenwerking met de gemeenten voor de inzameling van afvalbanden niet verplicht.

Artikel 3.4.3.2. (27/08/2021- ...)

Voor de verwerking van de afvalbanden die ingezameld zijn met toepassing van de aanvaardingsplicht, gelden de volgende doelstellingen:
1° alle afvalbanden die worden aangeboden, worden ingezameld met een minimum van 85% en een maximum van 100% van de hoeveelheid nieuwe banden die door de producenten op de markt gebracht worden; tegen 2030 worden afvalbanden ingezameld met een minimum van 95 % en een maximum van 100 % van de hoeveelheid nieuwe banden die door de producenten op de markt gebracht worden, tenzij uit een onderbouwde evaluatie blijkt dat deze inzameldoelstellingen tegen 2030 niet haalbaar zijn.
2° de ingezamelde banden worden vóór de verwerking gesorteerd op herbruikbare banden en op rechapeerbare banden;
3° het percentage hergebruik en het percentage loopvlakvernieuwing bedragen elk minstens 10%;
4° het totale percentage hergebruik, loopvlakvernieuwing en recyclage van de ingezamelde banden bedraagt minstens 85%; dit percentage stijgt naar 95 % tegen 2030, tenzij uit een onderbouwde evaluatie blijkt dat deze doelstelling niet haalbaar is;
5° de rest van de ingezamelde afvalbanden wordt nuttig toegepast;
6° de verwijdering van afvalbanden is niet toegestaan.

Artikel 3.4.3.3. (17/06/2019- ...)

Het individuele aanvaardingsplichtplan en de aanvaardingsplichtconvenant, vermeld in artikel 3.2.1.2, § 1, regelen in het bijzonder, in voorkomend geval :
1° de verplichting van de eindverkopers van banden om, overeenkomstig artikel 3.2.1.1, § 2, elke afvalband in ontvangst te nemen die door de consument wordt aangeboden;
2° de verplichting van de tussenhandelaars van banden om alle met toepassing van dit besluit in ontvangst genomen afvalbanden op regelmatige basis ter plaatse bij de eindverkopers in te zamelen en aan de producent van banden aan te bieden;
3° de verplichting van de producenten van banden om alle aanvaarde afvalbanden bij de tussenhandelaar of, bij gebrek daaraan, bij de eindverkoper op regelmatige basis in te zamelen en op eigen kosten te laten verwerken in een daartoe vergunde inrichting.

Artikel 3.4.3.4. (27/08/2021- ...)

De eindverkoper van banden of de organisatie die hiervoor is aangeduid, bezorgt de OVAM voor 1 juli van elk jaar een overzicht van de totale hoeveelheid afvalbanden, uitgedrukt in kilogram en soorten, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht in ontvangst werd genomen gedurende het voorgaande kalenderjaar.

De tussenhandelaar in banden of de organisatie die hiervoor is aangeduid, bezorgt de OVAM voor 1 juli van elk jaar een overzicht van de totale hoeveelheid afvalbanden, inclusief die welke in aanmerking komen voor hergebruik, uitgedrukt in kilogram en soorten, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht in ontvangst werd genomen gedurende het voorgaande kalenderjaar.

De producent van banden of de organisatie die hiervoor is aangeduid, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM :
1° de totale hoeveelheid banden, uitgedrukt in kilogram, soorten en aantallen, die in het Vlaamse Gewest in omloop werd gebracht;
2° de totale hoeveelheid afvalbanden, inclusief die welke in aanmerking komen voor hergebruik, uitgedrukt in kilogram en soorten, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werd ingezameld;
3° de inrichtingen waar en de wijze waarop de ingezamelde afvalbanden werden verwerkt;
4° de totale hoeveelheid afvalbanden, uitgedrukt in kilogram, die :
a) werd uitgesorteerd voor hergebruik;
b) een nieuw loopvlak kreeg;
c) is gerecycleerd;
d) nuttig is toegepast;
5° de totale hoeveelheden rubber, staal en textiel afkomstig van de recyclage van afvalbanden die gebruikt zijn, opgedeeld per toepassing.

Onderafdeling 3.4.4. Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

Artikel 3.4.4.1. (22/09/2014- ...)

§ 1. Voor afgedankte EEA wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. Met behoud van de uitzonderingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, is de aanvaardingsplicht van toepassing op:
1° de grote huishoudelijke apparaten (categorie 1) vanaf 1 juli 1999;
2° de kleine huishoudelijke apparaten (categorie 2) vanaf 1 juli 1999;
3° de IT- en telecommunicatieapparatuur (categorie 3) vanaf 1 juli 1999;
4° de consumentenapparatuur (categorie 4) vanaf 1 juli 1999;
5° de afgedankte fotovoltaïsche zonnepanelen (categorie 4) vanaf 1 januari 2013;
6° de afgedankte huishoudelijke en niet-huishoudelijke verlichtingsapparatuur (categorie 5) vanaf 1 januari 2004;
7° de gasontladingslampen (categorie 5) vanaf 1 juli 2005;
8° het elektrisch en elektronisch tuingereedschap, met uitzondering van grote, niet-verplaatsbare industriële installaties (categorie 6) vanaf 1 juli 1999;
9° ander elektrisch en elektronisch gereedschap, met uitzondering van grote, niet-verplaatsbare industriële installaties (categorie 6) vanaf 1 januari 2004;
10° het speelgoed en de apparatuur voor sport en ontspanning (categorie 7) vanaf 1 januari 2004;
11° de medische hulpmiddelen, met uitzondering van alle geïmplanteerde en geïnfecteerde producten (categorie 8) vanaf 13 augustus 2005;
12° de meet- en controle-instrumenten (categorie 9) vanaf 1 januari 2004;
13° de automaten (categorie 10) vanaf 13 augustus 2005;
14° de professionele afgedankte EEA (van categorie 1 tot en met 10) vanaf 13 augustus 2005;
15° alle afgedankte EEA die niet zijn opgenomen in de categorieën, vermeld in punt 1° tot en met 14°, vanaf 15 augustus 2018.

§ 2. De aanvaardingsplicht is niet van toepassing op de volgende apparatuur:
1° de apparatuur die noodzakelijk is voor de bescherming van de wezenlijke belangen van de veiligheid van lidstaten, met inbegrip van wapens, munitie en oorlogsmateriaal voor specifiek militaire doeleinden;
2° de apparatuur die specifiek is ontworpen en geïnstalleerd om deel uit te maken van andere apparatuur die is uitgesloten van de aanvaardingsplicht of niet onder het toepassingsgebied van de aanvaardingplicht valt, en die haar functie alleen kan vervullen als ze deel uitmaakt van die laatst vermelde apparatuur;
3° de gloeilampen.

§ 3. Vanaf 15 augustus 2018 is de aanvaardingsplicht bovendien niet van toepassing op:
1° de apparatuur die is ontworpen om de ruimte ingestuurd te worden;
2° de grote, niet-verplaatsbare industriële werktuigen;
3° de grote, vaste installaties, met uitzondering van apparatuur die zich in zulke installaties bevindt, maar die niet specifiek is ontworpen en geïnstalleerd als onderdeel van zulke installaties;
4° de vervoermiddelen voor personen of goederen, uitgezonderd elektrische voertuigen op twee wielen waarvoor geen type goedkeuring is verleend;
5° de niet voor de weg bestemde mobiele machines die uitsluitend voor beroepsmatig gebruik ter beschikking zijn gesteld;
6° de apparatuur die speciaal is ontworpen en uitsluitend dient voor doeleinden van onderzoek en ontwikkeling en die alleen door een bedrijf aan een ander bedrijf ter beschikking wordt gesteld;
7° de medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek, als die hulpmiddelen naar verwachting vóór het einde van hun levensduur infectieus zijn en niet gedesinfecteerd kunnen worden, en actieve implanteerbare medische hulpmiddelen.

§ 4. Distributeurs van EEA die beschikken over een verkoopoppervlak voor EEA van ten minste 400 m2, zorgen in de onmiddellijke nabijheid voor de inzameling, die gratis is voor de laatste houder van heel kleine afgedankte EEA, zonder de verplichting EEA van een vergelijkbaar type te kopen. De producenten van EEA stellen daarvoor gratis een aangepast inzamelrecipiënt ter beschikking. De distributeur van EEA plaatst dat inzamelrecipiënt op een duidelijk zichtbare plaats in zijn verkoopruimte. Deze verplichting vervalt als een onderzoek, voorgelegd aan en goedgekeurd door de OVAM, uitwijst dat alternatieve bestaande of nieuwe inzamelingsregelingen waarschijnlijk minstens even doeltreffend zijn.

§ 5. In aanvulling op de voorwaarde, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 4, is de aanvaarding van huishoudelijke afgedankte EEA, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 1, § 2 en § 3, gratis, onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° de apparatuur alle onderdelen bevat die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het apparaat;
2° de apparatuur geen afvalstoffen bevat die vreemd zijn aan het afgedankte EEA;
3° de apparatuur geen verontreinigingen bevat die een risico voor de gezondheid en de veiligheid van het personeel bij de inleveringspunten opleveren, gelet op de geldende veiligheids- en gezondheidsvoorschriften.

Als aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, niet is voldaan, kunnen kosten worden bedongen in verhouding tot het gebrek.

Zolang niet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2° of 3°, is voldaan, kan de aanvaarding geweigerd worden.

§ 6. In afwijking van artikel 3.2.1.1, § 3, is de samenwerking met de gemeenten voor de inzameling van afgedankte professionele EEA en afgedankte fotovoltaïsche zonnepanelen niet verplicht.

Artikel 3.4.4.2. (22/09/2014- ...)

Elektrische en elektronische apparatuur wordt ingedeeld in de volgende tien categorieën:
1° categorie 1: de grote huishoudelijke apparaten;
2° categorie 2: de kleine huishoudelijke apparaten;
3° categorie 3: de IT- en telecommunicatieapparatuur;
4° categorie 4: de consumentenapparatuur en fotovoltaïsche zonnepanelen;
5° categorie 5: de verlichtingsapparatuur;
6° categorie 6: het elektrisch en elektronisch gereedschap, met uitzondering van grote, niet-verplaatsbare industriële installaties;
7° categorie 7: het speelgoed en de ontspannings- en sportapparatuur;
8° categorie 8: de medische hulpmiddelen, met uitzondering van alle geïmplanteerde en geïnfecteerde producten;
9° categorie 9: de meet- en controle-instrumenten;
10° categorie 10: de automaten.

Vanaf 15 augustus 2018 wordt elektrische en elektronische apparatuur ingedeeld in de volgende zes categorieën:
1° categorie 1: de warmte of koude -uitwisselende apparatuur;
2° categorie 2: de schermen-, monitors en apparatuur met schermen die een oppervlakte hebben van meer dan 100 cm2;
3° categorie 3: de lampen, inclusief led lampen;
4° categorie 4: de grote apparatuur met een buitenafmeting van meer dan 50 cm;
5° categorie 5: de kleine apparatuur met een buitenafmeting van ten hoogste 50 cm;
6° categorie 6: de kleine IT- en telecommunicatieapparatuur met een buitenafmeting van ten hoogste 50 cm.

De minister kan een lijst vaststellen van de apparatuur die onder de categorieën, vermeld in het eerste en tweede lid, vallen.

Artikel 3.4.4.3. (22/09/2014- ...)

Aanvullend op de voorwaarden, vermeld in artikel 3.2.1.3, § 1, tweede lid, 1°, 2° en 3°, geldt dat de onafhankelijke keuringsinstelling geaccrediteerd moet zijn overeenkomstig ISO 17020.

De kosten van de validatie van de cijfergegevens van producenten van EEA, inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars, hergebruikcentra en verwerkers die in het kader van de aanvaardingsplicht een contract hebben met een beheersorganisme of de producent van EEA, worden gedragen door het beheersorganisme of de producent van EEA. Als echter een zware fout of nalatigheid wordt vastgesteld, zijn de kosten ten laste van de contractant.

Artikel 3.4.4.4. (22/09/2014- ...)

Voor de financiering van de aanvaardingplicht geldt:
1° voor huishoudelijke afgedankte EEA:
a) wat producten betreft die na de startdatum van de aanvaardingsplicht op de markt gebracht werden, is elke producent verantwoordelijk voor de financiering van de aanvaardingsplicht. De producent kan kiezen tussen een collectieve regeling en een individuele regeling;
b) de verantwoordelijkheid voor de financiering van de kosten van het beheer van afgedankte EEA die voor de startdatum van de aanvaardingsplicht op de markt zijn gebracht, berust bij een of meer systemen waaraan alle producenten die op de markt aanwezig zijn op het tijdstip waarop die kosten ontstaan, naar evenredigheid bijdragen, bijvoorbeeld naar evenredigheid van hun marktaandeel voor de apparatuur in kwestie;
c) de producenten stellen een financiële zekerheid waaruit blijkt dat het beheer van de afgedankte EEA zal worden gefinancierd als ze een product op de markt brengen. De financiële zekerheid heeft betrekking op de financiering van de inzameling en de milieuhygiënisch verantwoorde verwerking van dat product. Ze kan de vorm hebben van een recyclageverzekering, een geblokkeerde bankrekening of een deelneming van de producent aan passende financiële regelingen voor de financiering van het beheer van afgedankte EEA;
d) de producenten zorgen voor een passende regeling of vergoedingsprocedure voor de terugbetaling van de bijdragen aan de distributeur van EEA als er EEA worden uitgevoerd;
2° voor professionele afgedankte EEA:
a) voor producten die vanaf 13 augustus 2005 op de markt gebracht worden, is elke producent verantwoordelijk voor de financiering van de inzameling en de milieuhygiënisch verantwoorde verwerking van de afgedankte EEA die afkomstig zijn van andere dan particuliere huishoudens;
b) voor de historische voorraad van producten die voor 13 augustus 2005 op de markt werden gebracht en die worden vervangen door nieuwe, gelijkwaardige producten met dezelfde functie, worden de kosten gedragen door de producenten van die nieuwe producten op het moment dat ze worden geleverd. Voor de andere historische voorraad worden de kosten gedragen door de andere gebruikers dan particuliere huishoudens;
c) producenten en andere gebruikers dan particuliere huishoudens kunnen met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit artikel andere financieringsregelingen overeenkomen. Die voorwaarden worden duidelijk opgenomen in de verkoopsovereenkomst of de offerte van het nieuwe product.

Artikel 3.4.4.5. (22/09/2014- ...)

De afgedankte EEA die met toepassing van de aanvaardingsplicht, vermeld in artikel 3.2.1.1, in ontvangst worden genomen, alsook de afgedankte EEA die door of in opdracht van de gemeenten worden ingezameld, worden met het oog op het hergebruik in de eerste plaats gescheiden in potentieel herbruikbare afgedankte EEA enerzijds, en niet-herbruikbare afgedankte EEA anderzijds, op basis van een visuele voorselectie op herbruikbaarheid ervan voor hetzelfde doel.

De eindverkopers, tussenhandelaars, producenten van EEA, alsook de gemeenten, kunnen voor de scheiding, vermeld in het eerste lid, een beroep doen op kringloopcentra en hergebruikcentra voor EEA.

De visuele voorselectie op herbruikbaarheid, alsook de verdere voorbereiding op hergebruik, gebeurt overeenkomstig artikel 5.2.5.8 en 5.2.5.10.

Artikel 3.4.4.6. (16/12/2016- ...)

De minimale inzameldoelstelling van afgedankte EEA met toepassing van de aanvaardingsplicht bedraagt 11 kg per inwoner per jaar. Het totale gewicht van het ingezamelde afgedankte EEA neemt geleidelijk aan toe, tenzij het inzamelingspercentage, vermeld in het tweede lid, al werd bereikt.

Vanaf januari 2016 bedraagt het inzamelpercentage 45 %, berekend op basis van het totale gewicht van de afgedankte EEA die in de loop van een gegeven jaar is ingezameld, uitgedrukt als percentage van de jaarlijkse gemiddelde gewichtshoeveelheid EEA die de voorgaande drie jaren in de handel werd gebracht.

Vanaf 1 januari 2019 bedraagt het jaarlijks te halen inzamelingspercentage 65 % ten opzichte van het gemiddelde van de gewichtshoeveelheid EEA die de voorgaande drie jaren in de handel werd gebracht, of anders 85 % ten opzichte van de hoeveelheid beschikbare afgedankte EEA in gewicht.

De berekening van de hoeveelheid beschikbare afgedankte EEA in gewicht, vermeld in het derde lid, kan worden vastgesteld door de minister.

Artikel 3.4.4.7. (22/09/2014- ...)

Voor nuttige toepassing, voorbereiding voor hergebruik en recyclage van materialen, onderdelen en stoffen zijn de volgende doelstellingen van toepassing:
1° minimale doelstellingen, van toepassing op de categorieën, vermeld in artikel 3.4.4.2, eerste lid:
a) voor afgedankte EEA die onder categorie 1 of 10 als vermeld in artikel 3.4.4.2, eerste lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen:
1) 85 % wordt nuttig toegepast;
2) 80 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
b) voor afgedankte EEA die onder categorie 3 of 4 als vermeld in artikel 3.4.4.2, eerste lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen:
1) 80 % wordt nuttig toegepast;
2) 70 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
c) voor afgedankte EEA die onder categorie 2, 5, 6, 7, 8 of 9 als vermeld in artikel 3.4.4.2, eerste lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen:
1) 75 % wordt nuttig toegepast;
2) 70 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
d) van gasontladingslampen wordt 80 % gerecycleerd;
2° de verwerking leidt ertoe dat de volgende percentages van voorbereiding voor hergebruik en recyclage van materialen worden behaald:
a) voor het ferrometaal: 95 %;
b) voor het non-ferrometaal: 95 %;
c) voor de kunststoffen: 50 %;
3° de kunststoffen worden voor 80 % nuttig toegepast;
4° de afgedankte batterijen en accu's worden verwerkt overeenkomstig artikel 3.4.5.2.

Vanaf 15 augustus 2018 zijn voor nuttige toepassing, voorbereiding voor hergebruik en recyclage van materialen, onderdelen en stoffen de volgende doelstellingen van toepassing:
1° minimale doelstellingen van toepassing op de categorieën vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid:
a) voor afgedankte EEA die onder categorie 1 of 4 als vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen:
1) 85 % wordt nuttig toegepast;
2) 80 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
b) voor afgedankte EEA die onder categorie 2 als vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen:
1) 80 % wordt nuttig toegepast;
2) 70 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
c) voor afgedankte EEA die onder categorie 5 of 6 als vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen:
1) 75 % wordt nuttig toegepast;
2) 70 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
d) voor afgedankte EEA die onder categorie 3 als vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, vallen, wordt 80 % gerecycleerd;
2° de verwerking leidt ertoe dat de volgende percentages van voorbereiding voor hergebruik en recyclage van materialen worden behaald:
a) voor het ferrometaal: 95 %;
b) voor het non-ferrometaal: 95 %;
c) voor de kunststoffen: 50 %;
3° de kunststoffen worden voor 80 % nuttig toegepast;
4° de afgedankte batterijen en accu's worden verwerkt overeenkomstig artikel 3.4.5.2.

De doelstellingen, vermeld in het eerste en het tweede lid, gelden voor elk van de categorieën, vermeld in artikel 3.4.4.2, en worden jaarlijks gerapporteerd aan de OVAM voor 1 juli overeenkomstig artikel 3.4.4.12 en 5.2.5.4.

De percentages, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden op de twee volgende wijzen berekend:
1° de hoeveelheid van materialen die nuttig worden toegepast, worden voorbereid voor hergebruik en worden gerecycleerd;
2° alleen de werkelijke hoeveelheid van materialen die nuttig werden toegepast en werden voorbereid voor hergebruik en werden gerecycleerd mogen in rekening worden genomen.

Artikel 3.4.4.8. (22/09/2014- ...)

Aanvullend op de verplichtingen, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 1, zijn de eindverkopers van EEA die een elektrisch of elektronisch apparaat bij de consument aan huis leveren, verplicht om bij de levering het overeenstemmende afgedankte apparaat ter plaatse bij de consument in ontvangst te nemen.

Artikel 3.4.4.9. (22/09/2014- ...)

De producenten van EEA zorgen ervoor, in het bijzonder met voorlichtingscampagnes, dat de eindgebruikers volledig worden geïnformeerd over:
1° de verplichting om afgedankte EEA selectief aan te bieden;
2° de voor hen beschikbare inzamelings- en recyclagesystemen;
3° hun rol bij de bevordering van hergebruik, recyclage en andere nuttige toepassing van afgedankte EEA;
4° de mogelijke gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid van de aanwezigheid van gevaarlijke bestanddelen in EEA;
5° de betekenis van het symbool van de doorgestreepte vuilnisbak op wieltjes.

Artikel 3.4.4.10. (16/12/2016- ...)

De producenten van EEA, of de organisatie die ze daarvoor hebben aangewezen, registreren zich. Daarvoor stellen ze de volgende gegevens ter beschikking van de OVAM of van de organisatie die ze daarvoor hebben aangewezen:
1° de naam van de producent of gevolmachtigde, het postnummer en de plaats, de straatnaam en het nummer, het land, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon. In geval van een gevolmachtigde als vermeld in artikel 3.4.4.15, ook de contactgegevens van de producent die wordt vertegenwoordigd;
2° het ondernemingsnummer van de producent van EEA;
3° de categorie waartoe het EEA behoort, vermeld in artikel 3.4.4.2;
4° de soort EEA, huishoudelijke of professionele apparatuur;
5° de merknaam van de EEA;
6° de informatie over de wijze waarop de producent zijn verantwoordelijkheden nakomt, individueel of via een collectieve regeling, met inbegrip van informatie over de financiële zekerheid;
7° de gebruikte verkooptechniek, bijvoorbeeld verkoop op afstand;
8° de verklaring dat de verstrekte informatie in overeenstemming is met de waarheid.

Artikel 3.4.4.11. (22/09/2014- ...)

De producenten van EEA bepalen in overleg met de distributeur van EEA, de inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar, de verwerker, het hergebruikcentrum en de kennisgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van 14 juni 2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de overbrenging van afvalstoffen, de modaliteiten voor het verstrekken van de informatie, vermeld in artikel 3.4.4.12. en 5.2.5.4.

De modaliteiten houden rekening met de confidentialiteit van de informatie en omvatten ook de mogelijkheid van toegang tot het systeem voor de toezichthouders en de onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd overeenkomstig ISO 17020 in het kader van de validatie van die gegevens.

Artikel 3.4.4.12. (16/12/2016- ...)

§ 1. De distributeur van EEA of de organisatie die daarvoor is aangewezen, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM of van de organisatie die daarvoor is aangewezen:
1° de naam van de distributeur van EEA, het ondernemingsnummer, het postnummer en de plaats, de straatnaam en het nummer, het land, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon;
2° de rapportageperiode;
3° de hoeveelheid afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en aantallen EEA, huishoudelijke of professionele apparatuur en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die op het grondgebied, dan wel binnen of buiten de Unie is overgebracht die:
a) in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werd ingezameld;
b) werden aangeboden aan een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar;
c) werden aangeboden aan een producent van EEA;
d) werden aangeboden aan een hergebruikcentrum voor EEA met het oog op de voorbereiding voor hergebruik;
e) werden aangeboden aan een vergunde verwerker van afgedankte EEA;
4°...

De gegevens van de distributeur van EEA die aan de OVAM of aan de organisatie die daarvoor is aangewezen, worden verstrekt, worden op vraag van de OVAM gevalideerd door een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd overeenkomstig ISO 17020.

Als voor één of meer van de voormelde activiteiten een beroep werd gedaan op een derde, worden de volgende contactgegevens van die derde telkens vermeld: de firmanaam, het ondernemingsnummer, het adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon.

§ 2. De producent van EEA of de organisatie die daarvoor is aangewezen, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM of de organisatie die daarvoor is aangewezen:
1° het ondernemingsnummer van de producent van EEA;
2° de rapportageperiode;
3° de categorie waartoe de EEA behoort, vermeld in artikel 3.4.4.2, met de aparte vermelding van de hoeveelheden, uitgedrukt in kilogram en per stuk, die op het grondgebied op de markt werden gebracht;
4° de hoeveelheid afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en aantallen EEA, huishoudelijke of professionele apparatuur en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die op het grondgebied, dan wel binnen of buiten de Unie is overgebracht die:
a) in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werden ingezameld;
b) werden aangeboden aan een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar;
c) werden aangeboden aan een andere producent van EEA;
d) werden aangeboden aan een hergebruikcentrum voor EEA met het oog op de voorbereiding voor hergebruik;
e) werden aangeboden aan een vergunde verwerker van afgedankte EEA;
5° de hoeveelheden afvalstoffen die voortkomen uit de verwerking van afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en opgesplitst per materiaal als vermeld in artikel 3.4.4.7, en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die :
a) werden voorbereid voor hergebruik;
b) werden gerecycleerd;
c) op een andere wijze nuttig werden toegepast;
d) werden verwijderd in installaties voor de verbranding van afvalstoffen;
e) werden verwijderd door storten.

Als voor een of meer van de voormelde activiteiten een beroep werd gedaan op een derde, worden de volgende contactgegevens van die derde telkens vermeld: de firmanaam, het ondernemingsnummer, het adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon.

§ 3. Met behoud van de toepassing van artikel 3.2.1.4 vermelden de distributeur van EEA en de producent van EEA ook de gegevens, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, en paragraaf 2, eerste lid, 4°, van dit artikel, in het afvalstoffenregister.

Artikel 3.4.4.13. (22/09/2014- ...)

De producenten van EEA verstrekken informatie om de correcte en milieuhygiënisch verantwoorde verwerking van afgedankte EEA, inbegrepen onderhoud, voorbereiding voor hergebruik, verbetering en ombouw, te vergemakkelijken. De producenten van afgedankte EEA geven informatie voor elk in de handel gebracht nieuw type EEA over de voorbereiding voor hergebruik en de verwerking. Ze doen dat binnen het jaar nadat ze die voor de eerste keer in de handel hebben gebracht. Voor zover de centra die de voorbereiding voor hergebruik verrichten, de verwerkings- en recyclageinrichtingen en de bevoegde overheden dat nodig hebben, bevat de informatie aanwijzingen over de verschillende onderdelen en materialen van de apparatuur, over de energielabels, alsook over de plaatsen in de apparatuur waar zich gevaarlijke stoffen en mengsels bevinden. De producenten van EEA verstrekken die informatie gratis aan de centra die de voorbereiding voor hergebruik verrichten, de verwerkings- en recyclageinrichtingen en de bevoegde overheden in de vorm van handboeken of via elektronische media.

Artikel 3.4.4.14. (22/09/2014- ...)

De producenten van EEA of de organisatie die ze daarvoor hebben aangewezen, organiseren minimaal tweemaal per jaar een overleg met de verwerkers en hergebruikcentra met het oog op hergebruik en een betere recycleerbaarheid van de EEA.

Artikel 3.4.4.15. (27/08/2021- ...)

Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is op het grondgebied en die, via verkoop op afstand, rechtstreeks of door gebruik van een onlinemarktplaats EEA verkoopt aan particuliere huishoudens of aan andere gebruikers dan particuliere huishoudens buiten het grondgebied, wijst binnen dat grondgebied een natuurlijke persoon of rechtspersoon aan als de gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen als producent van EEA, die uit de wetgeving van dat land met betrekking tot de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voortvloeien.

Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is buiten het grondgebied en die, via verkoop op afstand, rechtstreeks EEA verkoopt aan particuliere huishoudens of aan andere gebruikers dan particuliere huishoudens op het grondgebied, wijst een op het grondgebied gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan als gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen van de producent van EEA die uit dit besluit voortvloeien.

Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is buiten het grondgebied en die, ongeacht de verkooptechniek, EEA verkoopt op het grondgebied, kan een op het grondgebied gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aanduiden als gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen van de producent van EEA die uit dit besluit voortvloeien.

De op het grondgebied gevestigde gevolmachtigde is onderworpen aan dezelfde verplichtingen als de producent van EEA.

Een gevolmachtigde wordt aangewezen via een schriftelijke volmacht vooraleer er producten op de markt worden gebracht. Bij de aanduiding van een gevolmachtigde en bij beëindiging van die volmacht wordt de OVAM onmiddellijk door een van de partijen schriftelijk op de hoogte gebracht. In geval van beëindiging moet de persoon, vermeld in het eerste lid, ook een nieuwe gevolmachtigde aanduiden.

Onderafdeling 3.4.5. Afgedankte batterijen en accu's

Artikel 3.4.5.1. (27/08/2021- ...)

Voor afgedankte batterijen en accu's wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. De aanvaardingsplicht is van toepassing vanaf 1 juni 1998.

Voor batterijen die opnieuw op de markt worden gebracht in eenzelfde of een andere toepassing en niet langer als een afvalstof worden beschouwd na een voorbereiding op hergebruik van de afgedankte batterij, wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld via de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. Daarbij wordt degene die de batterijen na de voorbereiding op hergebruik opnieuw op de markt brengt, beschouwd als de producent. Deze bepaling geldt niet voor de batterijen die hergebruikt worden zonder dat een handeling van voorbereiding op hergebruik heeft plaatsgevonden.

In aanvulling op de voorwaarde vermeld in artikel 3.2.1.1, § 4, is de aanvaarding van afgedankte batterijen, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 1 en § 2, gratis, onder de cumulatieve voorwaarden:
1° de batterijpacks, de batterijen, al dan niet onderdeel van een batterijpack, de stacks, de modules en de cellen, zijn volledig. Voor afgedankte cellen geldt de gratis aanvaarding enkel indien de cellen ook apart op de markt worden gebracht;
2° de batterijen bevatten geen afvalstoffen die vreemd zijn aan de afgedankte batterij.

Als aan de voorwaarde, vermeld in 1°, niet is voldaan, kunnen kosten worden bedongen in verhouding tot het gebrek.

Zolang niet aan de voorwaarde, vermeld in 2°, is voldaan, kan de aanvaarding geweigerd worden.

In afwijking van artikel 3.2.1.1, § 3, is de samenwerking met de gemeenten niet verplicht voor de inzameling van:
1° afgedankte industriële batterijen en accu's van meer dan 20 kg of zoals bepaald door de OVAM;
2° afgedankte autobatterijen en -accu's als de marktwaarde van afgedankte autobatterijen en -accu's bij een inzamelpunt positief is.

Artikel 3.4.5.2. (16/12/2016- ...)

De aanvaardingsplicht heeft tot doel, enerzijds preventieve acties te stimuleren, en anderzijds de verwerking en de recycling van de afgedankte batterijen en accu's te maximaliseren, om de volgende doelstellingen te behalen :
1° preventieve acties :
a) inspanningen leveren om de gemiddelde kwaliteit te verhogen van de batterijen en accu's die op de markt worden gebracht, te meten aan de capaciteit, de levensduur en de houdbaarheid;
b) sensibiliseringscampagnes voeren die aan alle consumentengroepen gericht zijn en waarbij de nadruk ligt op een gepast gebruik van draagbare batterijen en accu's :
1) batterijen en accu's vermijden door apparaten te gebruiken die op meer milieuverantwoorde energiebronnen werken;
2) herlaadbare batterijen en accu's gebruiken omdat die in vele toepassingen het meest geschikt zijn;
2° voor afgedankte draagbare batterijen en accu's :
a) een inzamelingspercentage van 45 %, waarbij het inzamelingspercentage het percentage is dat wordt verkregen door het gewicht van de afgedankte draagbare batterijen en accu's die zijn ingezameld, te delen door het gemiddelde gewicht van draagbare batterijen en accu's die producenten, rechtstreeks verkopen aan de eindgebruiker of leveren aan derde partijen om ze te verkopen aan de eindgebruiker gedurende dat kalenderjaar en de voorafgaande twee kalenderjaren;
b) een recyclingpercentage van 65 % van het gemiddelde gewicht van loodzuurbatterijen en -accu's :
1) met een zo groot mogelijke recycling van het loodgehalte als technisch haalbaar is, met vermijding van buitensporige kosten;
2) met een zo groot mogelijke verwerking van de kunststoffen in een productieproces als technisch haalbaar is, met vermijding van buitensporige kosten, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, met uitzondering van de terugwinning van energie;
c) recycling van 75 % van het gemiddelde gewicht van nikkel-cadmiumbatterijen en -accu's, met zo groot mogelijke recycling van het cadmiumgehalte als technisch haalbaar is, met vermijding van buitensporige kosten;
d) tijdens recycling wordt het kwik afgezonderd in een identificeerbare stroom, die een veilige bestemming krijgt en geen nadelige gevolgen voor mens of milieu kan veroorzaken;
e) een recyclingpercentage van 50 % van het gemiddelde gewicht van andere afgedankte batterijen en accu's;
f) alle inzamelmiddelen die ter beschikking worden gesteld van de burger voor de inzameling van afgedankte batterijen en accu's, worden verzameld en verwerkt;
3° voor afgedankte autobatterijen en -accu's en afgedankte industriële batterijen en accu's :
a) een inzameling van alle afgedankte batterijen en accu's;
b) een recyclingpercentage van 65 % van het gemiddelde gewicht van loodzuurbatterijen en -accu's :
1) met een zo groot mogelijke recycling van het loodgehalte als technisch haalbaar is, met vermijding van buitensporige kosten;
2) met een zo groot mogelijke verwerking van de kunststoffen in een productieproces als technisch haalbaar is, met vermijding van buitensporige kosten voor het oorspronkelijke doelof voor een ander doel, met uitzondering van de terugwinning van energie;
c) recycling van 75 % van het gemiddelde gewicht van nikkel-cadmiumbatterijen en -accu's, met zo groot mogelijke recycling van het cadmiumgehalte als technisch haalbaar is, met vermijding van buitensporige kosten;
d) tijdens recycling wordt het kwik afgezonderd in een identificeerbare stroom, die een veilige bestemming krijgt en geen nadelige gevolgen voor mens of milieu kan veroorzaken;
e) een recyclingpercentage van 50 % van het gemiddelde gewicht van andere afgedankte batterijen en accu's.

Alle producenten, eindverkopers, inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars, recyclingondernemingen en andere verwerkers, en alle bevoegde overheidsinstanties moeten kunnen deelnemen in de systemen voor inzameling, verwerking en recycling. Er kan van die verplichting afgeweken worden als er ernstige redenen zijn en na de goedkeuring van de OVAM.

Artikel 3.4.5.3. (27/08/2021- ...)

De producenten van batterijen en accu's zijn verantwoordelijk voor de financiering van de nettokosten die voortvloeien uit de inzameling, de verwerking en de recycling van het afval van alle batterijen en accu's, ongeacht wanneer die op de markt zijn gebracht. De producenten van batterijen en accu's dragen ook de kosten van de publieke voorlichtingscampagnes die handelen over de preventie, de inzameling, de verwerking en de recycling van afgedankte batterijen en accu's.

Elke producent, al dan niet lid van een beheersorganisme, stelt wanneer hij een batterij of accu in de handel brengt, een waarborg waaruit blijkt dat het beheer van de afgedankte batterijen en accu's zal worden gefinancierd. Die waarborg verzekert de financiering van de nettokosten die voortvloeien uit de inzameling, verwerking en recycling van die batterijen en accu's. De waarborg kan de vorm hebben van:
1° een collectieve waarborg:
a) de deelname van de producent aan een beheersorganisme als vermeld in artikel 3.2.2.1, § 1, waarbij hij een bijdrage betaalt die minstens de toekomstige kosten, vermeld in het eerste lid, dekt;
b) de deelname van de producent aan een garantiefonds, beheerd door een beheersorganisme als vermeld in artikel 3.2.2.1, § 1;
2° een individuele waarborg: een verpande rekening, een bankgarantie op eerste verzoek of een verzekering, op naam en ten laste van de individuele producent en met de OVAM als begunstigde, die ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de OVAM en die minstens de toekomstige nettokosten dekt die voortvloeien uit de inzameling, verwerking en recycling van de batterijen en accu's die de producent op de markt heeft gebracht.

Een garantiefonds als vermeld in het tweede lid, punt 1°, b) beantwoordt aan de volgende criteria:
1° het garantiefonds wordt beheerd door een beheersorganisme of meerdere samen als bedoeld in artikel 3.2.2.1, § 1;
2° de hoogte van het bedrag van de waarborg per kilogram op de markt gebrachte batterij of accu en per productiecategorie wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de OVAM, rekening houdend met de levensduur, de duurzaamheid van de materialen, de garanties die door de producenten worden gegeven en de hoeveelheden die op de markt gebracht worden, een risico-analyse en de vermoedelijke toekomstige kosten of opbrengsten voor inzameling, verwerking en recycling;
3° de betaling van deze bijdrage werkt niet bevrijdend ten aanzien van de financiële en operationele verantwoordelijkheden van de betrokken producent;
4° als een producent van batterijen en accu's niet meer bestaat, en de afgedankte batterijen terechtkomen in een inzamelsysteem van een beheersorganisme of van een producent, worden de kosten die verbonden zijn aan het beheer van de afgedankte batterijen en accu's gefinancierd door de verschillende garantiefondsen in verhouding tot de reeds geïnde waarborgen voor de batterijen en accu's van dezelfde productcategorie. Als de opgebouwde waarborgen in de garantiefondsen ontoereikend zouden zijn voor de dekking van de kosten die verbonden zijn aan het beheer van de afgedankte batterijen en accu's waarvan de producent niet meer bestaat, berust de verantwoordelijkheid voor de financiering van de niet-gedekte kosten bij de verschillende garantiefondsen waaraan alle producenten die hun waarborg stellen door deelname aan een garantiefonds en die op de markt aanwezig zijn op het tijdstip waarop de kosten ontstaan, bijdragen naar evenredigheid van hun marktaandeel voor de productcategorieën van batterijen en accu's in kwestie;
5° als de producent en het beheersorganisme als vermeld in artikel 3.2.2.1, § 1, waaraan hij een waarborg heeft betaald, niet geïdentificeerd kunnen worden, worden de kosten die verbonden zijn aan de inzameling, het transport, de verwerking en de recycling van de afgedankte batterijen en accu's in kwestie vergoed door de garantiefondsen en door de producenten die een individuele waarborg hebben gesteld, eventueel via het beheersorganisme waarbij ze zijn aangesloten, naar evenredigheid van hun marktaandeel voor de productcategorieën van batterijen en accu's in kwestie..

De producenten van batterijen en accu's, of de personen die door hen zijn aangesteld, halen op verzoek van de exploitant gratis alle afgedankte batterijen en accu's op die in het Vlaamse Gewest ontstaan in inrichtingen die vergund zijn voor de ontmanteling van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, in erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen of in inrichtingen die vergund zijn voor de ontmanteling van andere gebruiksgoederen.

In afwijking van artikel 3.2.1.1, § 6, worden bij de verkoop van nieuwe draagbare batterijen en accu's de kosten van de inzameling, de verwerking en de recycling voor de eindgebruikers niet afzonderlijk vermeld.

De producenten en de gebruikers van industriële en autobatterijen en -accu's mogen overeenkomsten sluiten waarin andere financieringsregelingen worden gestipuleerd die voldoen aan de bepalingen, vermeld in het eerste lid.

Artikel 3.4.5.4. (17/06/2019- ...)

Het individuele aanvaardingsplichtplan en de aanvaardingsplichtconvenant, vermeld in artikel 3.2.1.2, § 1, regelen :
1° de verplichting van de eindverkopers van batterijen en accu's om, overeenkomstig artikel 3.2.1.1, § 2, elke afgedankte batterij en accu in ontvangst te nemen die door de consument wordt aangeboden;
2° de verplichting van de tussenhandelaars in batterijen en accu's om alle afgedankte batterijen en accu's die met toepassing van dit besluit in ontvangst genomen zijn, op regelmatige basis ter plaatse bij de eindverkopers in te zamelen en aan de producent van batterijen en accu's aan te bieden;
3° de verplichting van de producenten van batterijen en accu's om alle aanvaarde afgedankte batterijen en accu's bij de tussenhandelaar van batterijen en accu's, of, bij gebrek daaraan, bij de eindverkoper van batterijen en accu's, op regelmatige basis in te zamelen en op eigen kosten te laten verwerken in een daarvoor vergunde inrichting;
4° de manier waarop het gepaste gebruik van batterijen en accu's wordt aangemoedigd.

Artikel 3.4.5.5. (01/06/2012- ...)

De producenten van batterijen en accu's zorgen ervoor, in het bijzonder door middel van voorlichtingscampagnes, dat de eindgebruikers volledig worden geïnformeerd over :
1° de potentiële effecten van in batterijen en accu's gebruikte stoffen op het milieu en de menselijke gezondheid;
2° de wenselijkheid dat afgedankte batterijen en accu's niet als ongesorteerd huishoudelijk en vergelijkbaar afval worden weggegooid, en dat wordt deelgenomen aan de gescheiden inzameling ervan, om de verwerking en recycling te vergemakkelijken;
3° de voor hen beschikbare inzamelings- en recyclingsystemen;
4° hun rol bij de recycling van afgedankte batterijen en accu's;
5° de betekenis van het symbool van de doorgestreepte vuilnisbak op wieltjes en van de chemische symbolen Hg, Cd en Pb.

Artikel 3.4.5.5/1. (01/07/2015- ...)

De producenten van batterijen en accu's worden eenmalig geregistreerd en krijgen bij registratie een registratienummer toegekend. Voor de registratie stellen de producenten de volgende gegevens ter beschikking van de OVAM of van de organisatie die ze daarvoor hebben aangewezen:
1° de naam van de producent en, in voorkomend geval, de commerciële benamingen waaronder hij zijn activiteiten ontplooit;
2° de adres(sen) van de producent: postcode en plaats, straatnaam en huisnummer, land, URL en telefoonnummer, alsook, in voorkomend geval, de contactpersoon, het fax en het e-mailadres van de producent;
3° de vermelding van het type batterijen of accu's dat door de producent op de markt wordt gebracht: draagbare batterijen en accu's, industriële batterijen en accu's of autobatterijen en -accu's;
4° de informatie over de wijze waarop de producent zijn verantwoordelijkheden nakomt: met een individuele of een collectieve regeling;
5° de datum van de registratieaanvraag;
6° de nationale identificatiecode van de producent, inclusief Europees belastingnummer of nationaal belastingnummer van de producent (facultatief);
7° de verklaring dat de verstrekte informatie waarheidsgetrouw is.

Bij wijziging van de geregistreerde gegevens moeten de producenten van batterijen en accu's de OVAM of de organisatie die is aangewezen voor de uitvoering van de registratie, daarvan uiterlijk een maand na de wijziging op de hoogte brengen. Als producenten niet langer actief zijn, moeten ze zich uitschrijven uit het register met een kennisgeving aan de OVAM of aan de organisatie die is aangewezen om van de registratie uit te voeren.

Als de organisatie die is aangewezen om de registratie uit te voeren, een registratievergoeding wil opleggen, moet die kostengerelateerd en evenredig zijn. De OVAM wordt dan op de hoogte gebracht van de kostenberekeningsmethodiek die toegepast is om de vergoeding vast te stellen.

Artikel 3.4.5.6. (27/08/2021- ...)

De producenten van batterijen en accu's of de organisatie die zij hiervoor hebben aangeduid, stellen voor 1 april van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM:
1° de totale hoeveelheid batterijen en accu's, uitgedrukt in kilogram, die in het Vlaamse Gewest op de markt werd gebracht, opgesplitst in de categorieën draagbare, industriële en autobatterijen en -accu's en de volgende soorten:
a) zink-bruinsteenbatterijen en -accu's;
b) alkali-mangaanbatterijen en -accu's;
c) zilveroxidebatterijen en -accu's;
d) zink-luchtbatterijen en -accu's;
e) primaire lithiumbatterijen en -accu's;
f) nikkel-cadmiumbatterijen en -accu's;
g) loodhoudende batterijen en -accu's;
h) nikkelmetaalhydride batterijen en -accu's;
i) herlaadbare lithiumbatterijen en -accu's;
j) overige batterijen en -accu's;
2° de totale hoeveelheid afgedankte batterijen en accu's, uitgedrukt in kilogram, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werd ingezameld, opgesplitst in de volgende soorten:
a) afgedankte knoopcellen;
b) afgedankte alkali-mangaan- en zink-bruinsteenbatterijen en -accu's en andere vergelijkbare afgedankte batterijen en accu's;
c) afgedankte primaire lithiumbatterijen en -accu's;
d) afgedankte nikkel-cadmiumbatterijen en -accu's;
e) afgedankte loodbatterijen en accu's;
f) afgedankte nikkel-metaalhydridebatterijen en -accu's;
g) afgedankte herlaadbare lithiumbatterijen en -accu's;
h) andere afgedankte batterijen en accu's.
i) het inzamelpercentage voor draagbare batterijen en accu's, met vermelding van de berekeningswijze en de wijze waarop de benodigde gegevens voor de berekening van het inzamelpercentage zijn verkregen;
3° de inrichtingen en de wijze waarop de ingezamelde batterijen en accu's werden verwerkt of werden voorbereid voor hergebruik of opnieuw werden gebruikt als batterij of accu in eenzelfde of een andere toepassing alsook de hoeveelheid ingezamelde batterijen en accu's waarop voorgenoemde behandeling is toegepast;
4° het gehaalde recyclageniveau voor loodzuurbatterijen en accu's, nikkel-cadmiumbatterijen en -accu's, en andere afgedankte batterijen en accu's : hoeveelheid ingezamelde batterijen waarop recycling is toegepast;
5° het recyclagepercentage voor loodzuurbatterijen en -accu's, nikkel-cadmiumbatterijen en -accu's, en andere afgedankte batterijen en accu's, berekend overeenkomstig Verordening (EG) 493/2012 van 11 juni 2012 houdende nadere bepalingen voor de berekening van de recyclingrendementen van de recyclingprocessen van afgedankte batterijen en accu's overeenkomstig Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad;
6° een overzicht van de acties voor preventie en de acties om gebruikte batterijen in eenzelfde of andere toepassing opnieuw op de markt te brengen.

[Onderafdeling 3.4.6. Afvalolie (verv. BVR 22 maart 2019, art. 30, I: 17 juni 2019)]

Artikel 3.4.6.1. (17/06/2019- ...)

Voor de afvalolie, vermeld in bijlage 3.4.6, wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. De aanvaardingsplicht is van toepassing vanaf 1 januari 2004.

In afwijking van artikel 3.2.1.1, § 1, zijn de eindverkopers, tussenhandelaars en producenten niet verplicht de producten waarvan de consument zich ontdoet, in ontvangst te nemen als aan die plicht wordt voldaan overeenkomstig artikel 3.2.1.1, § 2, tweede lid.

Artikel 3.4.6.2. (27/08/2021- ...)

De aanvaardingsplicht voor afvalolie moet ertoe leiden dat de potentieel beschikbare hoeveelheid afvalolie wordt ingezameld. Bij de bepaling van de potentieel beschikbare hoeveelheid afvalolie wordt rekening gehouden met de hoeveelheid olie die op de markt werd gebracht en de verliezen die ontstaan door de consumptie.

De ingezamelde afvalolie moet worden verwerkt met toepassing van de beste beschikbare technieken. Minstens 90% van de ingezamelde afvalolie wordt verwerkt door middel van regeneratie of andere recyclinghandelingen die gelijkwaardige of betere algehele milieuresultaten opleveren dan regeneratie. Het resterende deel wordt maximaal nuttig toegepast.

Artikel 3.4.6.3. (17/06/2019- ...)

Het individuele aanvaardingsplichtplan en de aanvaardingsplichtconvenant, vermeld in artikel 3.2.1.2, § 1, regelen in het bijzonder de wijze van inontvangstneming zodat de afvalolie die vrijkomt in het kader van de aanvaardingsplicht, maximaal kan worden ingezameld en verwerkt. De inzameling en verwerking van die afvalolie moeten georganiseerd worden door de eindverkopers, tussenhandelaars en producenten en zijn gratis voor de particuliere verbruikers. Voor de organisatie van de inzameling en de verwerking van afvalolie die afkomstig is van professionele verbruikers, kunnen in de aanvaardingsplichtconvenant stimulerende maatregelen opgenomen worden.

Artikel 3.4.6.4. (27/08/2021- ...)

De eindverkoper en de tussenhandelaar van olie of de organisatie die hiervoor is aangeduid, bezorgen de OVAM voor 1 juli van elk jaar een overzicht van de totale hoeveelheid afvalolie, uitgedrukt in liter, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht in ontvangst werd genomen gedurende het voorgaande kalenderjaar.

De producent van olie of de organisatie die hij hiervoor heeft aangeduid, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM :
1° de totale hoeveelheid olie, uitgedrukt in kilogram, die in het Vlaamse Gewest op de markt is gebracht;
2° de totale hoeveelheid afvalolie, uitgedrukt in kilogram, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werd ingezameld. Hij geeft daarbij op een gemotiveerde wijze aan wat de verliezen zijn die ontstaan door de consumptie;
3° de inrichtingen waar en de wijze waarop de ingezamelde afvalolie werd verwerkt;
4° de totale hoeveelheden afvalolie, uitgedrukt in kilogram, die afgevoerd zijn naar regeneratie, andere recyclinghandelingen en andere nuttige toepassingen.
5° de totale hoeveelheid biodegradeerbare olie, uitgedrukt in kilogram, die in het Vlaamse Gewest op de markt is gebracht;
6° de totale hoeveelheden, uitgedrukt in kilogram, basisolie en andere nuttige componenten afkomstig van de verwerking van afvalolie en hun respectievelijke toepassingen;
7° de totale hoeveelheid afvalstoffen, uitgedrukt in kilogram, afkomstig van de verwerking van afvalolie, die verwijderd is.

Onderafdeling 3.4.7. Oude en vervallen geneesmiddelen

Artikel 3.4.7.1. (22/09/2014- ...)

Voor oude en vervallen geneesmiddelen wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van een collectief plan als vermeld in afdeling 3.3, dat de betrokken farmaceutische bedrijven, groothandelaars-verdelers en apothekers opstellen tegen 1 juli 2014.

Artikel 3.4.7.2. (22/09/2014- ...)

In het collectief plan wordt een selectieve inzameling en verwerking van oude en vervallen geneesmiddelen opgezet waarbij:
1° de apothekers verplicht zijn de oude en vervallen geneesmiddelen in ontvangst te nemen die hen door de burgers worden aangeboden;
2° de groothandelaars-verdelers verantwoordelijk zijn voor de ophaling van de oude en vervallen geneesmiddelen bij de apothekers en voor de afvoer naar de verwerkingsinstallaties;
3° de farmaceutische bedrijven belast zijn met de verwerking van de oude en vervallen geneesmiddelen.

Artikel 3.4.7.3. (22/09/2014- ...)

De actoren, vermeld in artikel 3.4.7.1, leveren de nodige sensibiliseringsinspanningen voor het welslagen van de selectieve inzameling. De ontwerpen van de sensibiliseringsacties worden minstens één maand voor de aanvang van de actie ter goedkeuring voorgelegd aan de OVAM.

Artikel 3.4.7.4. (22/09/2014- ...)

Er wordt een begeleidingscommissie opgericht door de actoren, vermeld in artikel 3.4.7.1. De begeleidingscommissie coördineert de uitvoering van het collectief plan en is belast met de opmaak van de jaarlijkse rapportage en actieplannen. De begeleidingscommissie komt minstens één maal per jaar samen. De OVAM wordt uitgenodigd op de vergaderingen van de begeleidingscommissie.

Artikel 3.4.7.5. (22/09/2014- ...)

De begeleidingscommissie rapporteert jaarlijks voor 1 april aan de OVAM over:
1° de modaliteiten van de inzameling, de ophaling en de verwerking van de oude en vervallen geneesmiddelen;
2° de hoeveelheid ingezamelde oude en vervallen geneesmiddelen en de wijze van verwerking;
3° de acties en initiatieven die werden genomen om de selectieve inzameling via de apothekers te stimuleren.

[Onderafdeling 3.4.8. Afgedankte matrassen (verv. BVR 23 september 2016, art. 14, I: 16 december 2016)]

Artikel 3.4.8.1. (27/08/2021- ...)

§ 1. Voor afgedankte matrassen wordt de uitgebreide producenten-verantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. De aanvaardingsplicht is van toepassing vanaf 1 januari 2021.

§ 2. De verplichtingen uit artikel 3.2.1.1, § 1/1 en § 2, gelden niet voor afgedankte matrassen.

§ 3. Het individuele aanvaardingsplichtplan en de aanvaardingsplichtconvenant, vermeld in artikel 3.2.1.2, § 1, regelen in het bijzonder de wijze van inontvangstneming, zodat de afgedankte matrassen die vrijkomen in het kader van de aanvaardingsplicht maximaal worden ingezameld en verwerkt. De afgifte van afgedankte matrassen is gratis voor de particuliere huishoudens behoudens eventuele transportkosten bij ophaling aan huis via de lokale besturen. Voor de inzameling en de verwerking van afgedankte matrassen afkomstig van eindverkopers, bedrijven en instellingen, worden stimulerende maatregelen genomen door de producenten.

Artikel 3.4.8.2. (27/08/2021- ...)

De aanvaardingsplicht voor afgedankte matrassen moet ertoe leiden dat alle afgedankte matrassen die worden aangeboden, worden ingezameld.

De ingezamelde afgedankte matrassen worden verwerkt met toepassing van de beste beschikbare technieken. De verwijdering van afgedankte matrassen is niet toegestaan.

Vanaf 1 januari 2021 gelden de volgende doelstellingen:
1° het inzamelpercentage van afgedankte matrassen bedraagt 30%;
2° het totale percentage hergebruik en recyclage van de ingezamelde afgedankte matrassen bedraagt minstens 10%;
3° de rest van de ingezamelde afgedankte matrassen wordt nuttig toegepast.

Vanaf 1 januari 2023 gelden de volgende doelstellingen:
1° het inzamelpercentage van afgedankte matrassen bedraagt 50%;
2° het totale percentage hergebruik en recyclage van de ingezamelde afgedankte matrassen bedraagt minstens 35%;
3° de rest van de ingezamelde afgedankte matrassen wordt nuttig toegepast.

Vanaf 1 januari 2025 gelden de volgende doelstellingen:
1° het inzamelpercentage van afgedankte matrassen bedraagt 65%;
2° het totale percentage hergebruik en recyclage van de ingezamelde afgedankte matrassen bedraagt minstens 50%;
3° de rest van de ingezamelde afgedankte matrassen wordt nuttig toegepast.

Vanaf 1 januari 2030 gelden de volgende doelstellingen:
1° het inzamelpercentage van afgedankte matrassen bedraagt 80%;
2° het totale percentage hergebruik en recyclage van de ingezamelde afgedankte matrassen bedraagt minstens 75%;
3° de rest van de ingezamelde afgedankte matrassen wordt nuttig toegepast.

Onder inzamelpercentage wordt in dit artikel verstaan: het percentage dat wordt verkregen door het gewicht van de afgedankte matrassen die zijn ingezameld te delen door het gewicht van de matrassen die de producenten op de markt gebracht hebben gedurende dat kalenderjaar.

Artikel 3.4.8.3. (27/08/2021- ...)

De eindverkoper en de tussenhandelaar van matrassen of de organisatie die daarvoor is aangewezen, bezorgen de OVAM vóór 1 juli van elk jaar een overzicht van de totale hoeveelheid matrassen, uitgedrukt in aantal en in kilogram, die in het kader van de aanvaardingsplicht in ontvangst zijn genomen gedurende het voorgaande kalenderjaar.

De producent van matrassen of de organisatie die hij daarvoor heeft aangewezen, stelt jaarlijks vóór 1 juli de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM :
1° de totale hoeveelheid matrassen, uitgedrukt in aantal en in kilogram, die in het Vlaamse Gewest op de markt zijn gebracht;
2° de totale hoeveelheid afgedankte matrassen, uitgedrukt in aantal en in kilogram, die in het Vlaamse Gewest zijn ingezameld in het kader van de aanvaardingsplicht;
3° de inrichtingen waar en de wijze waarop de ingezamelde afgedankte matrassen en de materialen die voortkomen uit de verwerking van de afgedankte matrassen zijn verwerkt;
4° de totale hoeveelheid van de materialen die voortkomen uit de verwerking van de afgedankte matrassen, uitgedrukt in kilogram, die :
a) ...;
b) zijn gerecycleerd;
c) nuttig zijn toegepast;
d) zijn verwijderd;
5° de totale hoeveelheid afgedankte matrassen, uitgedrukt in kilogram, die:
a) zijn uitgesorteerd voor hergebruik;
b) gerecycleerd is;
c) nuttig is toegepast.

Onderafdeling 3.4.9. Afgedankte fotovoltaïsche zonnepanelen

Artikel 3.4.9.1. (22/09/2014- ...)

...

Artikel 3.4.9.2. (22/09/2014- ...)

...

Artikel 3.4.9.3. (22/09/2014- ...)

...

Onderafdeling 3.4.10. [... (opgeh. BVR 23 september 2016, art. 15, I: 16 december 2016)]

Artikel 3.4.10.1. (16/12/2016- ...)

...

Artikel 3.4.10.2. (16/12/2016- ...)

...

Artikel 3.4.10.3. (16/12/2016- ...)

...

Onderafdeling 3.4.11. Zwerfvuil

Artikel 3.4.11.1. (05/03/2018- ...)

Voor verbruiksgoederen die door de minister worden aangeduid als goederen die vaak terug te vinden zijn in het zwerfvuil, wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door de verplichting voor de betrokken producenten om te beschikken over een collectief plan als vermeld in afdeling 3.3, dat de betrokken producenten moeten opstellen tegen 1 januari 2013.

Het collectieve plan omschrijft acties die de producenten ondernemen om de aanwezigheid van hun goederen en verpakkingen in het zwerfvuil tegen te gaan, en handelt specifiek over mogelijke sensibiliseringsmaatregelen om een gedragsverandering te verkrijgen.

Ter vervanging van de plicht tot het opstellen van een collectief plan kan een individuele onderneming of bedrijfsfederatie een overeenkomst over haar inspanningen rond zwerfvuil sluiten met de OVAM. De overeenkomst omvat de voorwaarden van de samenwerking met andere bedrijven en de Vlaamse overheid binnen een project dat gericht is op het verminderen van zwerfvuil, en de financiële engagementen van de individuele onderneming of de bedrijfsfederatie namens haar leden voor het project.

Onderafdeling 3.4.12. [... (opgeh. BVR 23 september 2016, art. 16, I: 16 december 2016)]

Artikel 3.4.12.1. (16/12/2016- ...)

...

Onderafdeling 3.4.13. Gebruikte wegwerpluiers

Artikel 3.4.13.1. (01/06/2012- ...)

Voor gebruikte wegwerpluiers wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van een collectief plan als vermeld in afdeling 3.3, dat de betrokken producenten moeten opstellen tegen 1 januari 2013.

Het collectieve plan handelt over hergebruik, sensibilisering en ecodesign. Het plan verstrekt bovendien informatie over de mate waarin en de manier waarop gebruikte wegwerpluiers nuttig toe te passen zijn.

[Onderafdeling 3.4.14. Kunststofhoudend vistuigafval (ing. BVR mei 2023, art. 5, I: 3 juni 2023)]

Artikel 3.4.14.1. (03/06/2023- ...)

§1. Voor kunststofhoudend vistuigafval wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. De aanvaardingsplicht is van toepassing vanaf 31 december 2024.
           
De verplichtingen, vermeld in artikel 3.2.1.1, §1/1 en §2, gelden niet voor kunststofhoudend vistuigafval. 

§2. Het individueel aanvaardingsplichtplan en de aanvaardingsplichtconvenant, vermeld in artikel 3.2.1.2, §1, regelen in het bijzonder de kostendekking door de producenten van kunststofhoudend vistuig voor de gescheiden inzameling van het kunststofhoudende vistuigafval dat bij de daarvoor bestemde havenontvangstvoorzieningen is afgeleverd in overeenstemming met onderafdeling 5.2.10 inzake afval van schepen van de zeevaart, en de kosten voor het daaropvolgende vervoer en de verwerking ervan. De vereisten van dit artikel vullen de vereisten aan voor afval van vissersvaartuigen als vermeld in onderafdeling 5.2.10 inzake afval van schepen van de zeevaart.
 

Artikel 3.4.14.2. (03/06/2023- ...)

§1. De producenten van kunststofhoudend vistuig dekken de kosten voor de gescheiden inzameling van het kunststofhoudende vistuigafval dat bij de daarvoor bestemde havenontvangstvoorzieningen is afgeleverd in overeenstemming met onderafdeling 5.2.10 inzake afval van schepen van de zeevaart, en de kosten voor het daaropvolgende vervoer en de verwerking ervan.
         
De vereisten van dit artikel vullen de vereisten aan voor afval van vissersvaartuigen als vermeld in onderafdeling 5.2.10 inzake afval van schepen van de zeevaart.

§2. De producent van kunststofhoudend vistuig of de organisatie die daarvoor is aangewezen, bezorgt de OVAM voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar:
1° een overzicht van de totale hoeveelheid kunststofhoudend vistuig die in het Vlaamse Gewest in de handel is gebracht, uitgedrukt in kilogram en in soorten;
2° een overzicht van de totale hoeveelheid kunststofhoudend vistuigafval, uitgedrukt in kilogram en in soorten, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht in ontvangst is genomen. Het betreft zowel kunststofhoudend vistuigafval als afzonderlijke onderdelen, stoffen of materialen die deel uitmaakten van of bevestigd waren aan het vistuigafval toen het werd afgedankt, ook als het werd achtergelaten of verloren;
3° de inrichtingen waar en de wijze waarop het kunststofhoudende vistuigafval dat in ontvangst was genomen, werd verwerkt.
         
De eerste verslagperiode met de informatie, vermeld in het eerste lid, bestrijkt het kalenderjaar 2022.

§3. De aanvaardingsplicht voor kunststofhoudend vistuigafval moet ertoe leiden dat al het kunststofhoudend vistuigafval dat wordt aangeboden, wordt ingezameld. Vanaf 1 januari 2025 geldt een jaarlijks minimum inzamelpercentage voor het recyclen van kunststofhoudend vistuigafval van 25%. Het ingezameld kunststofhoudend vistuigafval wordt verwerkt met toepassing van de beste beschikbare technieken.
 

Artikel 3.4.14.3. (03/06/2023- ...)

De producenten van kunststofhoudend vistuig nemen maatregelen om gebruikers voor te lichten en verantwoordelijk productgebruik te stimuleren, om tot een vermindering van marien zwerfafval te komen, en nemen maatregelen om gebruikers van kunststofhoudend vistuig in te lichten, in het bijzonder over:
1° de beschikbaarheid van herbruikbare alternatieven, systemen voor hergebruik en mogelijkheden voor afvalbeheer van kunststofhoudend vistuig, alsook over de beste praktijken voor een degelijk afvalbeheer in overeenstemming met artikel 4 §3, 2°, van het Materialendecreet;
2° de effecten op het milieu, in het bijzonder het mariene milieu, van zwerfafval en andere ongepaste vormen van verwijdering van afval van kunststofhoudend vistuig.

[Afdeling 3.5. Vrijwillige terugname van huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen (ing. BVR 2 juli 2021, art. 43, I: 27 augustus 2021)]

Artikel 3.5.1. (27/08/2021- ...)

Onder de vrijwillige terugname van huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen wordt verstaan: elke vrijwillige inzameling, naast de gemeentelijke inzameling in het kader van de zorgplicht, met als doel de selectieve inzameling van huishoudelijke afvalstoffen of met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen via eindverkopers van gelijkaardige producten.

De bepalingen van afdeling 3.5 zijn niet van toepassing voor:
1° afvalstoffen die onder een regeling van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid vallen;
2° verpakkingsafval dat selectief wordt ingezameld in het kader van de terugnameplicht;
3° papier- en kartonafval.

De afvalstoffen, vermeld in het tweede lid, kunnen alleen worden teruggenomen conform de specifieke bepalingen, vermeld in afdeling 3.2, en het interregionaal samenwerkingsakkoord betreffende het beheer en de preventie van verpakkingsafval.

Artikel 3.5.2. (27/08/2021- ...)

De inzameling van afvalstoffen in het kader van een vrijwillige terugname voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° het inzamelsysteem moet garanderen dat de ingezamelde afvalstoffen worden hergebruikt of gerecycleerd;
2° de afvalstoffen worden ingezameld:
a) op het eigen terrein van eindverkopers die gelijkaardige producten op de markt brengen;
b) of bij levering aan huis van gelijkaardige producten;
3° de afvalstoffen worden opgeslagen zonder schade, hinder of verontreiniging aan mens, milieu of directe omgeving;
4° er wordt gezorgd voor een georganiseerde regelmatige afvoer van de afvalstoffen;
5° de recipiënten waarin de afvalstoffen ingezameld en getransporteerd worden, zijn technisch geschikt voor die afvalstoffen. Ze worden in goede staat van werking gehouden;
6° de ingezamelde hoeveelheden staan in verhouding tot de geleverde of verkochte producten;
7° er wordt samengewerkt met een geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar voor de afvoer;
8° de exploitant van de inrichting waar de afvalstoffen worden ingezameld, stelt de OVAM en de gemeente waar de inzameling gebeurt, in kennis van het initiatief tot vrijwillige terugname;
9° de exploitant van de inrichting waar de afvalstoffen worden ingezameld, houdt de ingezamelde hoeveelheden bij in een afvalstoffenregister;
10° zodra het initiatief tot vrijwillige terugname één keer per jaar langer dan een maand wordt georganiseerd, is de exploitant van de inrichting verplicht om de vrijwillige terugname minstens twee opeenvolgende jaren te organiseren.

Artikel 3.5.3. (27/08/2021- ...)

De eindverkopers verstrekken op verzoek van OVAM alle bijkomende informatie die de OVAM nuttig acht voor de evaluatie en de controle van de vrijwillige terugname van huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen.

HOOFDSTUK 4. Algemene bepalingen over het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen

Afdeling 4.1. Indeling van afvalstoffen

Artikel 4.1.1. (27/08/2021- ...)

Straat- en veegvuil, afval van straatvuilnisbakjes in beheer door een gemeente of intergemeentelijk samenwerkingsverband en afval van het opruimen van sluikstorten worden gelijkgesteld aan huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 4.1.2. (27/08/2021- ...)

Overeenkomstig artikel 22 van het Materialendecreet worden de volgende afvalstoffen als bijzondere afvalstoffen aangewezen :
1° drukwerkafval;
2° afgedankte voertuigen;
3° afvalbanden;
4° afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
5° afgedankte batterijen en accu's;
6° andere afvalolie dan de olie, vermeld in 16°, g);
7° oude en vervallen geneesmiddelen;
8° gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën;
9° gebruikte wegwerpluiers;
10° fvallandbouwfolies;
11° zwerfvuil;
12° afval van schepen van de zee- en binnenvaart;
13° gebruikte injectienaalden;
14° afgedankte fotovoltaïsche zonnepanelen;
15° bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt niet valoriseerbaar is om te gebruiken als bodem, voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product in het kader van titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO;
16° de volgende afvalstoffen die ontstaan bij het onderhouden, herstellen of slopen van motorvoertuigen, motorvaartuigen, motorvliegtuigen en hun toebehoren :
a) stof dat vrije asbestvezels bevat;
b) remschoenen, remschijven, remplaten, remblokken en koppelingsplaten die asbest bevatten;
c) afgedankte batterijen en accu's;
d) vervuilde of onbruikbare solventen;
e) destillatieresidu's van solventrecuperatie, resten van verf, lak en vernis, slib van spuitcabines;
f) synthetische remvloeistof;
g) afvalolie;
h) vervuilde of onbruikbare brandstoffen;
i) koelvloeistoffen;
j) koelmiddelen die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
k) vervuilde filters van spuitcabines, spuitbussen, verpakkingen die gevaarlijke stoffen, met uitzondering van olie, hebben bevat of die door die stoffen werden verontreinigd en niet meer gebruikt worden;
l) oliehoudende stoffen, zoals oliefilters, brandstoffilters, gebruikt absorptiemateriaal, afvalstoffen uit de olie-waterafscheider, oliehoudende schokdempers, verpakkingen die olie hebben bevat of die door olie werden verontreinigd en niet meer gebruikt worden;
m) katalysatoren;
n) patronen van airbags, die chemicaliën bevatten;
17° klein gevaarlijk afval;
18° papier- en kartonafval;
19° asbesthoudend afval;
20° pvc-afval;
21° afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
22° gebruikte pcb's;
23° medisch afval;
24. bouw- en sloopafval;
25° dierlijke bijproducten die voldoen aan de definitie van afvalstof;
26° afvalstoffen van de titaandioxide-industrie;
27° landbouwafvalstoffen;
28° mijnbouwafvalstoffen;
29° slib dat afkomstig is van de drinkwaterproductie, de reiniging van riolen, septische putten en vetvangers, en van waterzuiveringsinstallaties;
30° afgedankte matrassen;
31° met fipronil verontreinigde pluimveemest: de mest, afkomstig van een pluimveebedrijf in het Vlaamse Gewest dat naar aanleiding van de fipronilcrisis geblokkeerd is, die op basis van een analyserapport van een laboratorium dat de Vlaamse overheid daarvoor erkend heeft, een totaal gehalte aan fipronil van meer dan 0,01 mg per kg verse stof bevat.

Artikel 4.1.3. (08/04/2024- ...)

§1. Onder gevaarlijke afvalstoffen worden de afvalstoffen verstaan die in de lijst, vermeld in bijlage 2.1, met een asterisk zijn aangeduid.

De afvalstoffen, vermeld in het eerste lid, worden geacht minstens een van de gevaarlijke eigenschappen te bezitten als vermeld in verordening (EU) 1357/2014 van de Commissie van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen of als vermeld in verordening (EU) 2017/997 van de Raad van 8 juni 2017 tot wijziging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de gevaarlijke eigenschap HP 14 "Ecotoxisch".

§2. Als er onvoldoende informatie beschikbaar is over de samenstelling en herkomst van het afval, moet de gevaarlijke eigenschap HP14 “ecotoxisch” volgens een van de volgende methoden geëvalueerd worden: 
1° een evaluatie op basis van de rekenregels die beschreven zijn in de bijlage van verordening (EU) 2017/997 van de Raad van 8 juni 2017 tot wijziging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de gevaarlijke eigenschap HP 14 "Ecotoxisch". Verordening (EU) 2017/997 bepaalt ook dat de biologische beschikbaarheid van stoffen in rekening gebracht mag worden bij de indeling van de afvalstof. Dat gebeurt als volgt: als een afvalstof volgens de rekenregels als gevaarlijk wordt ingedeeld, en als die indeling alleen te wijten is aan de aanwezigheid van anorganische stoffen in de afvalstof, mag afgeweken worden van de rekenregels. In dat geval wordt de afvalstof geacht niet ecotoxisch te zijn als de concentratie van elk van de parameters in het extract zich onder de volgende grenswaarden van die respectieve parameter bevindt: 
 

Parameter Uitloogbaarheid in mg/kg droge stof*
As 2
Cd 1
Cr 10
Cu 10
Hg 0,2
Ni 10
Pb 10
Co 5
Se 0,5
Zn 25
CN 10
DOC 800

2° een evaluatie van de afvalstoffen, vermeld in artikel 4.1.3, §1, eerste lid, waarbij ze worden geacht “ecotoxisch” te zijn als het extract 50% effect of meer opwekt bij minstens een van de volgende drie biotesten, uitgevoerd zoals vermeld in CMA/4/C voor methoden voor extractie en biotesten:
a) Microtox ;
b) Daphnia immobilisatie ;
c) Algen groeiinhibitie .

De houder van het afval kiest de methode. Als een van beide methoden aangeeft dat het afval niet ecotoxisch is, is het gebruik van de tweede methode niet nodig. Als een gevaarlijke eigenschap van afval is beoordeeld zowel door middel van een test als vermeld in het eerste lid, 2°, als aan de hand van de rekenregels, vermeld in het eerste lid, 1°, hebben de testresultaten voorrang.

Andere biotesten, verdunningen of grenswaarden dan deze vermeld in het eerste lid, 2°, zijn niet toegelaten.

Artikel 4.1.4. (17/06/2019- ...)

§ 1. De minister kan op verzoek van de houder beslissen dat een specifieke op de lijst als gevaarlijk aangegeven afvalstof in individuele gevallen geen van de eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, bezit en dus geen gevaarlijke afvalstof is.

Een declassering kan worden toegestaan voor een bepaalde afvalstof van een specifieke productieplaats en voor een specifieke productiestap binnen het productieproces.

§ 2. De houder van de afvalstof dient per beveiligde zending een verzoek tot declassering in op het adres van de OVAM. De aanvraag moet minstens de volgende gegevens bevatten :
1° de identificatie van de houder;
2° de identificatie van de maatschappelijke zetel en van de exploitatiezetel waarop het verzoek betrekking heeft;
3° de aard van de afvalstof (de EURAL-code, vermeld in bijlage 2.1);
4° een kopie van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor het proces waaruit de afvalstof vrijkomt, indien van toepassing;
5° een gedetailleerde beschrijving van de stap uit het productieproces waarin de afvalstof ontstaat. De beschrijving moet zo opgesteld worden dat aangetoond wordt waarom de gevaarlijke eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, niet van toepassing zijn;
6° voor de gevaarlijke eigenschappen HP3 tot en met HP8, HP10 en HP11 wordt aan de hand van analyseresultaten aangetoond dat de grenswaarden, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, niet overschreden worden;
7° voor de andere gevaarlijke eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, wordt gemotiveerd waarom ze niet aanwezig kunnen zijn in de afvalstof waarvoor het verzoek wordt ingediend. De houder van de afvalstof ondertekent en dateert het verzoek tot declassering. De naam en de functie van de ondertekenaar worden vermeld.

De minister doet uitspraak binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van de aanvraag. Voorafgaand aan die uitspraak wint de minister het advies in van de OVAM.

De OVAM stuurt de beslissing op naar de houder van de afvalstof, per beveiligde zending, binnen een termijn van tien kalenderdagen na de datum van de beslissing.

Elke wijziging van de administratieve gegevens van de houder van de afvalstof wordt aan de OVAM meegedeeld.

Artikel 4.1.5. (01/06/2012- ...)

De minister kan in met redenen omklede uitzonderingssituaties, gemotiveerd op wetenschappelijke gronden, beslissen dat individuele afvalstoffen die op de lijst als niet-gevaarlijk zijn aangeduid, toch een of meer van de eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, bezitten. Die afvalstoffen worden gevaarlijke afvalstoffen.

De EURAL-code van de afvalstof en de specifieke omstandigheden waarin de afvalstof als gevaarlijk wordt geklasseerd, worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en gepubliceerd op de website van de OVAM.

Artikel 4.1.6. (16/12/2016- ...)

In afwijking van artikel 4.1.3 worden, voor zover dit selectief ingezameld huishoudelijk verpakkingsafval niet onder artikel 5.2.2.1, 10°, valt, niet als een gevaarlijke afvalstof beschouwd :
1° het selectief ingezameld afval van geledigde, leeggegoten of leeggeschraapte verpakkingen van huishoudelijke oorsprong die reinigings- of onderhoudsmiddelen hebben bevat die uitsluitend in waterige fase kunnen worden gebruikt, en die een of meer gevaarlijke stoffen hebben bevat die worden aangeduid door de pictogrammen GHS07 (uitroepingsteken), GHS05 (corrosief), subcategorie H318, overeenkomstig verordening (EG) 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) 1907/2006 of door de pictogrammen Xi-irriterend en C-corrosief overeenkomstig de richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en de richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten;
2° het selectief ingezameld afval van geledigde, leeggegoten of leeggeschraapte verpakkingen van huishoudelijke oorsprong die voeding of cosmetica hebben bevat, en die een of meer gevaarlijk stoffen hebben bevat die worden aangeduid door het pictogram GHS02 (ontvlambaar) overeenkomstig verordening (EG) 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) 1907/2006 of door het pictogram F-ontvlambaar overeenkomstig de richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en de richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten.

Afdeling 4.2. Indeling van afvalstoffenhandelingen

Artikel 4.2.1. (01/06/2012- ...)

Onder verwijderingshandelingen van afvalstoffen als vermeld in artikel 3, 26°, van het Materialendecreet, worden de volgende handelingen verstaan :

EU-code

handelingen

D1

storten op of in de bodem (bijvoorbeeld op een vuilstortplaats)

D2

uitrijden (bijvoorbeeld biologische afbraak van vloeibaar of slibachtig afval in de bodem)

D3

injectie in de diepe ondergrond (bijvoorbeeld injectie van verpompbare afvalstoffen in putten, zoutkoepels of van natuurlijk gevormde holten)

D4

opslag in waterbekkens (bijvoorbeeld het lozen van vloeibaar of slibachtig afval in putten, vijvers of lagunen)

D5

verwijderen op speciaal ingerichte locaties (bijvoorbeeld in afzonderlijk beklede, afgedekte cellen die van elkaar en van de omgeving afgeschermd zijn)

D6

lozen/storten in wateren, behalve zeeën en oceanen

D7

lozen/storten in zeeën en oceanen, inclusief inbrengen in de zeebodem

D8

biologische behandeling op een andere wijze dan de wijzen, vermeld in dit artikel, waardoor verbindingen of mengsels ontstaan die worden verwijderd volgens een van de methoden, vermeld in D1 tot en met D12

D9

fysisch-chemische behandeling op een andere wijze dan de wijzen, vermeld in dit artikel, waardoor verbindingen of mengsels ontstaan die worden verwijderd volgens een van de methoden, vermeld in D1 tot en met D12 (bijvoorbeeld verdampen, drogen, calcineren)

D10

verbranding op het land

D11

verbranding op zee (*)

D12

permanente opslag (bijvoorbeeld plaatsen van houders in mijnen)

D13

vermengen voorafgaand een van de handelingen, vermeld in D1 tot en met D12 (**)

D14

herverpakken, voorafgaand aan de behandelingen, vermeld in D1 tot en met D13

D15

opslag, in afwachting van de behandelingen, vermeld in D1 tot en met D14 (met uitsluiting van voorlopige opslag die voorafgaat aan inzameling op de plaats van productie)

 

 

(*) verboden op grond van EU-wetgeving en internationale verdragen en overeenkomsten
(**) als er geen andere passende D-code voorhanden is, kan dat voorbereidende handelingen, voorafgaand aan verwijdering, omvatten, inclusief voorbehandeling, zoals sorteren, verbrijzelen, verdichten, pelletiseren, drogen, versnipperen, conditioneren of scheiden, voorafgaand aan een van de handelingen, vermeld in D1 tot en met D12.

Artikel 4.2.2. (27/08/2021- ...)

Onder handelingen voor de nuttige toepassing van afvalstoffen als vermeld in artikel 3, 23°, van het Materialendecreet, worden de volgende handelingen verstaan :

EU-code

handelingen

R1

hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking (*)

R2

terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen

R3

recyclage/terugwinning van organische stoffen die niet als oplosmiddel worden gebruikt (met inbegrip van compostering en andere biologische omzettingsprocessen) (**)

R4

recyclage/terugwinning van metalen en metaalverbindingen (******)

R5

recyclage/terugwinning van andere anorganische materialen (***)

R6

regeneratie van zuren of basen

R7

terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan

R8

terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren

R9

herraffinage van olie en ander hergebruik van olie

R10

uitrijden voor landbouwkundige of ecologische verbetering

R11

gebruik van afvalstoffen die bij een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R10 vrijkomen

R12

uitwisseling van afvalstoffen voor een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R11 (****)

R13

opslag van afvalstoffen voor een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R12 (met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaand aan inzameling op de plaats van productie)(*****)

(*) Hieronder vallen ook verbrandingsinstallaties die specifiek bestemd zijn om vast stedelijk afval te verwerken, op voorwaarde dat hun energie-efficiëntie ten minste :
1° 0,60 bedraagt bij installaties die voor 1 januari 2009 in bedrijf zijn en over een vergunning beschikken overeenkomstig het Decreet betreffende de omgevingsvergunning;
2° 0,65 bedraagt bij installaties waarvoor na 31 december 2008 een vergunning wordt afgegeven, zoals berekend met de volgende formule :
energie-efficiëntie = (Ep - (Ef + Ei)) / (0,97 x (Ew + Ef)),
waarbij :
a) Ep = de hoeveelheid energie die jaarlijks als warmte of elektriciteit wordt geproduceerd. Bij de berekening wordt energie in de vorm van elektriciteit vermenigvuldigd met een factor 2,6, en warmte die wordt geproduceerd voor commerciële toepassingen, met een factor 1,1 (in GJ/jaar);
b) Ef = de jaarlijkse energie-input in het systeem, afkomstig van brandstoffen die voor de productie van stoom worden gebruikt (in GJ/jaar);
c) Ew = de hoeveelheid energie die is besloten in de jaarlijks verwerkte hoeveelheid afvalstoffen, berekend aan de hand van de netto calorische waarde van de afvalstoffen (in GJ/jaar);
d) Ei = de hoeveelheid energie die jaarlijks wordt geïmporteerd, Ew en Ef niet meegerekend (in GJ/jaar);
e) 0,97 = correctiefactor om rekening te houden met energieverliezen via bodemas en straling.

De waarde van de energie-efficiëntieformule wordt op de onderstaande wijze met een klimaatcorrectiefactor (CCF) vermenigvuldigd :
1. CCF voor installaties die vóór 1 september 2015 in bedrijf zijn en over een vergunning beschikken overeenkomstig het toepasselijke Unierecht :
CCF = 1 als HDD >= 3 350
CCF = 1,25 als HDD <= 2 150
CCF = - (0,25/1 200) x HDD + 1,698 als 2 150 < HDD < 3 350
2. CCF voor installaties waarvoor na 31 augustus 2015 een vergunning wordt afgegeven en voor installaties bedoeld in punt 1 na 31 december 2029 :
CCF = 1 als HDD >= 3 350
CCF = 1,12 als HDD <= 2 150
CCF = - (0,12/1 200) x HDD + 1,335 als 2 150 < HDD < 3 350

(De daaruit resulterende CCF-waarde zal worden afgerond tot op drie decimalen). Als HDD-waarde (Heating Degree Days - graaddagen voor verwarming) moet het gemiddelde van de jaarlijkse HDD-waarden voor de locatie van de verbrandingsinstallatie gelden, berekend over een periode van 20 opeenvolgende jaren vóór het jaar waarvoor de CCF wordt berekend.

De HDD-waarde moet aan de hand van de volgende door Eurostat vastgestelde methode worden berekend : HDD is gelijk aan (18 ° C - Tm) x d als Tm minder bedraagt dan of gelijk is aan 15 ° C (verwarmingsdrempel), en is gelijk aan nul als Tm meer bedraagt dan 15 ° C, waarbij Tm de gemiddelde (Tmin + Tmax)/2 buitentemperatuur over een periode van d dagen is. De berekeningen moeten dagelijks worden uitgevoerd (d = 1) en voor een heel jaar worden opgeteld.

De formule wordt toegepast overeenkomstig het Europese referentiedocument over de beste beschikbare technieken voor afvalverbranding. De berekeningswijze en de toepassing van de formule worden goedgekeurd en geverifieerd door de OVAM..

(**) Hieronder vallen voorbereiding voor hergebruik, vergassing en pyrolyse waarbij de componenten worden gebruikt als chemicaliën en nuttige toepassing van organisch materiaal in de vorm van opvulling.

(***) Hieronder vallen voorbereiding voor hergebruik, recycling van anorganisch bouwmateriaal, nuttige toepassing van anorganische materialen in de vorm van opvulling, en bodemreiniging die resulteert in sanering van de bodem.

(****) Als er geen andere passende R-code voorhanden is, kan dat voorbereidende handelingen, voorafgaand aan nuttige toepassing, omvatten, inclusief voorbehandeling, zoals demonteren, sorteren, verbrijzelen, verdichten, pelletiseren, drogen, versnipperen, conditioneren, herverpakken, scheiden of mengen, voorafgaand aan een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R11.

(*****) Tijdelijke opslag als vermeld in dit artikel, betekent voorlopige opslag die niet plaatsvindt op de plaats van de productie.

(******) Hieronder valt voorbereiding voor hergebruik.

Afdeling 4.3. Afzonderlijke inzameling van afvalstoffen

Artikel 4.3.1. (08/04/2024- Datum te bepalen door de minister)

Ten minste de volgende huishoudelijke afvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden en verder afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling :
1° klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong;
2° glazen flessen en bokalen;
3° papier- en kartonafval;
4° grofvuil;
5° bioafval;
6° textielafval;
7° afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
8° afvalbanden;
9° puin;
10° asbestcementhoudende afvalstoffen;
11° pmd-afval;
12° afgedankte matrassen;
13° recycleerbare harde kunststoffen;
14° gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën.

Ten minste de volgende huishoudelijke afvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden en verder afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling, of, indien aantoonbaar niet mogelijk, naderhand uitgesorteerd worden :
1° houtafval;
2° metaalafval.

Artikel 4.3.1/1. (08/04/2024- ...)

De uitbater van een handelszaak die, zowel tijdelijk als permanent, tabaksproducten, voedingsmiddelen of dranken verkoopt of aanbiedt die buiten de inrichting onmiddellijk kunnen worden verbruikt, moet instaan voor een correcte inzameling, verwijdering en verwerking van het afval dat daaruit ontstaat op het eigen of het bijbehorende terrein. De nodige maatregelen moeten worden genomen zodat de ingezamelde afvalstoffen maximaal kunnen worden hergebruikt of gerecycleerd.

Artikel 4.3.2. (01/07/2024- 31/07/2024)

Tenminste de volgende bedrijfsafvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden door de afvalstoffenproducent en afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling :
1° klein gevaarlijk afval van vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong;
2° glasafval;
3° papier- en kartonafval;
4° gebruikte dierlijke en plantaardige oliën en vetten;
5° groenafval;
6° textielafval;
7° afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
8° afvalbanden;
9° inert puin, bestaande uit betonpuin, metselwerkpuin of mengpuin;
10° afvalolie;
11° gevaarlijke afvalstoffen;
12° asbestcementhoudende afvalstoffen en asbestverdachte materialen;
13° afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
14° afvallandbouwfolies;
15° afgedankte batterijen en accu's.
16° pmd-afval.
17° houtafval;
18° metaalafval;
19° afgedankte matrassen;
20° recycleerbare harde kunststoffen;
21° geëxpandeerd polystyreen;
22° folies;
23° keukenafval en etensresten;
24° levensmiddelenafval;
25° niet-teerhoudend asfaltpuin;
26° funderingsmaterialen die niet conform de bepalingen van het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten kunnen verwerkt worden;
27° verontreinigde fracties bouw- en sloopafval die achteraf niet kunnen uitgesorteerd worden bij een verwerker, waarna zij voldoen aan de acceptatiecriteria van de vergunde verwerker;
28° cellenbeton;
29° gipskartonplaten en gipsblokken.

Onder het woord geëxpandeerd polystyreen, vermeld in het eerste lid, 21°, wordt verstaan: zuiver piepschuim van verpakkingen met bolletjesstructuur.

De afvalstoffenproducent die bedrijfsrestafval heeft en die een beroep doet op een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van bedrijfsrestafval is verplicht een contract af te sluiten waarin de afvalfracties, vermeld in het eerste lid, en hun vooropgestelde inzamelwijze duidelijk vermeld worden.

In afwijking van het eerste lid mag de afvalstoffenproducent papier- en kartonafval, houtafval, metaalafval, harde kunststoffen en folies samenvoegen in dezelfde recipiënt onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° het zijn droge, niet-gevaarlijke afvalfracties, waarbij de samenvoeging van de fracties het achteraf uitsorteren en de recyclage van de afzonderlijke afvalfracties niet verhindert of laagwaardiger maakt dan dat het geval zou zijn als de inzameling volledig gescheiden gebeurt;
2° de recipiënt bevat geen andere afvalstoffen, geen bouw- en sloopafval en geen bedrijfsrestafval;
3° als er een beroep gedaan wordt op een inzamelaar, handelaar of makelaar van afvalstoffen, sluit de afvalstoffenproducent daarmee een contract, waarin de samengevoegde fracties worden gespecificeerd, en waarin wordt vermeld dat de recipiënt geen andere afvalstoffen en geen bedrijfsrestafval mag bevatten;
4° de recipiënt wordt overgebracht naar een vergunde sorteerinrichting waar de fracties volledig worden uitgesorteerd.

In afwijking van het vierde lid geldt dat het sluiten van een contract voor het bedrijfsrestafval niet verplicht is als voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent is vergelijkbaar naar aard, samenstelling en hoeveelheid met huishoudelijke afvalstoffen;
2° het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent wordt ingezameld in één ronde met huishoudelijk afval;
3° voor de inzameling van het bedrijfsrestafval worden de kosten aangerekend overeenkomstig artikel 10 van het decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.

Bouw- en sloopafval moet door de producent gescheiden van andere afvalstoffen worden aangeboden en gescheiden worden gehouden bij de ophaling of inzameling. Bouw- en sloopafval ontstaan door calamiteiten of dat op basis van andere wetgeving of op bevel van de politie of bevoegde autoriteiten onmiddellijk vernietigd of afgevoerd moet worden zonder verdere bewerkingen, vormt hierop een uitzondering.

In afwijking van de verplichting, vermeld in het eerste lid, mag de afvalstoffenproducent in dezelfde recipiënt verschillende fracties bouw- en sloopafval samenvoegen, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: 
1° het gaat om afval van bouw-, sloop- of renovatiewerken dat voldoet aan de definitie van bouw- en sloopafval volgens artikel 1.2.1, §2, 11°/1 en waarbij aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: 
a) de aaneengesloten beschikbare ruimte voor het plaatsen en beladen van de inzamelrecipiënten bedraagt maximaal 40 m²; 
b) of waarbij de totale hoeveelheid gemengd bouw- en sloopafval dat gedurende de uitvoering van de werf vrijkomt kleiner is dan 40 m³;
c) of wanneer er een gemotiveerde verklaring is van de veiligheidscoördinator dat de respectievelijke fracties niet gescheiden vrijkomen omwille van veiligheid, stabiliteit of technische uitvoeringsbeperkingen of gevaar voor werknemers;
2° het bouw- en sloopafval is rechtstreeks afkomstig van een actieve werf;
3° het zijn droge, niet-gevaarlijke afvalfracties. Asbesthoudende of asbestverdachte materialen, verontreinigde fracties bouw- en sloopafval en funderingsmaterialen die niet onder het eenheidsreglement voor gerecycleerde granulaten kunnen verwerkt worden uitgesloten van deze gemengde inzameling;
4° het bouw- en sloopafval wordt beheerd zoals bepaald in onderafdeling 5.2.16.

Artikel 4.3.3. (01/07/2024- ...)

§1. De opmaak van een sloopopvolgingsplan volgens de standaardprocedure en de toepassing van het traceerbaarheidssysteem, vermeld in artikel 4.3.5, is verplicht bij:
1° sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken bij gebouwen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het totale bouwvolume groter is dan 1000 m® voor alle niet-residentiële gebouwen waarop de vergunning betrekking heeft, of groter dan 5000 m® voor alle in hoofdzaak residentiële gebouwen, met uitzondering van eengezinswoningen, waarop de vergunning betrekking heeft;
2° sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken in het kader van infrastructuurwerken waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het volume groter is dan 250 m3 en onderhoudswerken aan infrastructuur waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het volume groter is dan 250 m3.

Het sloopopvolgingsplan wordt opgesteld door een deskundige zoals vermeld in paragraaf 5, vierde lid, in opdracht van de aanvrager van de omgevingsvergunning.

§2. Het sloopopvolgingsplan omvat de identificatie van de werf met daaraan gekoppeld een overzicht van alle afvalstoffen die zullen vrijkomen.

Per afvalstof worden de volgende gegevens opgenomen:
1° de benaming;
2° de bijbehorende EURAL-code, vermeld in bijlage 2.1;
3° de vermoedelijke hoeveelheid, uitgedrukt in hoeveelheid of gewicht;
4° de plaats in het gebouw of infrastructuurwerk waar de afvalstof voorkomt, alsook de verschijningsvorm ervan;
5° de wijze waarop de afvalstof overeenkomstig artikel 4.3.2 tijdens de sloop-, renovatie, onderhouds- en ontmantelingswerken selectief zal worden ingezameld, opgeslagen en afgevoerd.

Het sloopopvolgingsplan wordt opgesteld op basis van een standaardprocedure die wordt vastgesteld door de minister, op voorstel van de OVAM.

De standaardprocedure bepaalt minstens:
1° ...;
2° de wijze van opmaak van een sloopopvolgingsplan door een deskundige;
3° de wijze van opmaak van het controleverslag door een deskundige.

De opdrachtgever voor de opmaak van het sloopopvolgingsplan bezorgt aan de sloopdeskundige de nodige informatie over het gebouw of infrastructuurwerk, geeft de sloopdeskundige toegang tot het gebouw of infrastructuurwerk en verleent de sloopdeskundige zijn medewerking zodat die het sloopopvolgingsplan kan opmaken conform de standaardprocedure.

§3. Het sloopopvolgingsplan maakt deel uit van het vergunningsaanvraagdossier. Het conform verklaarde sloopopvolgingsplan maakt deel uit van de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag en de contractuele documenten.

Het conform verklaarde sloopopvolgingsplan maakt deel uit van de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag en de contractuele documenten. In de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag en de contractuele documenten wordt opgenomen dat er om een verwerkingstoelating en het sloopattest te verkrijgen, gewerkt moet worden volgens de voorwaarden, vermeld in de conformiteitsverklaring door de sloopbeheerorganisatie van het sloopopvolgingsplan.

§3/1. De sloopbeheerorganisatie attesteert de gescheiden en correcte afvoer van het gemengd bouw- en sloopafval en van de selectief gescheiden fracties bouw- en sloopafval die vrijkomen bij sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken aan de hand van de identificatieformulieren en afgiftebewijzen, vermeld in paragraaf 4.

De minister kan de attestering, zoals vermeld in het eerste lid, verder uitwerken in een standaardprocedure tracering.

§4. De uitvoerder van sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken bezorgt voor de oplevering van de sloop- of ontmantelingswerken aan de sloopbeheersorganisatie kopieën van de afgiftebewijzen van:
1° de afgevoerde gevaarlijke afvalstoffen en asbestverdachte materialen; 
2° de potentieel verontreinigde sloopmaterialen, waarvan de verontreinigingskarakteristieken in het sloopopvolgingsplan niet zijn bepaald en welke achteraf niet kunnen uitgesorteerd worden bij een verwerker, waarna zij voldoen aan de acceptatiecriteria van de vergunde verwerker;
3° de puinfractie die door de puinbreker niet als puin met laagmilieurisicoprofiel is aanvaard.

De afgiftebewijzen en transportdocumenten van de overige afgevoerde afvalstoffen moeten op verzoek van de sloopbeheerorganisatie aan haar ter beschikking te worden gesteld. 
 
Voor de oplevering van de sloop- of ontmantelingswerken bezorgt de uitvoerder van bouw-, infrastructuur-, sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken een sloopattest als vermeld in artikel 4.3.5, §3, aan de houder van de omgevingsvergunning.

§5. De sloopdeskundige voert de taken uit, vermeld in de standaardprocedure, vermeld in paragraaf 2. 

De sloopdeskundige gebouwen kan de taken uitvoeren die zijn opgenomen in de uitgebreide procedure gebouwen en de verkorte procedure gebouwen, zoals bepaald in de standaardprocedure en de procedure infrastructuurwerken, en beschikt minstens over een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie als vermeld in artikel 5.4.10. 

 De sloopdeskundige infrastructuur kan de taken uitvoeren, vermeld in de procedure infrastructuurwerken, en beschikt minstens over een erkenning als bodemsaneringsdeskundige type I als vermeld in artikel 25/1 van het VLAREL, of over een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie als vermeld in artikel 5.4.10 van dit besluit.

De minister kan bijkomende voorwaarden vastleggen waaraan de sloopdeskundige moet voldoen die betrokken is bij de opmaak van een sloopopvolgingsplan en een controleverslag als vermeld in paragraaf 2, en bij de toepassing van het traceerbaarheidssysteem, vermeld in artikel 4.3.5.
 

Artikel 4.3.3/1. (01/07/2024- ...)

§1. De opdrachtnemer van de bouw-, sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de fracties bouw- en sloopafval, vermeld in artikel 4.3.2, bij het bouwen, slopen, ontmantelen of renoveren op de werf als een afzonderlijke fractie vrijkomen en is verantwoordelijk voor de correcte gescheiden inzameling en afvoer van de afvalstoffen op de bouw- en sloopwerf volgens de bepalingen van onderafdeling 5.2.16.

§2. Voor sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken onder het toepassingsgebied van artikel 4.3.3, §1 en bij nieuwbouwwerken bij gebouwen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het totale bouwvolume groter is dan 1000 m³ voor alle niet-residentiële gebouwen waarop de vergunning betrekking heeft, of groter dan 5000 m³ voor alle in hoofdzaak residentiële gebouwen, met uitzondering van eengezinswoningen, waarop de vergunning betrekking heeft stelt de opdrachtnemer van de bouw-, sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken een afvalbeheer- en sloopplan op. Dit afvalbeheerplan moet beschikbaar zijn voor de start van de bouw-, sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken.

Dit afvalbeheer- en sloopplan bevat minstens bepalingen omtrent:
1°    de voorafgaande afvoer van de afvalfracties die geen bouw- en sloopafval zijn;
2°    de fracties die gescheiden moeten worden ingezameld, conform artikel 4.3.2, en bestemd zijn voor hergebruik en materiaalrecyclage;
3°    voor sloopwerken onder het toepassingsgebied van artikel 4.3.3, §1 houdt het afvalbeheer- en sloopplan rekening met het conform verklaard sloopopvolgingsplan en geeft het bijkomend minstens:
a) een beschrijving van de randvoorwaarden bij slopen en ontmantelen waaronder technische uitvoeringsbeperkingen en hinder- en veiligheidsaspecten. Dit gebeurt door een gemotiveerde verklaring van de veiligheidscoördinator dat de respectievelijke fracties niet gescheiden kunnen vrijkomen en kunnen ingezameld worden omwille van veiligheid, stabiliteit of gevaar voor werknemers; 
b) een beschrijving van de gebruikte sloopmethode en -technieken en daaruit volgend de bepaling van de mogelijke implicaties op de kwaliteit van de ingezamelde fracties;
4°    de organisatie van de gescheiden inzameling op de werf van de verschillende afvalfracties;
5°    een overzicht van de verschillende inzamelrecipiënten voor afvalstoffen met aanduiding van welke stoffen dit wel en niet zal bevatten in functie van de afvoer naar daartoe vergunde inrichtingen;
6°    de organisatie van de afvoer van de afvalstoffen in functie van het vrijkomen van de verschillende fracties tijdens de bouw-, sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken.

Het afvalbeheerplan moet op eerste verzoek ter beschikking gesteld worden van de toezichthouder, de sloopbeheerorganisatie, de deskundige die het controlebezoek uitvoert in kader van de sloopopvolging en de OVAM.

De minister kan de bepalingen omtrent het afvalbeheer- en sloopplan, vermeld in het eerste lid, verder uitwerken. De OVAM kan een template van een afvalbeheer- en sloopplan ter beschikking stellen op zijn website.

Artikel 4.3.4. (27/08/2021- ...)

Als de volgende afvalstoffen die afkomstig zijn van de zeevaart, gescheiden worden aangeboden, moeten die afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling :
1° hout;
2° voedselafval, inclusief internationaal keukenafval;
3° spijsolie en -vetten;
4° papier en karton;
5° metaal;
6° glazen flessen en bokalen;
7° as van de verbrandingskamer;
8° dierlijke karkassen;
9° vistuig;
10° cargoresiduen;
11° grijs water;
12° zwart water;
13° andere kleine gevaarlijke afvalstoffen, zoals :
a) batterijen;
b) verfafval;
c) afgedankte vuurpijlen;
d) lichtarmaturen;
14° oliehoudende vaste afvalstoffen;
15° bilges en sludge;
16° andere occasionele afvalstoffen, zoals :
a) waswater dat afkomstig is van het cleanen van de ruimen;
b) sediment uit de ballastwatertanks;
c) hull biofouling;
d) antifouling paintresidues;
e) sludge, afkomstig van afvalwaterbehandeling aan boord;
f) afval, afkomstig van apparatuur ter voorkoming van luchtemissies;
g) afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
17° niet recycleerbaar plastic en mengsels van plastics met andere afvalstoffen;
18° recycleerbare plastics, inclusief geëxtrudeerd polystyreen en andere vergelijkbare plastics;
19° aluminium drankblikjes.

In afwijking van het eerste lid mag de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar verschillende afvalfracties die in aanmerking komen voor hoogwaardige materiaalrecyclage, alsook houtafval, samenvoegen in hetzelfde recipiënt, onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° het zijn afvalfracties waarbij de samenvoeging van de fracties het uitsorteren en de hoogwaardige verwerking van de afzonderlijke afvalfracties niet verhindert;
2° het recipiënt wordt overgebracht naar een vergunde sorteerinrichting waar de fracties volledig worden uitgesorteerd;
3° de afvalstoffenproducent, zijn agent of zijn vertegenwoordiger in de haven, daarover een contract heeft afgesloten met een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, waarin de samengevoegde fracties worden gespecifieerd.

Artikel 4.3.5. (08/04/2024- ...)

§1. In dit artikel wordt verstaan onder sloopmateriaal: materiaal dat afkomstig is van sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken.

Voor de puinfractie van sloopmateriaal afkomstig van de activiteiten, vermeld in artikel 4.3.3, paragraaf 1, die gescheiden ingezameld is in uitvoering van een conform verklaard sloopopvolgingsplan en afgevoerd wordt naar een inrichting voor de productie van gerecycleerde granulaten onder het eenheidsreglement, wordt voorafgaandelijk aan de afvoer, een verwerkingstoelating afgegeven door een erkende sloopbeheerorganisatie, tenzij anders is bepaald in de conformverklaring van het sloopopvolgingsplan. Deze verwerkingstoelating attesteert de selectieve inzameling van de puinfractie van het sloopmateriaal..

Voor alle ander sloopmateriaal, dat selectief is ingezameld in uitvoering van een goedgekeurd sloopopvolgingsplan, kan een erkende sloopbeheerorganisatie eveneens een verwerkingstoelating afleveren voorafgaandelijk aan de afvoer. Deze verwerkingstoelating attesteert de selectieve inzameling van het sloopmateriaal

§2. Voor alle sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken, vermeld in artikel 4.3.3, paragraaf 1, moet een sloopattest afgegeven worden door een erkende sloopbeheerorganisatie, tenzij het anders bepaald is in de conformverklaring van het sloopopvolgingsplan..

§3. Het sloopattest attesteert de gescheiden inzameling van het sloopmateriaal en de traceerbaarheid van de herkomst tot aan de gecontroleerde verwerking van de sloopmaterialen. Het sloopattest wordt pas afgeleverd nadat het traceerbaarheidssysteem van een erkende sloopbeheerorganisatie correct is doorlopen.

De voorwaarden waaraan een traceerbaarheidssysteem moet voldoen, worden opgenomen in een standaardprocedure die wordt vastgesteld door de minister, op voorstel van OVAM.

De standaardprocedure bepaalt:
1° ...;
2° de voorwaarden tot het behalen van een conformiteitsverklaring voor het sloopopvolgingsplan door een erkende sloopbeheerorganisatie binnen dertig werkdagen na de ontvangst van het sloopopvolgingsplan. Die conformiteitsverklaring kan een advies bevatten over de hergebruiks- en verwerkingsmogelijkheden van de sloopmaterialen;
2°/1 de voorwaarden waaronder de sloopbeheerorganisatie het sloopopvolgingsplan onvolledig kan verklaren en aanvullingen kan vragen. In dat geval wordt de termijn van dertig werkdagen geschorst vanaf de verzending van het verzoek om aanvullingen en begint de termijn van dertig werkdagen opnieuw te lopen vanaf de ontvangst van de verduidelijkingen;
3° de voorwaarden waaronder een controleverslag door een deskundige vereist is. Het controleverslag moet worden goedgekeurd door een erkende sloopbeheersorganisatie;
4° de voorwaarden tot het aanvragen en het verkrijgen van een verwerkingstoelating door een erkende sloopbeheersorganisatie binnen vijf werkdagen na de ontvangst van de aanvraag voor de afvoer en verwerking van sloopmateriaal door de uitvoerder van de bouw-, infrastructuur-, sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken, voorafgaand aan de afvoer en verwerking van het sloopmateriaal bij de bestemmeling;
5° een controlesysteem dat het mogelijk maakt het transport van herkomst tot aan de gecontroleerde verwerking te traceren. Dit controlesysteem bevat minstens de verplichte vermelding van de aanwezigheid van een verwerkingstoelating in de identificatieformulieren bij het transport van sloopmateriaal en in het acceptatieregister;
6° het opsturen van een ontvangstbevestiging van de geleverde hoeveelheid sloopmateriaal door de bestemmeling van het materiaal naar de erkende sloopbeheersorganisatie;
7° de voorwaarden voor de aflevering en de inhoud van een sloopattest door de erkende sloopbeheerorganisatie binnen een termijn van dertig werkdagen na de ontvangst van de aanvraag;
8° de voorwaarden waaronder de sloopbeheerorganisatie de aanvraag van het sloopattest onvolledig kan verklaren en aanvullingen kan vragen. In dat geval wordt de termijn van dertig werkdagen geschorst vanaf de verzending van het verzoek om aanvullingen en begint de termijn opnieuw te lopen vanaf de ontvangst van de verduidelijkingen.

De minister kan nadere regels vaststellen voor de procedure tot aanvraag van een sloopattest.

Artikel 4.3.6. (08/04/2024- ...)

§ 1. Om als sloopbeheerorganisatie erkend te worden en erkend te blijven, moet de organisatie aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° opgericht zijn als een vereniging zonder winstoogmerk conform de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019, en als leden alleen organisaties hebben zonder winstgevend doel;
2° voldoende representatief zijn voor de verschillende sectoren die betrokken zijn bij de uitvoering van bouw- en sloopwerken. Een sloopbeheerorganisatie is representatief als in de raad van bestuur twee of meer beroepsorganisaties zitten die voldoende representatief zijn voor de sectoren die actief zijn in de uitvoering van bouw- en sloopwerken;
3° de leden van de raad van bestuur kunnen aantonen dat ze voldoende onafhankelijk zijn van individuele bedrijven;
4° als statutair doel `het afleveren van sloopattesten, het leveren van studiewerk over selectieve sloop, het slopen en verwerken van afvalstoffen afkomstig van bouw- en sloopwerken en het verstrekken van informatie en advies over bouw- en sloopmaterialen' hebben;
5° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van milieu en traceerbaarheidssystemen;
6° voldoen aan een intern systeem dat de organisatie in staat stelt de taken die opgelegd zijn krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van de uitvoering van steekproefsgewijze werfcontroles en het bijhouden van de volgende registers, die ter inzage van de toezichthoudende overheid op de exploitatiezetel liggen:
a) een klachtenregister;
b) een register van de sloopopvolgingsplannen, met inbegrip van de opmerkingen van de slooporganisatie op die verslagen. De sloopopvolgingsplannen inclusief de opmerkingen van de slooporganisatie worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
c) een register van conformverklaringen van selectieve sloop. Die conformverklaringen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
d) een register van de sloopattesten. De sloopattesten worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
7° beschikken over een traceerbaarheidssysteem dat minstens voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.3.5, § 3;
88° beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;
9° voor de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden: beschikken over burgerlijke en politieke rechten en de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving in een lidstaat van de Europese Unie;
10° op verzoek van de OVAM de gegevens verstrekken over specifieke transporten;
11° op verzoek van de OVAM de gegevens verstrekken over de aard, de herkomst, de kwaliteit en de kwantiteit van de materiaalstromen, zoals opgenomen in het sloopattest.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 10° en 11°, worden alle documenten in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd.

§ 2. De grondige kennis, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 5°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM, of academische diploma's, diploma's van het hoger onderwijs van het lange type in een wetenschappelijke richting, of met daarmee gelijkgestelde diploma's, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 4.3.7. (17/06/2019- ...)

De aanvraag om erkend te worden als sloopbeheerorganisatie wordt met een beveiligde zending gericht aan de minister, op het adres van de OVAM.

Om ontvankelijk te zijn, bevat de aanvraag tot erkenning minstens de volgende gegevens:
1° de statuten van de rechtspersoon;
2° de namen van de natuurlijke personen die door de rechtspersoon aangesteld zijn als verantwoordelijk persoon;
3° het bewijs van de grondige kennis van milieu en traceerbaarheidssystemen, vermeld in artikel 4.3.6, § 1, eerste lid, 5° ;
4° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij de gegevens waarover hij zal beschikken, toegankelijk zal beheren;
5° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen dertig dagen na de erkenning een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid zal afsluiten als vermeld in artikel 4.3.6, § 1, eerste lid, 8°, en de OVAM van de afgesloten polis op de hoogte zal brengen;
6° een verklaring dat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden, de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van milieuwetgeving in een lidstaat van de Europese Unie;
7° een recent attest waaruit blijkt dat de aanvrager aan zijn sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft.

Artikel 4.3.8. (17/06/2019- ...)

De aanvragen tot erkenning als sloopbeheerorganisatie worden behandeld volgens de volgende procedure:
1° de OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij ze zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag;
2° de OVAM verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige aanvullingen.
Als de OVAM niet binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen heeft verzocht, wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn.
Als de OVAM binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen verzoekt, wordt de aangevulde aanvraag opnieuw met een beveiligde zending naar de OVAM gestuurd.
De OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aangevulde aanvraag het ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij de OVAM zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aangevulde aanvraag;
3° de OVAM onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en stuurt die samen met haar advies binnen een termijn van negentig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag naar de minister;
4° de minister neemt binnen een termijn van honderdtwintig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag een beslissing over de erkenning;
5° binnen een termijn van honderdvijftig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag wordt de beslissing over de erkenning door de OVAM met een beveiligde zending aan de aanvrager betekend. De erkenningsbeslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Artikel 4.3.9. (17/06/2019- ...)

De minister kan de erkenning op elk moment schorsen voor een termijn van maximaal zes maanden in de volgende gevallen:
1° de houder van de erkenning voert de taken waarmee hij met toepassing van dit besluit is belast, niet reglementair of niet objectief uit;
2° de houder van de erkenning voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.3.6;
3° de houder van de erkenning begaat onregelmatigheden bij het uitreiken van conformverklaringen selectieve sloop, verwerkingstoelatingen en/of sloopattesten;
4° de houder van de erkenning is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon aantast;
5° de houder van de erkenning heeft zich niet onafhankelijk getoond ten opzichte van betrokkenen.

De minister brengt de houder van de erkenning met een beveiligde zending op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot schorsing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing te voorkomen of kan hij zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.

De beslissing tot schorsing wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

De schorsing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.

Artikel 4.3.10. (17/06/2019- ...)

De minister kan de erkenning, vermeld in artikel 4.3.6, op elk moment opheffen in de volgende gevallen:
1° als de houder van de erkenning de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit herhaaldelijk niet reglementair of niet objectief uitvoert;
2° als de houder van de erkenning bij het verstrijken van de schorsingsperiode nog altijd niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij met toepassing van artikel 4.3.9, eerste lid, 2°, geschorst is;
3° als de houder van de erkenning ernstige onregelmatigheden of bij herhaling onregelmatigheden begaat bij het uitreiken van conformverklaringen selectieve sloop, verwerkingstoelatingen en/of sloopattesten;
4° als de houder van de erkenning bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon in ernstige mate aantast;
5° als de houder van de erkenning zich niet onafhankelijk heeft getoond ten opzichte van betrokkenen.

De minister brengt de houder van de erkenning met een beveiligde zending op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot opheffing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de opheffing te voorkomen of kan hij zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.

De beslissing tot opheffing wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

De opheffing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.

Artikel 4.3.11. (22/09/2014- ...)

Erkenningen zijn niet overdraagbaar.

Artikel 4.3.12. (22/09/2014- ...)

De OVAM kan in geval van schorsing of opheffing van de erkenning van een sloopbeheerorganisatie de volgende taken overnemen:
1° de uitreiking van de conformverklaringen selectieve sloop;
2° de aflevering van de verwerkingstoelating;
3° de uitreiking van de sloopattesten.

Afdeling 4.4. Algemene regels voor verwerking van afvalstoffen

Artikel 4.4.1. (01/06/2012- ...)

De toepassing van één van de volgende verwijderingshandelingen of de afvoer van afvalstoffen met het oog op het toepassen van één van de volgende verwijderingshandelingen, is verboden :

EU-code

handelingen

D2

uitrijden (bijvoorbeeld biologische afbraak van vloeibaar of slibachtig afval in de bodem)

D3

injectie in de diepe ondergrond (bijvoorbeeld injectie van verpompbare afvalstoffen in putten, zoutkoepels of in natuurlijk gevormde holten)

D11

verbranding op zee

 

Artikel 4.4.2. (01/06/2012- ...)

Het is verboden om een afvalstof of beoogde grondstof te mengen met een of meer andere materialen om door de lagere concentratie van een of meer in de afvalstof aanwezige stoffen :
1° voor de aldus verdunde afvalstof een verwijderingsmethode in aanmerking te laten komen die voor de niet-verdunde afvalstof niet is toegelaten;
2° een afvalstof die moet worden verwijderd, alsnog nuttig te kunnen toepassen;
3° een afvalstof of beoogde grondstof die niet in aanmerking komt om te worden aangewend als of om te worden omgevormd tot een grondstof, alsnog te kunnen aanwenden als of om te vormen tot een grondstof.

Artikel 4.4.3. (01/06/2012- ...)

Het gebruik van stortkokers om huishoudelijke afvalstoffen af te voeren in appartementsgebouwen, is verboden.

Artikel 4.4.4. (01/06/2012- ...)

De volgende afvalstromen worden, na inzameling, op- of overslag of eventuele mechanische behandeling op een daartoe vergunde inrichting, gemeld aan een centraal meldpunt :
1° organisch-biologisch composteerbaar afval, dat vrijkomt :
a) in natuurgebieden en kleine landschapselementen;
b) bij aanleg en onderhoud van tuinen, plantsoenen, parken en vergelijkbare groenaanplantingen;
c) bij onderhoud van wegbermen en waterlopen;
2° de deelfracties van bovengenoemde afvalstromen.

Het centraal meldpunt kan deze afvalstromen naar een vergunde inrichting voor de meest geschikte nuttige toepassing sturen, onverminderd artikel 4, § 3, en artikel 8, § 1, van het Materialendecreet, en rekening houdende met volgende criteria :
- het vermijden van discriminatie;
- effectiviteit en efficiëntie;
- beschikbare verwerkingscapaciteiten;
- minimale transportafstanden.

De minister stelt hiervoor nadere maatregelen vast.

Artikel 4.4.5. (05/03/2018- ...)

Aan boord van een schip of ander vervoersmiddel zijn de volgende handelingen op olie-watermengsels verboden:
1° het opwarmen met als enige doel het verkrijgen van een efficiëntere scheiding;
2° het toevoegen van chemicaliën, afvalstoffen of andere producten;
3° een opmenging met waswaters die afkomstig zijn van het spoelen van ruimen en tanks die chemicaliën hebben bevat.

Artikel 4.4.6. (08/04/2024- ...)

§1. De OVAM kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toestaan van de verplichting tot vernietiging of onomkeerbare omzetting van bepaalde POP-houdende afvalstoffen als vermeld in artikel 7.2 van Verordening (EU) 2019/1021 van 20 juni 2019 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen. De houder van de afvalstof vraagt de afwijking schriftelijk aan bij de OVAM. 

§2. De OVAM bepaalt de vorm van de afwijkingsaanvraag. De afwijkingsaanvraag bevat de volgende elementen: 
1° de identificatie van de aanvrager; 
2° de identificatie en hoeveelheid van de afvalstof; 
3° het gehalte van POP's in het afval; 
4° de motivering voor de afwijkingsaanvraag in overeenstemming met artikel 7.4.b) i) van Verordening (EU) 2019/1021 van 20 juni 2019 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen; 
5° de periode waarvoor de afwijking wordt aangevraagd. 

De OVAM beslist binnen vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst van de volledig verklaarde aanvraag en brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van haar beslissing. De afwijkingen kunnen voor maximaal vijf jaar worden toegestaan. De verleende afwijkingen worden bekendgemaakt op de website van de OVAM.

Afdeling 4.5. Stort- en verbrandingsverboden

Artikel 4.5.1. (01/01/2020- ...)

Voor de volgende afvalstoffen zijn de verwerkingshandelingen "D1 - storten op of in de bodem" en "D5 - verwijderen op speciaal ingerichte locaties", alsook de afvoer voor het toepassen van de verwijderingshandeling "D1 - storten op of in de bodem" en "D5 - verwijderen op speciaal ingerichte locaties", verboden:
1° afvalstoffen waarvoor conform artikel 4.5.2 van dit besluit een verbrandingsverbod geldt;
2° oude en vervallen geneesmiddelen;
3° andere brandbare afvalstoffen zoals wordt verstaan onder artikel 46, § 1, van het Materialendecreet.

In afwijking van het eerste lid vallen brandbare recyclageresidu's waarvoor conform artikel 46, § 2, van het Materialendecreet een verlaagde heffing geldt voor het storten ervan en recyclageresidu's van fysicochemische grondreiniging conform artikel 46, § 1, 6° tot en met 8°, niet onder het stortverbod.

Artikel 4.5.2. (01/07/2024- ...)

§ 1. Onverminderd artikel 6.11.1 van titel II van het VLAREM, zijn voor de volgende afvalstoffen de verwerkingshandelingen "R1 - hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking" en "D10 - verbranding op het land", alsook de afvoer voor het toepassen van de verwerkingshandelingen "R1 - hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking" en "D10 - verbranding op het land", verboden:
1° afvalstoffen die voor de recyclage ervan afzonderlijk zijn ingezameld;
2° afvalstoffen die door hun aard of hun hoeveelheid of hun homogeniteit overeenkomstig de meest geschikte en beschikbare technieken in aanmerking komen voor hergebruik of recyclage, al dan niet na voorbehandeling of verdere uitsortering;
3° huishoudelijk restafval dat niet conform artikel 4.3.1 of artikel 5.1.4 werd ingezameld, met uitzondering van huishoudelijk afval dat nog bioafval bevat en waarvoor door de OVAM uitstel is verleend uiterlijk tot 1 januari 2026;
4° bedrijfsrestafval dat niet conform afdeling 5.5 is beheerd;
5° grofvuil dat nog niet werd gesorteerd met als doel de recycleerbare materialen te valoriseren;
6° gemengd bouw- en sloopafval dat niet conform onderafdeling 5.2.16 is beheerd.

§ 2. Voor gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal is verstoking en verbranding verboden.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 vallen de volgende afvalstoffen niet onder het verbrandingsverbod:
1° onbehandeld houtafval dat in de houtverwerkende industrie wordt geproduceerd en dat door de producent in de eigen onderneming nuttig wordt toegepast als energiebron;
2° de houtige fractie afkomstig van het behandelen van plagsel en choppermateriaal;
3° recyclageresidu's waarvoor conform artikel 46, § 1, van het Materialendecreet een verlaagde heffing geldt voor het verbranden of meeverbranden ervan.

Artikel 4.5.3. (01/01/2020- ...)

§ 1. De minister kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toestaan van de verbodsbepalingen, vermeld in artikel 4.5.1, eerste lid, en artikel 4.5.2, § 1.

§ 2. De afwijking wordt schriftelijk aan de OVAM aangevraagd door de exploitant van de stortplaats of verbrandingsinstallatie of, in geval van uitvoer van de afvalstoffen, door de afvalstoffenproducent, -makelaar of -handelaar.

De OVAM bepaalt de vorm van de afwijkingsaanvraag. De afwijkingsaanvraag bevat de volgende elementen:
1° de identificatie van de aanvrager;
2° de identificatie van de afvalstof;
3° de motivering voor de afwijkingsaanvraag;
4° de periode waarvoor de afwijking wordt aangevraagd.

De OVAM verleent binnen 45 kalenderdagen na de ontvangst van de volledig verklaarde aanvraag een advies aan de minister. De minister doet uitspraak over de afwijkingsaanvraag binnen negentig kalenderdagen na de indiening ervan. De beslissing van de minister wordt met een beveiligde zending bezorgd aan de aanvrager binnen veertien kalenderdagen na de datum van de beslissing.

De afwijkingen kunnen voor maximaal vijf jaar worden toegestaan.

De verleende afwijkingen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de OVAM..

§ 3. De afwijkingsaanvraag voor artikel 4.5.2, § 2, wordt schriftelijk aangevraagd door de exploitant van de verbrandingsinstallatie of de exploitant van de installatie voor het verstoken van gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal. De aanvragen worden ingediend voor 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin men gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal wil verstoken of verbranden.

De afwijkingsaanvraag bevat de volgende elementen:
1° de vermelding van de verbodsbepalingen van dit besluit waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
2° de redenen die de afwijking motiveren, in het bijzonder in het licht van de aard en de hoeveelheden van de afvalstoffen, en de beschikbare verwerkingscapaciteit;
3° de vergunde en de geïnstalleerde verbrandings- of verstokingscapaciteit op het moment van de afwijkingsaanvraag.

Om de individuele afwijkingsaanvragen op gelijke basis te behandelen en tegelijkertijd een bepaalde mate van sturing in het kader van de afvalverwerkingshiërarchie te behouden, bepaalt de minister jaarlijks vóór 1 januari een contingent van gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal die het volgende jaar verbrand of verstookt mogen worden, en verdeelt dat contingent onder de aanvragen die voor 1 december werden ingediend. Aanvragen die na 1 december ingediend worden, kunnen niet meer meegenomen worden in de voormelde verdeling.

De verleende afwijkingen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de OVAM.

[Afdeling 4.6. Verbod op sluikstorten en zwerfvuil (ing. BVR 2 juli 2021, art. 53, I: 27 augustus 2021)]

Artikel 4.6.1. (27/08/2021- ...)

Het is verboden om te sluikstorten.

Artikel 4.6.2. (27/08/2021- ...)

Het is verboden om zwerfvuil te creëren.

HOOFDSTUK 5. Bepalingen over het beheer van specifieke materiaalkringlopen en afvalstoffen

Afdeling 5.1. Bepalingen over het beheer van huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 5.1.1. (01/06/2012- ...)

De gemeenten passen het principe « de vervuiler betaalt » toe bij de berekening van de bijdrage in de kosten door de burger van het beheer van huishoudelijk afval dat via de gemeentelijke kanalen wordt ingezameld, rekening houdend met de werkelijke kosten overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

Artikel 5.1.2. (05/03/2018- ...)

De bijdrage in de kosten van het beheer van huishoudelijk afval door de burger wordt berekend op basis van de specifieke dienstverlening en de kosten worden aangerekend naargelang de hoeveelheid van het afval, per gewichtseenheid, per afvalrecipiënt of op een andere wijze.

Artikel 5.1.3. (17/06/2019- ...)

Bij het bepalen van het bedrag en de voorwaarden van de bijdrage in de kosten van het beheer van huishoudelijk afval houdt de gemeente rekening met volgende kosten :
1° de aankoop en de verdeling van de zakken of vignetten of andere recipiënten, bestemd voor de inzameling van afvalstoffen;
2° het onderhoud en herstel van recipiënten, bestemd voor de inzameling van afvalstoffen;
3° de afschrijving of huur van afvalcontainers;
4° de huis-aan-huisinzameling van de diverse afvalstromen;
5° de verwerkingskosten van de ingezamelde afvalstoffen;
6° het beheer en het onderhoud van de recyclageparken of de andere inleverpunten voor afval;
7° de inspanningen voor de preventie van afval;
8° de sensibilisatie;
9° de indirecte kosten, zoals ICT-ondersteuning, informatieverstrekking en klachtenbehandeling.

De gemeente brengt daarbij onder meer de bijdragen ingevolge de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, de opbrengst van afvalstromen en de subsidies van de gewestelijke overheid in mindering.

Artikel 5.1.4. (01/07/2024- ...)

De gemeente berekent het bedrag en de voorwaarden van de bijdrage in de kosten van het beheer van huishoudelijk afval te goeder trouw, en houdt rekening met de minima en maxima, opgenomen in bijlage 5.1.4.

De minima en maxima, vermeld in bijlage 5.1.4, worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van de evolutie van de gezondheidsindex en wel als volgt: elk bedrag wordt vermenigvuldigd met een factor met in de teller de gezondheidsindex die van toepassing was op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het bedrag wordt gewijzigd, en met in de noemer de gezondheidsindex die van toepassing was op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan de vaststelling van het vigerende bedrag. De derde decimaal van het getal dat wordt berekend met de voormelde bewerking, wordt altijd naar boven afgerond. Vervolgens wordt het getal afgerond op twee decimalen na de komma.

Artikel 5.1.5. (01/06/2012- ...)

De OVAM kan de berekeningswijze van de bijdragen in de kosten van het beheer van afvalstoffen altijd opvragen bij de gemeente. De gemeente beschikt over dertig dagen om de berekeningsnota aan de OVAM te bezorgen.

Artikel 5.1.6. (05/03/2018- ...)

Als de gemeente aantoont dat het, conform artikel 5.1.1, noodzakelijk is een hoger bedrag dan het in de vork vastgestelde maximum voor de fractie huisvuil aan te rekenen op basis van de werkelijke kosten van haar beheer van alle huishoudelijk afval, berekend conform artikel 5.1.3, kan de OVAM op gemotiveerd verzoek een afwijking verlenen van het maximum voor de fractie huisvuil, vermeld in bijlage 5.1.4.

Als de gemeente aantoont dat ze vanwege de specifieke lokale situatie structureel afwijkt van een omrekeningsfactor als vermeld in bijlage 5.1.4, kan de OVAM op gemotiveerd verzoek een afwijking verlenen van die omrekeningsfactor.

Artikel 5.1.7. (17/06/2019- ...)

De gemeente stimuleert hergebruik door minstens een overeenkomst te sluiten met een door de OVAM erkend kringloopcentrum. Die overeenkomst omvat minstens bepalingen over de sensibilisering, de onderlinge doorverwijsfunctie, de inzamelwijzen, het restafval en de vergoeding voor herbruikbare goederen.

Het erkende kringloopcentrum onderneemt geen activiteiten die kunnen leiden tot marktverstoring.

Afdeling 5.2. Bepalingen over het beheer van sommige bijzondere afvalstoffen

Onderafdeling 5.2.1. Afvalstoffen die ontstaan bij het onderhouden, herstellen en slopen van motorvoertuigen, motorvaartuigen, motorvliegtuigen en hun toebehoren

Artikel 5.2.1.1. (01/06/2012- ...)

De groepen van bijzondere afvalstoffen, vermeld in artikel 4.1.2, 16°, mogen niet met elkaar worden vermengd.

Om een efficiënte en milieuvriendelijke verwerkingswijze van de afvalstoffen te bevorderen, moeten de afvalstoffen die ontstaan tijdens het slopen en tijdens de herstellings- of onderhoudswerkzaamheden, worden opgeslagen en ingezameld in de groepen, vermeld in artikel 4.1.2, 16°.

Onderafdeling 5.2.2. Klein gevaarlijk afval

Artikel 5.2.2.1. (05/03/2018- ...)

De volgende afvalstoffen worden als kga beschouwd:
1° verven, lakken, vernissen, lijmen, siliconen, kleurstoffen, toners, inkten en inktcartridges;
2° smeeroliën, brandstoffen en antivries;
3° gechloreerde koolwaterstoffen, aromatische koolwaterstoffen, ontvlambare oplosmiddelen, verf- en celluloseverdunners en terpentijn;
4° schoonmaak- en onderhoudsmiddelen: bijtende en gefluoreerde schoonmaakmiddelen;
5° de volgende ongebruikte en afgedankte chemicaliën:
a) zuren;
b) basen;
c) fotografische vloeistoffen;
d) andere bekende chemicaliën inclusief chloortabletten en formol;
e) chemische restanten met onbekende samenstelling;
6° bestrijdingsmiddelen inclusief schimmelwerende beschermingsmiddelen en curatieve en preventieve houtbeschermingsmiddelen;
7° batterijen en accu's;
8° metallisch kwik en kwikhoudende afvalstoffen inclusief gasontladingslampen;
9° brandblusmiddelen;
10° vuurwerk en vuurpijlen;
11° injectienaalden, pennaalden en bloedlancetten;
12° rookdetectoren;
13° analoge röntgenfoto's en nitraatfilms;
14° niet-geperforeerde gasflessen voor eenmalig gebruik en gaspatronen;
15° technisch lege verpakkingen van kga als vermeld in punt 1°, 2°, 5°, e), en 6°, met uitzondering van antivries;
16° technisch lege verpakkingen van kga als vermeld in punt 3° tot en met 5°, met een kindveilige sluiting;
17° technisch lege verpakkingen van kga als vermeld in punt 3° tot en met 5°, met het symbool doodshoofd of lange termijn gezondheidsgevaarlijk conform de bepalingen van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;
18° technisch lege verpakkingen van kga als vermeld in punt 3° tot en met 5°, met het symbool doodshoofd of corrosief conform de bepalingen van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen of Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten, en met het symbool doodshoofd of lange termijn gezondheidsgevaarlijk volgens de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006.

Artikel 5.2.2.2. (01/06/2012- ...)

Het is verboden om zich van klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong te ontdoen op een andere wijze dan die welke omschreven wordt in dit besluit.

Het door of in opdracht van de gemeente ingezamelde kga mag in geen geval verwerkt worden met als bestemming of eindbestemming de voedselketen van mens of dier.

Artikel 5.2.2.3. (17/06/2019- ...)

§ 1. De gemeenten zijn verplicht om het klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong op regelmatige wijze selectief in te zamelen.

Met uitzondering van klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong dat onderworpen is aan een aanvaardingsplicht of terugnameplicht in het kader van het samenwerkingsakkoord van 4 november 2008 betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval, wordt het klein gevaarlijk afval ingezameld op kosten van de gemeente.

§ 2. Als de inzameling van het klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong daardoor niet wordt gehinderd, kunnen de gemeenten klein gevaarlijk afval van vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong inzamelen. Dat klein gevaarlijk afval wordt ingezameld op kosten van de afvalstoffenproducent.

§ 3. De gescheiden inzameling moet, naar keuze, ten minste gebeuren door een van de volgende inzamelwijzen :
1° bij recyclageparken in een inrichting voor de aanvoer en aanvaarding van kga;
2° het kga regelmatig laten ophalen door daartoe geregistreerde inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars per wijk of per straat, of huis aan huis;
3° een combinatie van de inzamelwijzen, vermeld in 1° en 2°.

Artikel 5.2.2.4. (17/06/2019- ...)

§ 1. Het kga moet, afzonderlijk van andere afvalstoffen, aangeboden worden in een daartoe geschikt recipiënt.

Het kga, vermeld in artikel 5.2.2.1, 11°, moet worden aangeboden in een naaldcontainer die voldoet aan de ADR-reglementering.

§ 2. De afvalstoffen die als kga worden ingezameld overeenkomstig paragraaf 1, zijn geen gevaarlijke afvalstoffen zolang de afvalstoffen in de inrichting bij het recyclagepark zijn opgeslagen en door die inrichting niet zijn afgegeven aan een geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar.

§ 3. De selectieve ophaling van kga verloopt per wijk, per straat, of huis aan huis, uitsluitend met daartoe geschikte voertuigen.

Het kga moet aan het ophaalvoertuig worden aangeboden in een daartoe geschikte recipiënt.

Het kga, vermeld in artikel 5.2.2.1, 11°, moet worden aangeboden in een naaldcontainer die voldoet aan de ADR-reglementering.

Het kga wordt door de begeleider van het ophaalvoertuig gecontroleerd en gesorteerd op een manier die elk risico vermijdt.

Het gesorteerde kga wordt opgeslagen in de daartoe gereserveerde compartimenten van het ophaalvoertuig, dat verlucht moet zijn.

§ 4. De afvalstoffen die als kga worden ingezameld overeenkomstig paragraaf 1, zijn geen gevaarlijke afvalstoffen zolang die afvalstoffen niet zijn afgegeven aan een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar.

Onderafdeling 5.2.3. Medisch afval

Artikel 5.2.3.1. (23/02/2017- ...)

§ 1. Medische afvalstoffen worden onderverdeeld in :
1° risicohoudende medische afvalstoffen : afvalstoffen die een bijzonder risico inhouden doordat ze een microbiologische of virale besmetting, een vergiftiging of een verwonding met zich kunnen meebrengen, of afvalstoffen die om ethische redenen een bijzondere behandeling vereisen;
2° niet-risicohoudende medische afvalstoffen : afvalstoffen die geen bijzonder risico inhouden en die door hun aard vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, maar door hun samenstelling of waardebeleving niet vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen.

§ 2. Elke vermenging en elke gezamenlijke verpakking van de afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, en elke vermenging en elke gezamenlijke verpakking van de afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, 1°, met huishoudelijke afvalstoffen of met de met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, heeft tot gevolg dat die afvalstoffen tot de risicohoudende medische afvalstoffen worden gerekend en overeenkomstig beheerd moeten worden.

Elke vermenging en elke gezamenlijke verpakking van de afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, 2°, met huishoudelijke afvalstoffen of met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, heeft tot gevolg dat die afvalstoffen tot de niet-risicohoudende medische afvalstoffen worden gerekend en overeenkomstig beheerd moeten worden.

De verplichtingen van artikel 4.3.2. zijn onverminderd van toepassing op vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen.

§ 3. Een lijst van de verschillende medische afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, is opgenomen in bijlage 5.2.3.A.

§ 4. Medische afvalstoffen die niet voorkomen op de lijst, vermeld in paragraaf 3, moeten door de instelling voor geneeskunde of de geneeskundige praktijk ingedeeld worden bij de risicohoudende of niet-risicohoudende medische afvalstoffen.

§ 5. Medische afvalstoffen die niet voorkomen op de lijst, vermeld in paragraaf 3, en waarover twijfel kan bestaan met betrekking tot het risicohoudende karakter ervan, moeten beheerd worden als risicohoudende medische afvalstoffen.

§ 6. De lijst van medische afvalstoffen, vermeld in paragraaf 3, aangevuld met alle aanvullende risicohoudende en niet-risicohoudende medische afvalstoffen, vermeld in paragraaf 4 en 5, moet binnen elke instelling voor geneeskunde en elke geneeskundige praktijk ter beschikking worden gesteld van de toezichthouder en van elke persoon die betrokken is bij de productie en de behandeling van medische afvalstoffen.

§ 7. Risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie, worden, na een afdoende decontaminatie overeenkomstig de bepalingen van subafdeling 5.2.2.13 van titel II van het VLAREM, beschouwd als vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen en worden overeenkomstig beheerd.

§ 8. Elke vermenging en elke gezamenlijke verpakking van risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie, met huishoudelijke afvalstoffen of met bedrijfsafvalstoffen die door de aard en samenstelling ervan vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, heeft tot gevolg dat die afvalstoffen worden beschouwd als risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie.

§ 9. Elke vermenging en elke gezamenlijke verpakking van risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie, met risicohoudende medische afvalstoffen die niet in aanmerking komen voor decontaminatie, heeft tot gevolg dat die afvalstoffen niet meer in aanmerking komen voor decontaminatie en moeten worden beschouwd als risicohoudende medische afvalstoffen.

§ 10. Ggo's en pathogene organismen van inrichtingen die ingedeeld zijn in rubriek 51 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid vallen onder de bepalingen van deze rubriek. Decontaminatie sluit de mogelijkheden van ingeperkt gebruik niet uit.

Artikel 5.2.3.2. (01/06/2012- ...)

Alle andere stoffen, vloeistoffen en producten, met uitzondering van steriliseerbare en herbruikbare medische instrumenten of producten die rechtstreeks in aanraking komen met risicohoudend medisch afval, moeten als zodanig worden beheerd.

Artikel 5.2.3.3. (01/01/2014- ...)

Risicohoudend medisch afval moet worden verpakt in recipiënten die ten minste voldoen aan de eisen van het Europees verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, ondertekend op 30 september 1957 in Genève en goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1960, hierna ADR-reglementering te noemen, en die voldoen aan de volgende bijkomende voorwaarden :
1° vloeibare en pasteuze afvalstoffen, met inbegrip van de afvalstoffen, vermeld in punten 1.4 en 1.7 van bijlage 5.2.3.A, worden opgeborgen in eenmalig te gebruiken vormvaste recipiënten;
2° vaste afvalstoffen, met uitzondering van afvalstoffen besmet met een infectueuze stof als vermeld in artikel 2.2.62.1.4.1 van de ADR-reglementering, worden opgeborgen in een eenmalig te gebruiken recipiënt;
3° risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie, worden voorafgaand aan het decontaminatieproces :
a) bij transport buiten de instelling : verpakt als vermeld in punt 1° ;
b) bij transport binnen de instelling, met als doel de afvalstoffen te vervoeren naar de decontaminatie-installatie of naar de opslagruimte waar de betreffende afvalstoffen opgeslagen worden voor decontaminatie, verpakt op een van de volgende wijzen :
1) verpakt in kartonnen dozen met een binnenzak, vervaardigd uit een kunststofsoort die aangepast is aan de aard en het gewicht van de inhoud, goed afsluitbaar en lekvrij;
2) verpakt in lekdichte zakken, vervaardigd uit een kunststofsoort met een dubbele wand die voldoende dik is om scheuren tijdens intern transport of opslag, voorafgaande aan decontaminatie, te voorkomen, met dubbele lasnaden, aangepast aan de aard en het gewicht van de inhoud, goed afsluitbaar en lekvrij. De zakken worden voor opslag en transport verzameld in duidelijk identificeerbare, vormvaste, geschikte transportmiddelen.

Het afval dat gedecontamineerd moet worden, wordt getransporteerd overeenkomstig artikel 5.2.3.11, 1°. De shredder van de decontaminatie-installatie moet in staat zijn de gebruikte recipiënt te vermalen tot de voorbestemde deeltjesdiameters.

Artikel 5.2.3.4. (01/06/2012- ...)

Met behoud van de bepalingen van de ADR-reglementering wordt op elke recipiënt van risicohoudend medisch afval door de fabrikant van de recipiënt de vermelding « risicohoudend medisch afval » aangebracht. De vermelding « risicohoudend medisch afval » is waterbestendig en wordt, in zwarte drukletters van minimaal 2 centimeter hoog, gekleefd, gedrukt of in reliëf gezet op een gele achtergrond van minimaal een A4-formaat.

Op elke vormvaste recipiënt of op een gesloten container van risicohoudend medisch afval wordt door de instelling voor geneeskunde of de geneeskundige praktijk de naam, het adres en het telefoonnummer van de instelling voor geneeskunde of de geneeskundige praktijk in kwestie aangebracht.

De naam, het adres en het telefoonnummer van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar wordt door hem zelf aangebracht op elke oververpakking van risicohoudend medisch afval die bij dezelfde producent van medisch afval wordt opgehaald.

De datum van de ophaling wordt door de instelling voor geneeskunde, door de geneeskundige praktijk of door de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar onder toezicht van de instelling voor geneeskunde of van de geneeskundige praktijk aangebracht op elke oververpakking van risicohoudend medisch afval.

Artikel 5.2.3.4/1. (01/01/2014- ...)

Met behoud van de bepalingen van de ADR-reglementering wordt op elke recipiënt van risicohoudend medisch afval, die in aanmerking komt voor decontaminatie, door de fabrikant van de recipiënt de vermelding 'risicohoudend medisch afval voor decontaminatie' aangebracht. De vermelding `'risicohoudend medisch afval voor decontaminatie' is waterbestendig en wordt in zwarte drukletters van minimaal 2 cm hoog gekleefd, gedrukt of in reliëf gezet op een groene achtergrond van minimaal een A4-formaat.

Na decontaminatie als vermeld in subafdeling 5.2.2.13 van titel II van het VLAREM, worden de gedecontamineerde afvalstoffen aangezien als vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen en moeten de recipiënten voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 5.2.3.5 en 5.2.3.6 van dit besluit.

Op de recipiënten, vermeld in artikel 5.2.3.10, voor intern transport, voorafgaande aan het decontaminatieproces, in een installatie die gevestigd is in de instelling voor geneeskunde, wordt ten minste de afdeling van de inrichting vermeld waar de afvalstoffen ontstaan zijn. Artikel 5.2.3.4 is niet van toepassing op die recipiënten.

Artikel 5.2.3.5. (01/06/2012- ...)

Niet-risicohoudend medisch afval kan, afhankelijk van de fysische toestand ervan, verpakt worden overeenkomstig artikel 5.2.3.3 en 5.2.3.4 en moet minstens als volgt verpakt worden :
1° vloeibare en pasteuze afvalstoffen worden opgeborgen in een recipiënt als vermeld in artikel 5.2.3.3,1° ;
2° vaste afvalstoffen worden opgeborgen in een eenmalig te gebruiken, blauwe zak, vervaardigd uit een halogeenvrije kunststofsoort met een maximaal gehalte aan gerecycleerde kunststoffen. De zak heeft dubbele lasnaden, is weinig doorzichtig, scheurbestendig, goed afsluitbaar, lekvrij en aangepast aan de aard en het gewicht van de inhoud.

Artikel 5.2.3.6. (01/06/2012- ...)

Op elke recipiënt of elke zak van niet-risicohoudend medisch afval wordt door de fabrikant van de recipiënt of van de zak de vermelding « niet-risicohoudend medisch afval » aangebracht. Die vermelding is waterbestendig en wordt in zwarte drukletters van minimaal 2 centimeter hoog, gekleefd, gedrukt of in reliëf gezet.

Artikel 5.2.3.7. (01/06/2012- ...)

Artikelen 5.2.3.5, 2° en 5.2.3.6 zijn niet van toepassing op vast niet-risicohoudend medisch afval dat voortkomt uit de geneeskundige praktijk.

Artikel 5.2.3.8. (01/06/2023- ...)

De minister kan op gemotiveerd verzoek een afwijking verlenen van de bepalingen, vermeld in artikelen 5.2.3.3 tot en met 5.2.3.6, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op de ADR-reglementering.

De aanvraag tot afwijking wordt door de producent van de verpakking of in zijn naam met een beveiligde zending verzonden aan de OVAM en de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid van het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg.

Als de aanvraag onvolledig is, wordt de aanvrager daarvan uiterlijk dertig kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag schriftelijk op de hoogte gebracht.

Binnen een termijn van dertig kalenderdagen na ontvangst van de volledig verklaarde aanvraag brengen de OVAM en de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid van het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg een advies uit bij de minister.

De minister doet binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de ontvangst van de adviezen van de OVAM en de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid van het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg een uitspraak over de afwijkingsaanvraag.

Artikel 5.2.3.9. (01/06/2012- ...)

Elke recipiënt of elke zak wordt nadat hij volledig gevuld is, onmiddellijk gesloten. Daarbij wordt elke recipiënt, conform de instructies van de fabrikant van de recipiënt, definitief gesloten.

Artikel 5.2.3.10. (01/06/2012- ...)

Gevulde en definitief gesloten recipiënten van medisch afval moeten elke werkdag, met aangepaste middelen, om elke beschadiging van de verpakking te voorkomen, van de afdeling of plaats van productie naar een centrale, interne inzamelplaats worden overgebracht.

De daartoe aangewende transportmiddelen, die desinfecteerbaar zijn, moeten geregeld gereinigd en, indien nodig, gedesinfecteerd worden om het ontstaan van microbiologische broeihaarden te voorkomen. Wanneer de recipiënt niet vormvast is, moet hij ten laatste na de inzameling op de afdelingen worden opgeborgen in gesloten containers.

Artikel 5.2.3.11. (23/02/2017- ...)

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van titel II van het VLAREM, bijzondere milieuvoorwaarden zoals vermeld in artikel 72 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning die in de verleende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit ter zake kunnen worden opgelegd, moet de centrale, interne inzamelplaats van medisch afval voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° voor risicohoudend medisch afval :
a) de inzamelplaats kan uitsluitend worden ingericht in een gesloten en overdekte, koele opslagruimte of in een gesloten container buiten het eventuele beddengebouw;
b) de inzamelplaats is niet toegankelijk voor onbevoegden en voor dieren;
c) de inzamelruimte en de container moeten gemakkelijk bereikbaar zijn, zowel met de interne transportmiddelen als met de externe transportmiddelen die worden ingezet voor de ophaling;
d) de grootte van de inzamelruimte en van de container moet aangepast zijn aan de periodieke aanvoer van de afvalstoffen; de inzamelruimte moet op regelmatige tijdstippen geleegd worden, conform de bepalingen van dit besluit om elke overlading en elke vorming van microbiologische broeihaarden of geurhinder te voorkomen. Hetzelfde geldt voor de container die evenwel in zijn geheel kan worden opgehaald;
e) elke recipiënt in de inzamelruimte en in de container moet intact blijven. Beschadigde recipiënten moeten op veilige wijze worden overgebracht in aangepaste bergingsverpakkingen;
f) de inzamelruimte en de container zijn slechts beperkt toegankelijk voor de bevoegde personen. Ze zijn vrij van ongedierte en worden nadat ze geleegd zijn, verlucht en gereinigd en indien nodig gedesinfecteerd om het ontstaan van microbiologische broeihaarden te voorkomen;
g) de recipiënten moeten zo gestapeld worden dat ze niet omvallen en dat ze gemakkelijk, snel, veilig en met een minimum aan manipulatie door de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar kunnen worden geladen;
h) de inzamelruimte en de container moeten voldoen aan de volgende technische vereisten :
1) ze zijn eenvoudig en efficiënt te reinigen, te desinfecteren en te verluchten;
2) de vloeren en de wanden ervan zijn vloeistofdicht, bestand tegen ontsmettingsmiddelen, voldoende effen en gemakkelijk afwasbaar;
3) ze zijn aan de buitenzijde voorzien van de vermelding « inzamelruimte voor risicohoudend medisch afval - toegang verboden voor onbevoegden », samen met het logo van risicohoudend medisch afval. Die vermelding is in zwarte, duidelijk leesbare drukletters op een gele achtergrond aangebracht;
2° Voor niet-risicohoudend medisch afval :
a) vloeibare en pasteuze afvalstoffen moeten opgeslagen worden op de wijze vermeld in 1° van dit artikel, al dan niet samen met het daar vermelde risicohoudend medisch afval;
b) vaste afvalstoffen moeten opgeslagen worden in een inzamelruimte of in lekvrije containers of perscontainers, binnen het terrein van de instelling, op een of meer vaste, aan het zicht onttrokken locaties die gemakkelijk bereikbaar zijn voor de interne en externe transportmiddelen, en waarvan de toegang voor onbevoegden verboden is;
c) het volume van de inzamelruimte, van de containers en de perscontainers moet aangepast zijn aan de periodieke aanvoer van de afvalstoffen. Ze moeten op regelmatige tijdstippen geledigd worden, conform de bepalingen van dit besluit, om elke overlading, vorming van microbiologische broeihaarden of geurhinder te voorkomen;
d) elke locatie waar de containers of perscontainers zich bevinden, wordt na ophaling van de containers of perscontainers gereinigd en, indien nodig, gedesinfecteerd om het ontstaan van microbiologische broeihaarden te voorkomen;
3° voor risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie :
a) het transport naar de inzamelplaats gebeurt met behulp van geschikte transportmiddelen die na ophaling in de afdelingen in de inzamelruimte worden geplaatst. De transportmiddelen zijn onderworpen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.2.3.10. Als gewerkt wordt met een decontaminatie-installatie met automatische belading, worden transportmiddelen gebruikt die daarvoor geschikt zijn;
b) de inzameling en opslag van de recipiënten, vermeld in artikel 5.2.3.3, gebeurt volgens de frequenties, vermeld in artikel 5.2.3.10. De inzamelplaats kan uitsluitend worden ingericht in een gesloten en overdekte, koele opslagruimte. De inzamelplaats is fysiek gescheiden van de inzamelplaats van risicohoudende medische afvalstoffen die niet in aanmerking komen voor decontaminatie en mag buiten risicohoudend medisch afval geen andere opslag omvatten;
c) de inzamelruimte voor te decontamineren risicohoudend medisch afval voldoet aan de voorwaarden voor de opslagplaatsen van risicohoudend medisch afval met als bijkomende voorwaarde dat de inzamelruimte is opgedeeld in een reine en onreine zone om fysiek contact te vermijden tussen gedecontamineerde afvalstoffen en afvalstoffen die nog niet gedecontamineerd zijn.

Artikel 5.2.3.12. (01/06/2012- ...)

Elke instelling voor geneeskunde is verantwoordelijk voor het opmaken en het aan de betrokken personeelsleden en de toezichthouder ter beschikking stellen van de richtlijnen over het opslaan van medisch afval. De opslag van die afvalstoffen, de reiniging en eventuele desinfectie van de interne transportmiddelen, de opslagruimten, de containers of de perscontainers, alsook de regelmatige, tijdige afvoer ervan en het toezicht daarop gebeuren onder de verantwoordelijkheid van de instelling voor geneeskunde.

Artikel 5.2.3.13. (01/06/2012- ...)

Risicohoudend medisch afval en vloeibaar en pasteus niet-risicohoudend medisch afval in de geneeskundige praktijk worden opgeslagen in de beschikbare recipiënten overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikelen 5.2.3.3 tot en met 5.2.3.9. De definitief gesloten recipiënten worden, in afwachting van de verwijdering ervan, opgeslagen, in de geneeskundige praktijk, of in een lokaal dat gescheiden is van elke woon- of leefruimte en dat niet toegankelijk is voor onbevoegden. Elke recipiënt in de inzamelruimte en in de container moet intact blijven. Beschadigde recipiënten moeten op veilige wijze worden overgebracht in aangepaste bergingsverpakkingen.

Artikel 5.2.3.14. (01/06/2012- ...)

Het vast niet-risicohoudend medisch afval kan in de geneeskundige praktijk samen met de huishoudelijk vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, worden verzameld en afgegeven.

Artikel 5.2.3.15. (01/06/2012- ...)

Het vervoermiddel van de beoefenaar van een geneeskundig beroep moet bij het vervoer van risicohoudend medisch afval niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.2.3.16.

Artikel 5.2.3.16. (01/01/2014- ...)

Met behoud van de toepassing van elke andere wettelijke en reglementaire bepaling gelden voor de afzonderlijke ophaling en het vervoer van medisch afval de volgende voorwaarden :
1° risicohoudend medisch afval en vloeibaar of pasteus niet-risicohoudend medisch afval worden ingezameld en vervoerd met een transporteenheid die voldoet aan de ADR-reglementering;
2° bij het vervoeren van risicohoudend medisch afval en vloeibaar of pasteus niet-risicohoudend medisch afval :
a) moeten lekkende recipiënten onmiddellijk in een bergingsverpakking worden overgebracht;
b) als bij een volgende ophaling gevaar bestaat voor vervuiling of besmetting van de lading, wordt de laadruimte van de transportmiddelen om microbiële broeihaarden te voorkomen deskundig en aantoonbaar droog gereinigd en gedesinfecteerd met opvang van de residu's voor verbranding. Indien nodig gebeurt een natte reiniging;
c) elke manuele behandeling van de recipiënten moet bij de ophaling tot een minimum beperkt worden;
d) de bestuurderscabine bevat voldoende materiaal voor het wassen en ontsmetten van de handen van de bestuurder;
3° voor de container met risicohoudend en vloeibaar of pasteus niet-risicohoudend medisch afval, vermeld in artikel 5.2.3.11 :
a) de ophaling en het vervoer van de container moet gebeuren met een transporteenheid die voldoet aan de ADR reglementering;
b) de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar stelt duidelijke, schriftelijke instructies op zowel voor de ophaling en het vervoer van de afvalstoffen als voor noodgevallen. De instructies zijn steeds binnen handbereik te vinden in de transporteenheid, op een duidelijk zichtbare plaats;
4° voor vast niet-risicohoudend medisch afval :
a) bij het persen van de afvalstoffen moet het vrijkomen van lekvloeistoffen tot een minimum beperkt worden;
b) elke manuele behandeling van de recipiënten moet bij de ophaling tot een minimum beperkt worden;
5° risicohoudende afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie worden na decontaminatie overeenkomstig de bepalingen, vermeld in subafdeling 5.2.2.13 van titel II van het VLAREM, behandeld als vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen en voldoen bijgevolg aan de voorwaarden, vermeld in punt 4°.

Artikel 5.2.3.17. (08/04/2024- ...)

Met behoud van de toepassing van de bepalingen, van titel II van het VLAREM, bijzondere milieuvoorwaarden zoals vermeld in artikel 72 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning die in de verleende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit ter zake kunnen worden opgelegd, moet elke inzamelplaats van medisch afval buiten de instelling voor geneeskunde, buiten de geneeskundige praktijk en buiten de inrichting vergund voor de definitieve verwerking van medisch afval voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 5.2.3.11.

Medisch afval dat in daartoe vergunde externe opslaglokalen wordt opgeslagen, moet daar ten laatste vijf werkdagen na ophaling bij de producent worden opgehaald, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning.

Medisch afval dat in het vervoersmiddel wordt opgeslagen in afwachting van verdere verwerking, moet ten laatste 72 u. na ophaling bij de producent worden verwerkt.

Medisch afval afkomstig van geneeskundige praktijken en dat alleen bestaat uit naalden en scherpe voorwerpen moet binnen 14 kalenderdagen na ophaling bij de producent afgevoerd worden naar de verwerkingsinrichting.

Artikel 5.2.3.18. (01/06/2012- ...)

Het storten van medisch afval, afkomstig van de instelling voor geneeskunde, en van risicohoudend medisch afval, afkomstig van de geneeskundige praktijk, is verboden.

Artikel 5.2.3.19. (01/01/2014- ...)

Risicohoudend medisch afval en vloeibaar en pasteus niet-risicohoudend medisch afval moet verbrand worden.

Risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie, mogen samen met risicohoudende medische afvalstoffen en vloeibare en pasteuze niet-risicohoudende medische afvalstoffen verbrand worden. Daarnaast mogen ze gedecontamineerd worden volgens de voorschriften, vermeld in subafdeling 5.2.2.13 van titel II van het VLAREM, waarna ze verbrand worden als vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen.

Artikel 5.2.3.20. (01/06/2012- ...)

De verwerking van niet-risicohoudend medisch afval is niet onderworpen aan de bepalingen, vermeld in artikel 4.5.3.

Onderafdeling 5.2.4. Afgedankte voertuigen

Artikel 5.2.4.1. (17/06/2019- ...)

§ 1. Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die afgedankte voertuigen depollueert, demonteert, vernietigt (met inbegrip van indrukken) of een andere behandeling op afgedankte voertuigen uitvoert, moet erkend zijn als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen of moet een beroep doen op een centrum dat erkend is voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen dat behoort tot dezelfde milieutechnische eenheid.

Het erkende centrum moet de aangenomen afgedankte voertuigen depollueren en ontdoen van de verplicht te ontmantelen onderdelen overeenkomstig artikel 5.2.2.6.4, § 2, van titel II van het VLAREM. Na depollutie en demontage zorgt het erkende centrum voor de vernietiging van de afgedankte voertuigen.

§ 2. Werkplaatsen voor het nazicht, de herstelling en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) hoeven niet erkend te zijn als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen op voorwaarde dat ze de gedemonteerde onderdelen alleen inzetten bij de herstellingen die uitgevoerd worden in de eigen werkplaats, dat ze het gebruik van de gedemonteerde onderdelen vermelden op de facturen van de herstelling, dat ze niet meer dan vijf afgedankte voertuigen opslaan, dat ze jaarlijks niet meer dan vijftien afgedankte voertuigen daarvoor demonteren en dat de voorraad van gedemonteerde onderdelen niet meer bedraagt dan het totaal van onderdelen afkomstig van dertig afgedankte voertuigen. Ze houden daarvoor een register bij dat de volgende gegevens bevat :
1° de datum waarop het voertuig materieel de inrichting binnenkomt;
2° het chassisnummer van het voertuig;
3° de reden van aanwezigheid : voor demontage van onderdelen of aanvaard in het kader van de aanvaardingsplicht zonder demontage van onderdelen;
4° de datum van verzending van het voertuig.

Het register moet ingevuld worden op het moment dat het voertuig de inrichting binnenkomt. Het register dat in gebruik is, moet zich in de beroepslokalen bevinden in elke vestiging van het bedrijf.

Artikel 5.2.4.2. (08/04/2024- ...)

§1. De houder ontdoet zich van een voertuig of heeft het voornemen zich ervan te ontdoen, onder meer:
1° als het gedemonteerd wordt voor hergebruik van onderdelen of daarvoor bestemd is;
2° als het niet meer als voertuig gebruikt wordt of bestemd is voor een ander gebruik dan het gebruik als voertuig.

§1/1. De houder moet zich ontdoen van een voertuig :
1° als het niet is voorzien van de volgende boorddocumenten of als de eigenaar van het voertuig die niet binnen een maand kan voorleggen :
a) een geldige inschrijving;
b) een geldige keuring, tenzij het voertuig er niet over moet beschikken conform het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;
2° als de geldigheidsduur van de laatste reglementaire keuring, uitgereikt door een instelling van de technische keuring van een lidstaat van de Europese Unie, meer dan twee jaar verstreken is;
3° vanaf twee jaar na de datum waarop het voertuig voor de eerste keer gekeurd had moeten zijn als het in gebruik was gebleven;
4° als het een technisch totaalverlies betreft of het voertuig de volgende schade heeft:
a) de veiligheidskooi van het voertuig is vervormd;
b) het voertuig is in verschillende stukken uiteengevallen;
c) de voor-, midden- of achterkant van het voertuig is vernield door brand;
d) het voertuig heeft waterschade waarbij het waterniveau in het voertuig het zitvlak van de zetels heeft bereikt.

Die verplichting geldt evenwel niet voor :
1° oldtimers ingeschreven in het repertorium van de motorvoertuigen en de aanhangwagens die voldoen aan de keuringsplicht voor oldtimers of voertuigen met historische waarde ouder dan 30 jaar die zich alleen bij uitzondering op de openbare weg bevinden en die voldoen aan de keuringsplicht voor oldtimers;
2° voertuigen die als verzamelobject met duidelijke zorg, minstens overkapt en voorzien van een lekbak onder potentieel lekkende mechanische onderdelen bewaard worden;;
3° voertuigen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek, een inbeslagname of een aansprakelijkheidsonderzoek in het kader van een ongeval en waarvan het onderzoek nog loopt of die nog niet vrijgegeven zijn;
4° voertuigen die gebruikt worden voor didactische doeleinden;
5° voertuigen die gebruikt worden voor cross op voorwaarde dat ze voldoen aan de volgende vereisten :
a) ze zijn voorzien van de nodige verstevigingen (rolkooi of verstevigingsbalken);
b) het glas is gedemonteerd;
c) de binnenbekleding in het voertuig is verwijderd, met uitzondering van de bekleding van de bestuurderszetel.

De voertuigen, vermeld in het tweede lid, die zich in een zodanige staat bevinden dat er kans is op het lekken van vloeistoffen, worden bewaard op een vloeistofdichte vloer die is aangesloten op een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en slibvangput of overkapt en voorzien van een lekbak onder potentieel lekkende mechanische onderdelen.

§ 2. Alle afgedankte voertuigen moeten worden ingeleverd bij een punt van inontvangstname, aangewezen door de voertuigproducenten, of bij een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen.

De punten van inontvangstname leveren de aanvaarde afgedankte voertuigen in bij een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen.

Bij de afgedankte voertuigen zijn bij inlevering de boorddocumenten aanwezig, namelijk het inschrijvingsbewijs en het keuringsbewijs, tenzij paragraaf 1, 1°, van toepassing is.

§ 3. De termijnen waarbinnen de afgedankte voertuigen moeten worden ingeleverd bij een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen, bedragen :
1° één maand vanaf het verstrijken van de termijn waarbinnen de ontbrekende documenten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° moeten worden voorgelegd;
2° twee jaar vanaf het verlopen van de geldigheidsdatum van de geldige keuring, uitgereikt door een instelling van de technische keuring van een EU-lidstaat, tenzij men alsnog over een geldige keuring beschikt;
3° twee jaar vanaf de datum waarop het voertuig voor de eerste keer gekeurd had moeten zijn als het in gebruik was gebleven, tenzij men alsnog over een geldige keuring beschikt;
4° een maand nadat het voertuig een technisch totaal verlies werd tenzij binnen een maand de rehabilitatieprocedure is opgestart.

§ 4. Met het oog op de nakoming van die verplichtingen vermeldt het register, vermeld in onderafdeling 7.2.1, ook het chassisnummer van de aan- en afgevoerde afgedankte voertuigen.

Artikel 5.2.4.3. (08/04/2024- ...)

§ 1. Het is verboden om afgedankte voertuigen die nog niet door een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen werden gedepollueerd overeenkomstig artikel 5.2.2.6.4, § 2, van titel II van het VLAREM, te vernietigen, met inbegrip van pletten en indrukken.

§ 2. Elk erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen vereist de volgende technische capaciteiten van de uitbater en van zijn materieel en infrastructuur :
1° een geijkt weegtoestel, een infrastructuur die depollutie en demontage van onderdelen, vloeistoffen, gassen en materialen toelaat, en een mogelijkheid tot het vernietigen van de afgedankte voertuigen. Bij wijze van uitzondering kan een contract gelden met een bedrijf dat over de vernietigingsmogelijkheid beschikt en dat zich op een aanpalend terrein bevindt;
2° het nodige rollend materieel, enerzijds voor het intern verplaatsen van afgedankte voertuigen en opslagvoorzieningen van afgetapte vloeistoffen en gedemonteerde onderdelen, en anderzijds voor de aan- en afvoer van de afgedankte voertuigen als wordt geopteerd voor vervoer in eigen beheer;
3° het nodige personeel om de operationele taken van het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen te kunnen vervullen.

§ 3. Zodra een afgedankt voertuig of onderdelen van voertuigen bij een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen ingeleverd worden, is het erkende centrum volledig verantwoordelijk voor de verwerking ervan. Het afgedankte voertuig wordt zo degelijk mogelijk verwerkt vanuit technisch en markteconomisch oogpunt en op een milieuvriendelijke wijze. Het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen moet zijn efficiëntiegestaag verhogen en verbeteren, onder meer door efficiëntere verwerkingsmethoden te ontwikkelen. Alle uit te voeren verwerkingsstappen worden schematisch op een duidelijk zichtbare plaats weergeven op de plaats van verwerking. Het aftappen van koudemiddelen uit klimaatregelingsapparatuur wordt daarbij voor de verschillende nodige stappen in detail weergegeven.

§ 4. Bij de depollutie, ontmanteling en verwerking van de materialen en onderdelen van de afgedankte voertuigen behaalt het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen de doelstellingen inzake hergebruik en nuttige toepassing ter uitvoering van de aanvaardingsplicht, vermeld in onderafdeling 3.4.2. De voertuigproducenten of degenen die door hen zijn aangesteld ter uitvoering van de aanvaardingsplicht, vermeld in onderafdeling 3.4.2, verstrekken aan het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen de informatie over de bereikte percentages inzake nuttige toepassing van die materialen en onderdelen. De erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen leveren het bewijs van de bestemming van de materialen. Als er geen vergunning vereist is, leveren de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen de materialen af aan bedrijven die uitgerust zijn met de beste beschikbare technieken.

§ 5. Het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen bezorgt de laatste houder of eigenaar van het afgedankte voertuig gratis een certificaat van vernietiging dat minstens de gegevens bevat, vermeld in bijlage 5.2.4. Het erkende centrum bezorgt het certificaat van vernietiging aan de laatste houder of eigenaar van het afgedankte voertuig ten laatste één maand na ontvangst van het afgedankte voertuig en voor het afgedankte voertuig het terrein verlaat. Het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen vernietigt alle aanwezige boorddocumenten van het vernietigde afgedankte voertuig, namelijk de geldige inschrijving en de geldige keuring met inachtneming van de nodige beveiligingsmaatregelen, en bezorgt de gegevens van alle afgedankte voertuigen elektronisch aan de bevoegde overheid voor de definitieve uitschrijving,vermeld in artikel 34, § 4, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, en voor de schrapping bij vernietiging van de registratie in de Kruispuntbank van de voertuigen,vermeld in artikel 32 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen. Het beheersorganisme voor afgedankte voertuigen voorziet in de nodige functionaliteit in het datacommunicatiesysteem met centrale databank om de gegevens van de afgedankte voertuigen elektronisch te bezorgen. De certificaten van vernietiging die door een lidstaat van de Europese Unie of door een van de twee andere Belgische gewesten worden afgegeven, gelden ook voor het Vlaamse Gewest.

§ 6. Het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen verleent minstens per kwartaal alle informatie die in het kader van de aanvaardingsplicht, vermeld in onderafdeling 3.4.2, moet worden bijgehouden of verstrekt, aan de voertuigproducenten of aan degenen die door hen zijn aangesteld. Als de eindverkopers, tussenhandelaars of voertuigproducenten voor de nakoming van hun aanvaardingsplicht, vermeld in onderafdeling 3.4.2, een beroep doen op een beheersorganisme, zullen de gegevens ter beschikking gesteld worden van een geüniformiseerd, geïnformatiseerd datacommunicatiesysteem met de centrale databank van het beheersorganisme, volgens een door dit organisme vast te leggen procedure en periodiciteit. Het chassisnummer van een afgedankt voertuig dat het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen verlaat, wordt voorafgaandelijk meegedeeld aan het beheersorganisme.

§ 7. Op elk moment moet op verzoek van de toezichthouder een geactualiseerde lijst kunnen worden voorgelegd van de afgedankte voertuigen, alsook van de afvalstoffen en materialen die aanvaard werden of van de hand gedaan werden, en die aanwezig zijn op de inrichting.

§ 8. Het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen verleent op uitdrukkelijk verzoek van de OVAM de volgende gegevens in verband met de materialenstroom, waarbij het gewicht wordt uitgedrukt in kilogram :
1° een overzicht van de aangevoerde afgedankte voertuigen met vermelding van het aantal, het totaalgewicht per categorie M1 of N1, en lijsten van de chassisnummers;
2° een overzicht van de afgevoerde afgedankte voertuigen, met vermelding van het aantal, het totaalgewicht per categorie M1 of N1, en de lijsten van de chassisnummers;
3° een overzicht van de afgevoerde materialen volgens hun gewicht en totaal per bestemming.

Artikel 5.2.4.4. (08/04/2024- ...)

Om als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen erkend te zijn, moet voldaan worden aan de volgende vereisten :
1° natuurlijke personen moeten aan de volgende voorwaarden beantwoorden :
a) ze bezitten de burgerlijke en politieke rechten;
b) ze hebben de laatste vijf jaar geen effectieve strafrechtelijke veroordeling opgelopen voor een overtreding van de milieuwetgeving;
c) ze beschikken over een inrichting die vergund is voor de opslag en mechanische behandeling van voertuigwrakken en die behoort tot dezelfde milieutechnische eenheid en ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in titel II van het VLAREM;
d) ze kunnen nuttige kennis of ervaring aantonen met betrekking tot de verwerking van afgedankte voertuigen;
2° rechtspersonen moeten aan de volgende voorwaarden beantwoorden :
a) ze zijn opgericht overeenkomstig de Belgische vennootschapswetgeving of de overeenstemmende wetgeving van een andere EU-lidstaat;
b) de maatschappelijke zetel bevindt zich binnen de EU;
c) de natuurlijke personen die de vennootschap kunnen verbinden, bezitten burgerlijke en politieke rechten;
d) ze beschikken over een inrichting die vergund is voor de opslag en mechanische behandeling van voertuigwrakken en die behoort tot dezelfde milieutechnische eenheid en ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in titel II van het VLAREM;
e) de natuurlijke personen die de vennootschap kunnen verbinden, hebben de laatste vijf jaar voor de aanvraag geen effectieve strafrechtelijke veroordeling opgelopen voor een overtreding van de milieuwetgeving;
f) ten minste één lid van het orgaan of een natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden, kan nuttige kennis of ervaring aantonen met betrekking tot de verwerking van afgedankte voertuigen;
3° de deskundige persoon, vermeld in artikel 5.2.4.5, §1, 2°, en alle personen die koudemiddelen terugwinnen moeten erkend zijn als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL. In afwijking daarvan is een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/5, 2°, van het VLAREL, gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, vrijgesteld van de erkenningsverplichting op voorwaarde dat hij de terugwinning uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor;
4° een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd overeenkomstig ISO 17020 controleert de conformiteit van het centrum voor depollutie, ontmanteling en vernietiging van afgedankte voertuigen aan de wettelijke verplichtingen. De voorwaarden voor die conformiteitsverklaring worden nader bepaald door de minister.

Artikel 5.2.4.5. (27/08/2021- ...)

§ 1. De aanvraag tot erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen moet ten minste de volgende gegevens bevatten om volledig te zijn :
1° administratieve gegevens : naam, straat en nummer, postnummer en gemeente, land, telefoonnummer, faxnummer, contactpersoon en e-mailadres van de maatschappelijke zetel en van de exploitatiezetel waarop de aanvraag betrekking heeft;
2° gegevens van de deskundige persoon: voornaam, achternaam, straat en nummer, postnummer en gemeente, functie en deskundigheid van de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor het dagelijkse toezicht op en de dagelijkse leiding van het centrum. De deskundige persoon kan op verzoek van een ambtenaar van de bevoegde overheid op elk moment een actuele lijst bezorgen van de afgedankte voertuigen, alsook van de materialen die aanvaard zijn, van de hand gedaan zijn en aanwezig zijn op de inrichting;
3° ...;
4° in verband met de activiteiten van de aanvrager : een overzicht en omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van de aanvrager, met inbegrip van zijn huidige vergunnings- en erkenningstoestand ten aanzien van de milieuwetgeving;
5° een technisch rapport, gebaseerd op een initiële keuring door een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd op basis van ISO 17020, dat de conformiteit van het centrum voor depollutie, ontmanteling en vernietiging van afgedankte voertuigen met de wettelijke bepalingen attesteert. De voorwaarden voor die conformiteitsverklaring worden nader bepaald door de minister. De keuringsinstelling bezorgt het rapport van de initiële keuring binnen twee maanden aan de OVAM.

§ 2. De aanvrager dient een elektronische aanvraag tot erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen in bij de OVAM. Voor die elektronische aanvraag stelt de OVAM een webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen ter beschikking via de website van de OVAM. De aanvrager verklaart dat de verstrekte gegevens correct en volledig zijn.

De onafhankelijke keuringsinstelling bezorgt het rapport van de initiële keuring, vermeld in paragraaf 1, 5°, aan de OVAM via het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen op de website van de OVAM. De OVAM stuurt een elektronische ontvangstmelding van het keuringsrapport aan de aanvrager en de keuringsinstelling.

Artikel 5.2.4.6. (05/03/2018- ...)

De OVAM brengt de aanvrager op de hoogte van de ontvangst van de aanvraag door een elektronische melding in het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen. Zolang de aanvrager geen elektronische ontvangstmelding ontvangt, moet de aanvraag beschouwd worden als niet ingediend.

De OVAM onderzoekt de aanvraag en neemt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van de ontvangstmelding van de aanvraag een beslissing over de erkenning. De OVAM brengt de aanvrager van de beslissing op de hoogte via een melding in het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen van de OVAM.

Als er bepaalde gegevens in de aanvraag ontbreken, verzoekt de OVAM via het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen om de nodige aanvullingen.

Als de OVAM om aanvullingen verzoekt, wordt de termijn van behandeling, vermeld in het tweede lid, geschorst vanaf de verzending van dat verzoek en begint die opnieuw te lopen vanaf de ontvangst van de aanvullingen. Als de aanvrager nalaat om de aanvullingen binnen een termijn van negentig dagen aan de OVAM te bezorgen, wordt de aanvraag geacht geweigerd te zijn.

De communicatie tussen de aanvrager en de OVAM wordt gevoerd via het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen dat ter beschikking wordt gesteld via de website van de OVAM. De OVAM stuurt de aanvrager een elektronische ontvangstmelding van zijn berichten.

Artikel 5.2.4.7. (27/08/2021- ...)

§ 1. De erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen geldt voor onbepaalde duur, als ze niet wordt opgeheven.

De erkenning kan niet aan derden worden overgedragen.

§ 2. In het kader van het gebruik van de erkenning is het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen ertoe gehouden :
1° onverwijld wijzigingen van de gegevens, vermeld in artikel 5.2.4.5, aan de OVAM te melden;
2° jaarlijks een opvolgingskeuring van de bedrijfsactiviteiten door een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd op basis van ISO 17020, te laten uitvoeren. De voorwaarden voor die conformiteitsverklaring worden nader bepaald door de minister;
3° vijf jaar na het verlenen van de erkenning een initiële keuring van de bedrijfsactiviteiten door een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd op basis van ISO 17020, te laten uitvoeren. De voorwaarden voor die conformiteitsverklaring worden nader bepaald door de minister;
4° ....

§ 2/1. De onafhankelijke keuringsinstelling bezorgt binnen twee maanden de keuringsrapporten, vermeld in paragraaf 2, 2° en 3°, aan de OVAM via het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen op de website van de OVAM. De OVAM stuurt de keuringsinstelling een elektronische ontvangstmelding van het keuringsrapport.

Voor de verzending van de gewijzigde gegevens, vermeld in paragraaf 2, 1°, stelt de OVAM het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen ter beschikking via de website van de OVAM. De OVAM stuurt een elektronische ontvangstmelding

§ 3. In afwijking van paragraaf 2, 2°, kan de OVAM op basis van de keuringsrapporten, eventuele aanvullende administratieve stukken en een globale beoordeling beslissen dat een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen tweejaarlijks een opvolgingskeuring moet laten uitvoeren. De OVAM neemt die beslissing op voorwaarde dat :
1° het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen minstens zes jaar ononderbroken erkend is;
2° het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen daarom verzoekt bij de OVAM;
3° het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen de doelstellingen, vermeld in artikel 3.4.2.2, behaalt en een voldoende hoge graad van depollutie bereikt.

De beslissing van de OVAM tot afwijking van paragraaf 2, 2°, wordt schriftelijk meegedeeld aan het erkende centrum binnen dertig kalenderdagen na het verzoek en blijft gelden zolang het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen aan de voorwaarden, vermeld in lid 1, voldoet of tot de OVAM op basis van een globale beoordeling gemotiveerd beslist dat de afwijking niet meer kan gelden. De OVAM maakt die laatste beslissing met een beveiligde zending bekend aan het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. Als de OVAM om bijkomende informatie verzoekt, wordt de termijn vermeld in dit lid geschorst vanaf de verzending van het verzoek en begint die opnieuw te lopen op de eerstvolgende werkdag vanaf de ontvangst van de bijkomende informatie.

Artikel 5.2.4.8. (17/06/2019- ...)

§ 1. De OVAM kan de erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen opheffen in de volgende gevallen :
1° het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen voert de taken, vermeld in artikelen 5.2.4.1 en 5.2.4.3, niet reglementair uit;
2° het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 5.2.4.4;
3° het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen leeft de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning, vermeld in artikel 5.2.4.7, niet na;
4° het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door zijn aard de beroepsethiek van het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen aantast.

§ 2. De OVAM brengt het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen met een beveiligde zending op de hoogte van haar voornemen tot opheffing van de erkenning, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen alle nodige formaliteiten vervullen om de opheffing te voorkomen of kan het zijn verweermiddelen aan de OVAM kenbaar maken.

§ 3. De OVAM neemt binnen zestig dagen na de datum van het voornemen tot opheffing van de erkenning een beslissing over de opheffing van de erkenning, rekening houdend met de eventueel vervulde formaliteiten of de eventueel meegedeelde verweermiddelen. De beslissing over de opheffing van de erkenning wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de houder van de erkenning betekend.

§ 4. De erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen wordt van rechtswege opgeheven in de volgende gevallen :
1° het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen heeft zijn activiteiten stopgezet;
2° de inrichting beschikt niet meer over een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor de verwerking van afgedankte voertuigen.

Onderafdeling 5.2.5. -Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

Artikel 5.2.5.1. (22/09/2014- ...)

Gescheiden ingezamelde afgedankte EEA worden ingezameld en getransporteerd op zo'n wijze dat optimaal hergebruik en recyclage van onderdelen en volledige apparaten die voor recyclage in aanmerking komen, mogelijk zijn.

Artikel 5.2.5.2. (22/09/2014- ...)

De ingezamelde afgedankte EEA worden op een milieuverantwoorde wijze opgeslagen, rekening houdend met de volgende technische voorschriften:
1° op een ondoorlatende ondergrond van geschikte terreinen met opvangvoorzieningen voor lekolie en, indien nodig, olie- en vuilafscheiders;
2° voorzien van weerbestendige afdekking van geschikte terreinen;
3° voor koel- en vriestoestellen: droog en zo geplaatst dat het koelcircuit niet beschadigd kan worden;
4° voor beeldschermen: in intacte toestand;
5° gescheiden van gedemonteerde reserveonderdelen of herbruikbare toestellen.

Artikel 5.2.5.3. (08/04/2024- ...)

Afgedankte EEA moeten worden verwerkt overeenkomstig artikel 5.2.2.5, bis1 tot bis4, van titel II van het VLAREM.

Artikel 5.2.5.3/1. (05/03/2018- ...)

...

Artikel 5.2.5.4. (05/03/2018- ...)

§ 1. De inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar of de kennisgever of opdrachtgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afgedankte EEA inzamelt, opslaat, verwerkt of met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde, moet de doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en nuttige toepassing, vermeld in artikel 3.4.4.7, behalen.

§ 2. De inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar, de verwerker, het hergebruikcentrum en de kennisgever of opdrachtgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afgedankte EEA inzamelt, opslaat of verwerkt of met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde, of de organisatie die daarvoor is aangewezen, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM of van de organisatie die daarvoor is aangewezen:
1° de naam van de inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar, de verwerker, het hergebruikcentrum en de kennisgever of opdrachtgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afgedankte EEA inzamelt, opslaat, verwerkt of met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde, het ondernemingsnummer, het postnummer en de plaats, de straatnaam en het nummer, het land, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon;
2° ...;
3° de rapportageperiode;
4° de hoeveelheid afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en aantal, huishoudelijke of professionele apparatuur, per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die op het grondgebied dan wel binnen of buiten de Europese Unie zijn overgebracht die :
a) in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werden ingezameld voor rekening van een producent van EEA of een derde die handelt in naam van de producent van EEA, en het aandeel daarvan dat :
1) werd aangeboden aan een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar;
2) werd aangeboden aan een hergebruikcentrum voor EEA met het oog op de voorbereiding voor hergebruik;
3) werd aangeboden aan een vergunde verwerker;
b) buiten de aanvaardingsplicht om werd ingezameld, en het aandeel daarvan dat :
1) werd aangeboden aan een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar;
2) werd aangeboden aan een hergebruikcentrum voor EEA met het oog op de voorbereiding voor hergebruik;
3) werd aangeboden aan een vergunde verwerker;
5° de hoeveelheden afvalstoffen die voortkomen uit de verwerking van afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en opgesplitst per materiaal als vermeld in artikel 3.4.4.7, en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die :
a) voor het hergebruikcentrum : werden voorbereid voor hergebruik;
b) voor de verwerker en de kennisgever of opdrachtgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen :
1) werden voorbereid voor hergebruik;
2) werden gerecycleerd;
3) op een andere wijze nuttig werden toegepast;
4) werden verwijderd in installaties voor de verbranding van afvalstoffen;
5) werden verwijderd door storten.

Als voor een of meer van de voormelde activiteiten een beroep werd gedaan op een derde, worden de volgende contactgegevens van die derde telkens vermeld: de firmanaam, het ondernemingsnummer, het adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon.

§ 3. Een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd overeenkomstig ISO 17020 controleert de conformiteit van de inzameling en verwerking aan de wettelijke verplichtingen en valideert de gegevens, vermeld in paragraaf 2, die aan de OVAM of aan de organisatie die daarvoor aangewezen is, worden verstrekt. De voorwaarden voor deze conformiteitsverklaring en validatie worden nader bepaald door de minister.

§ 4. In afwijking van paragraaf 3 kan de conformiteitscontrole van de inzameling en de verwerking, en de validatie van de gegevens gebeuren volgens de Europese norm EN50625, inclusief technische specificaties.

Hiertoe moet de inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar of verwerker voldoen aan één van volgende voorwaarden :
1° geslaagd zijn voor de WEEELABEX Conformity Verification, uitgevoerd door een auditeur die is goedgekeurd door de WEEELABEX Organisation, op basis van de Europese norm EN50625;
2° gecertificeerd zijn door een onafhankelijke certificatie-instelling die geaccrediteerd is door BELAC of door een ander lid van de European co-operation for Accreditation (EA) om audits uit te voeren op basis van de Europese norm EN50625.

§ 5. De houder die afgedankte EEA met het oog op verwerking naar een ander land of ander gewest overbrengt, draagt er zorg voor dat de afgedankte EEA passend zal worden verwerkt onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de bepalingen, vermeld in paragraaf 3 of 4. Op verzoek van de OVAM moet de houder dit kunnen aantonen aan de OVAM.

Artikel 5.2.5.5. (17/06/2019- ...)

Voor de aanvang van een inzamelactie voor afgedankte EEA van huishoudelijke oorsprong beschikt de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar over een goedkeuring van het beheersorganisme of van een producent die beschikt over een goedgekeurd individueel aanvaardingsplichtplan. Het beheersorganisme of de producent die beschikt over een goedgekeurd individueel aanvaardingsplichtplan mag een inzamelactie alleen afkeuren op basis van non-conformiteit met het Materialendecreet en dit besluit. Overeenkomstig artikel 5.2.5.4 wordt er per inzamelpunt gerapporteerd aan het beheersorganisme of aan de producent die beschikt over een goedgekeurd individueel aanvaardingsplichtplan.

Artikel 5.2.5.6. (22/09/2014- ...)

De houder die EEA niet langer voor eigen gebruik wil aanwenden, moet zich ontdoen van die EEA als de EEA niet voldoen aan de hergebruikscriteria, vermeld in artikel 5.2.5.10.

Artikel 5.2.5.7. (22/09/2014- ...)

Gebruikte EEA die niet voldoen aan de hergebruikscriteria, vermeld in artikel 5.2.5.10, worden als een afvalstof ingezameld, verhandeld, gemakeld, en/of vervoerd.

Artikel 5.2.5.8. (16/12/2016- ...)

Het hergebruikcentrum voor EEA moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het hergebruikcentrum voor EEA ondergaat binnen het jaar een keuring door een ISO17020-geaccrediteerde keuringsinstelling die de naleving van dit artikel evalueert. Nadien wordt er om de vier jaar een nieuwe keuring uitgevoerd. De keuringsinstelling stelt het verslag van elke keuring binnen twee maanden na de keuring ter beschikking van de OVAM;
2° de voorbereiding voor hergebruik van gebruikte EEA gebeurt door gekwalificeerd personeel, met minimaal een diploma elektriciteit van het technisch secundair onderwijs of gelijkwaardig door aantoonbare ervaring;
3° bij de voorbereiding voor hergebruik van gebruikte EEA worden de regels, vastgesteld door de minister, nageleefd. Die regels hebben betrekking op de minimale handelingen die moeten worden uitgevoerd met het oog op een kwaliteitsvolle voorbereiding voor hergebruik van gebruikte EEA.

Artikel 5.2.5.9. (22/09/2014- ...)

Het hergebruikcentrum voor EEA dat met het oog op de voorbereiding voor hergebruik toegang wil verkrijgen tot afgedankte EEA die zijn ingezameld in opdracht van de producenten sluit daarvoor een samenwerkingsovereenkomst met de producenten of met een door de producenten aangewezen organisatie, waarin de onderlinge samenwerkingsmodaliteiten worden geregeld.

Artikel 5.2.5.10. (22/09/2014- ...)

Gebruikte EEA kunnen alleen opnieuw in hergebruik gebracht worden als tweedehandse EEA als voldaan is aan de hergebruikscriteria.

De hergebruikscriteria, vermeld in het eerste lid, worden door de minister vastgesteld en houden minstens rekening met de algemene staat van het apparaat, de functionaliteit, het energieverbruik, de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, het bestaan van een reguliere markt voor het apparaat en een voldoende mate van bescherming tijdens het transport.

Artikel 5.2.5.11. (16/12/2016- ...)

Met inachtneming van de uitzonderingen, vermeld in artikel 5.2.5.12, kunnen gebruikte EEA alleen grensoverschrijdend overgebracht worden als tweedehands EEA als voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° de gebruikte EEA zijn beoordeeld of getest voor hergebruik en voldoen aan de hergebruikscriteria, vermeld in artikel 5.2.5.10;
2° de houder, verantwoordelijk voor het transport, beschikt over de volgende documenten, die bij de lading aanwezig zijn:
a) een kopie van de factuur en het contract met betrekking tot de verkoop en/of de eigendomsoverdracht van de EEA, waarin wordt verklaard dat de apparatuur bestemd is voor onmiddellijk hergebruik en volledig functioneel is;
b) een bewijs van beoordeling of test voor alle EEA die deel uitmaken van de zending;
c) gespecificeerde etiketinformatie;
d) een verklaring van de houder die het vervoer van de EEA organiseert, dat de zending geen materiaal of apparatuur omvat die een afvalstof is;
3° tijdens het vervoer en het in- en uitladen is de EEA voorzien van passende bescherming tegen beschadiging, meer bepaald door voldoende verpakking en passende stapeling van de lading.

De minister kan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2°, b) en c), nader uitwerken.

Als de grensoverschrijdende overbrenging plaatsvindt zonder te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, worden de apparaten beschouwd als een afvalstof.

Artikel 5.2.5.12. (22/09/2014- ...)

Artikel 5.2.5.11, eerste lid, 1° en 2°, a), b), c), is niet van toepassing als door afdoende bewijs wordt gedocumenteerd dat de overbrenging plaatsvindt in het kader van een overdrachtovereenkomst tussen ondernemingen en minstens voldaan is aan een van de volgende voorwaarden:
1° de EEA worden, door of in opdracht van de producent van EEA, de tussenhandelaar of de eindverkoper, naar de producent van het EEA of naar een derde die in diens naam handelt, teruggestuurd als defect voor reparatie onder garantie met het oog op hergebruik;
2° de gebruikte professionele EEA worden verzonden naar de producent van de EEA, naar een derde die in diens naam handelt of naar faciliteiten van een derde in landen waar Besluit C(2001)107/def. van de OESO-Raad inzake de herziening van Besluit C(92)39/def. betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing van toepassing is, met als doel om te worden opgeknapt of gerepareerd, krachtens een geldig contract, met het oog op hergebruik;
3° de defecte gebruikte professionele EEA, zoals medische hulpmiddelen of onderdelen daarvan, worden naar de producent van de EEA of naar een derde die in diens naam handelt, verzonden voor analyse van de onderliggende oorzaak, krachtens een geldig contract, als een dergelijke analyse alleen kan worden uitgevoerd door de producent van het EEA of door derden die in zijn naam handelen.

Artikel 5.2.5.13. (22/09/2014- ...)

De kosten van de passende analyses en inspecties door toezichthouders, waaronder de opslagkosten, van gebruikte EEA waarvan vermoed wordt dat het afgedankt EEA is, kunnen in rekening worden gebracht aan de producenten, aan derden die in hun naam handelen, of aan andere personen die het vervoer organiseren van gebruikte EEA waarvan vermoed wordt dat het afgedankt EEA is.

Onderafdeling 5.2.6. Afvalbanden

Artikel 5.2.6.1. (01/06/2012- ...)

Het is verboden afvalbanden en versnipperde rubberbanden te storten. Het is ook verboden afvalbanden te verwerken zonder dat voorafgaandelijk een bewerking heeft plaatsgevonden, die gericht is op de gehele of gedeeltelijke nuttige toepassing van die afvalbanden.

Artikel 5.2.6.2. (01/06/2012- ...)

De afvalstoffenproducent, de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, of de kennisgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afvalbanden met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde of zelf verwerkt, moet de doelstellingen inzake hergebruik en nuttige toepassing, vermeld in artikel 3.4.3.2, behalen. Op verzoek van de OVAM verstrekt hij daarover informatie.

Onderafdeling 5.2.7. Afgedankte batterijen en accu's

Artikel 5.2.7.1. (01/06/2012- ...)

Het is verboden afgedankte batterijen en accu's te verwerken zonder dat vooraf een behandeling heeft plaatsgevonden, die gericht is op de gehele of gedeeltelijke recycling van de afgedankte batterijen en accu's.

Het is verboden afgedankte batterijen en accu's te ontdoen van zuren buiten een inrichting die vergund is voor de verwerking van afgedankte batterijen en accu's.

Afgedankte batterijen en accu's moeten verwerkt worden in inrichtingen die gebruik maken van de beste beschikbare technieken of van gelijkwaardige technieken.

Artikel 5.2.7.2. (08/04/2024- ...)

De opslag, met inbegrip van de tijdelijke opslag, de behandeling en de verwerking van afgedankte batterijen en accu's vindt plaats op overdekte locaties met vloeistofdichte vloer of in weerbestendig afgedekte en zuurbestendige containers.

De verwerking van afgedankte batterijen en accu's omvat minimaal het wegnemen van alle vloeistoffen en zuren.

Afgedankte batterijen en accu’s worden zodanig opgeslagen en verwerkt dat de aanwezigheid van geleidende of brandbare stoorstoffen tot een minimum wordt beperkt en dat de afgedankte batterijen en accu’s beschermd zijn tegen blootstelling aan water, overmatige hitte en het risico op breken of andere fysieke schade. De bescherming tegen blootstelling aan water, overmatige hitte en het risico op breken of andere fysieke schade geldt niet voor installaties die specifiek vergund zijn voor de verwerking van afgedankte batterijen en accu’s als water, overmatige hitte, breken of andere fysieke schade nodig of onvermijdelijk is in het proces.

Voor de opslag en verwerking van afgedankte lithiumbatterijen en accu’s worden speciale voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen getroffen. De speciale maatregelen zijn afgestemd op de activiteit en in overleg met de brandweer of een onafhankelijke expert opgesteld. Als de inrichting of activiteit vergunningsplichtig is, maken de speciale maatregelen deel uit van de vergunningsaanvraag en het goedgekeurde werkplan.

De minister kan nadere regels bepalen voor het voorkomen en bestrijden van verhitting en brand, bij de opslag en verwerking van afgedankte batterijen en accu’s.

Artikel 5.2.7.3. (01/06/2012- ...)

De afvalstoffenproducent, de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, of de kennisgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afgedankte batterijen en accu's verwerkt of met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde, moet de recyclingdoelstellingen, vermeld in artikel 3.4.5.2, behalen. Op verzoek van de OVAM verstrekt hij daarover informatie.

Artikel 5.2.7.4. (01/06/2012- ...)

In geval van uitvoer buiten de EU moeten op verzoek van de OVAM de bereikte recyclingpercentages gevalideerd worden door een onafhankelijke keuringsinstelling die geaccrediteerd is op basis van ISO 17020.

Onderafdeling 5.2.8. Pcb's

Artikel 5.2.8.1. (01/06/2012- ...)

De OVAM houdt een inventaris bij van apparaten die meer dan 1 liter pcb's bevatten. Voor sterkstroomcondensatoren geldt de drempel van 1 liter voor het totaal van de afzonderlijke onderdelen van een gecombineerd toestel.

De gegevens in de inventaris zijn afkomstig van alle nuttige inlichtingen waarover de OVAM beschikt, en in het bijzonder van :
1° de kennisgevingen die zijn gedaan met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juli 1986 tot reglementering van de stoffen en preparaten die polychloorbifenylen en polychloorterfenylen bevatten;
2° de gegevens die zijn ingezameld met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2000 houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor pcb-houdende apparaten en de daarin aanwezige pcb's;
3° de kennisgevingen die zijn gedaan met toepassing van artikel 5.2.8.4.

Artikel 5.2.8.2. (01/06/2012- ...)

De inventaris bevat ten minste de volgende gegevens :
1° naam en adres van de houder van pcb-houdende apparaten;
2° plaats en omschrijving van de pcb-houdende apparaten;
3° hoeveelheid pcb's in de apparaten;
4° data en soorten behandeling of vervanging die worden uitgevoerd of overwogen;
5° datum van aangifte.

Voor de apparaten waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat de vloeistoffen daarin tussen 0,05 en 0,005 gewichtsprocenten pcb's bevatten, moeten de gegevens, vermeld in lid 1, 3° en 4°, niet worden opgenomen.

Artikel 5.2.8.3. (01/06/2012- ...)

Bedrijven die pcb's verwerken, delen de hoeveelheid, de oorsprong en de aard van de aan hen geleverde pcb's mee aan de OVAM. Ze houden die gegevens ook ter inzage van de lokale overheid en de bevolking.

Artikel 5.2.8.4. (01/06/2012- ...)

§ 1. De houder van pcb-houdende apparaten moet :
1° als dat nog niet eerder gebeurd is met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juli 1986 tot reglementering van de stoffen en preparaten die polychloorbifenylen en polychloorterfenylen bevatten, of van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2000 houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor pcb-houdende apparaten en de daarin aanwezige pcb's, zo snel mogelijk ten minste de volgende gegevens bezorgen aan de OVAM :
a) zijn naam en adres;
b) plaats en omschrijving van de apparaten die pcb's bevatten en die hij in zijn bezit heeft, alsook de hoeveelheden pcb's in die apparaten;
c) de hoeveelheden pcb's die hij in zijn bezit heeft;
d) de hoeveelheden gebruikte pcb's die hij in zijn bezit heeft;
e) data en soorten behandeling of vervanging die worden uitgevoerd of overwogen.
Als die kennisgeving eerder is gedaan met toepassing van het besluit van 9 juli 1986 of van 17 maart 2000, worden daarbij de eventuele wijzigingen vermeld ten aanzien van de vroegere kennisgeving;
2° de OVAM op de hoogte brengen van elke wijziging in de situatie, vermeld in1° ;
3° ervoor zorgen dat elk apparaat dat meer dan 1 liter pcb's bevat, wordt voorzien van een etiket. Een soortgelijk etiket moet ook worden aangebracht op de deuren van lokalen waar dat apparaat zich bevindt. Voor sterkstroomcondensatoren geldt de drempel van 1 liter voor het totaal van de afzonderlijke onderdelen van een gecombineerd toestel. Apparaten waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat de vloeistoffen daarin tussen 0,05 en 0,005 gewichtsprocenten pcb's bevatten, mogen worden voorzien van een etiket met de vermelding "verontreinigd met pcb's < 0,05 %";
4° ervoor zorgen dat gebruikte pcb's zo spoedig mogelijk worden verwijderd;
5° ervoor zorgen dat pcb-houdende apparaten zo spoedig mogelijk worden gereinigd of verwijderd.

§ 2. Elke wijziging van de informatie, verstrekt overeenkomstig paragraaf 1, 1° en 2°, moet binnen drie maanden schriftelijk aan de OVAM worden meegedeeld.

Artikel 5.2.8.5. (27/08/2021- ...)

§ 1. Apparaten en de daarin aanwezige pcb's die overeenkomstig artikel 5.2.8.1, eerste lid, moeten worden geïnventariseerd, worden onmiddellijk buiten gebruik gesteld en vervolgens gereinigd of verwijderd.

De termijn tussen het buiten gebruik stellen van een apparaat en de reiniging van pcb-houdende apparaten of verwijdering ervan mag niet meer dan zes maanden bedragen, behalve als de houder kan aantonen dat de inrichtingen voor reiniging of verwijdering tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren om apparaten te accepteren.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 mogen de transformatoren waarvan de vloeistoffen tussen 0,05 en 0,005 gewichtsprocenten pcb's bevatten, ofwel worden gereinigd overeenkomstig artikel 5.2.8.7, § 2, ofwel uiterlijk op 31 december 2025 worden verwijderd.

§ 3. Voor apparaten die vrijkomen tijdens het slopen van gebouwen, moet de uitvoerder van de sloopwerken ervoor zorgen dat de apparaten afzonderlijk worden ingezameld en dat ze worden afgevoerd naar een inrichting die overeenkomstig de toepasselijke milieuwetgeving die apparaten mag verwerken.

Artikel 5.2.8.6. (01/06/2012- ...)

Bij toestellen met minerale olie waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er tijdens de productie of het gebruik van de toestellen een verontreiniging van de minerale olie met pcb's is opgetreden, moet in de volgende situaties het pcb-gehalte in de minerale olie worden gemeten :
1° bij het openen van de toestellen voor onderhouds- of herstellingswerkzaamheden;
2° bij het veranderen van exploitatieadres van de toestellen;
3° bij het veranderen van houder;
4° bij het buiten gebruik stellen van de toestellen.

Als de meting, vermeld in lid 1, aantoont dat de minerale olie van een toestel meer dan 0,005 gewichtsprocenten pcb's bevat, moet het toestel worden beschouwd als een pcb-houdend apparaat.

Artikel 5.2.8.7. (01/06/2012- ...)

Transformatoren waarvan de vloeistoffen meer dan 0,05 gewichtsprocenten pcb's bevatten, mogen onder de volgende voorwaarden worden gereinigd :
1° het doel van de reiniging van pcb-houdende apparaten bestaat erin het gehalte aan pcb's te verlagen tot minder dan 0,05 gewichtsprocenten en, zo mogelijk, tot maximaal 0,005 gewichtsprocenten;
2° de vervangende vloeistof, die geen pcb's bevat, houdt duidelijk minder risico's in;
3° de vervanging van de vloeistof brengt de latere verwijdering van de pcb's niet in gevaar.

Transformatoren waarvan de vloeistoffen tussen 0,05 en 0,005 gewichtsprocenten 'pcb's bevatten, mogen worden gereinigd onder de voorwaarden, vermeld in lid 1, 2° en 3°, met als einddoel het gehalte aan pcb's te verlagen tot maximaal 0,005 gewichtsprocenten.

Artikel 5.2.8.8. (01/06/2012- ...)

§ 1. Pcb's moeten voor eindverwerking worden aangeboden bij een daartoe vergunde inrichting. Ze moeten verwijderd worden volgens handeling D8, D9, D10, D12 of D15, vermeld in artikel 4.2.1.

De toegelaten handeling D12 is in dit kader beperkt tot de veilige, diepe, ondergrondse opslag in rotsformaties en is alleen toegelaten voor apparaten die pcb's bevatten en niet kunnen worden gereinigd.

§ 2. Voor pcb's of pcb-houdende apparaten voor eindverwerking door een daartoe vergunde inrichting in ontvangst worden genomen, worden alle nodige voorzorgsmaatregelen getroffen om elk brandgevaar te vermijden. Daartoe worden de pcb's gescheiden gehouden van brandbare stoffen.

Artikel 5.2.8.9. (01/06/2012- ...)

De volgende activiteiten zijn verboden :
1° het scheiden van pcb's van andere stoffen met het oog op het hergebruik van de pcb's;
2° het verbranden van pcb's of gebruikte pcb's op schepen.

Artikel 5.2.8.10. (01/06/2012- ...)

De OVAM stuurt aan de verschillende overheden die belast zijn met de bescherming van het leefmilieu, de bescherming van de veiligheid van de werknemers en van de bevolking, op verzoek, een afschrift of een gedeeltelijk afschrift van de inventarissen, vermeld in artikel 5.2.8.1, eerste lid. De verstrekte gegevens kunnen alleen worden aangewend voor het doel waarvoor ze werden aangevraagd.

Artikel 5.2.8.11. (01/06/2012- ...)

Apparaten en onderdelen van toestellen die minder dan 1 liter pcb's bevatten, moeten worden verwijderd op het einde van hun gebruiksduur.

Artikel 5.2.8.12. (01/06/2012- ...)

Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en andere toestellen die pcb-houdende onderdelen kunnen bevatten moeten zo verwerkt worden dat de pcb-houdende onderdelen selectief worden gedemonteerd en voor verwerking worden afgevoerd naar een inrichting die overeenkomstig de toepasselijke milieuwetgeving dergelijke pcb-houdende afvalstoffen mag verwerken. Onderdelen die mogelijk pcb's bevatten, moeten worden beschouwd als pcb-houdende onderdelen.

Artikel 5.2.8.13. (01/06/2012- ...)

Bij de vernieuwing van straatverlichting moeten de vrijgekomen condensatoren die pcb's kunnen bevatten, worden beschouwd als pcb-houdende condensatoren. Dergelijke condensatoren moeten voor de verwerking worden afgevoerd naar een inrichting die overeenkomstig de toepasselijke milieuwetgeving dergelijke pcb-houdende afvalstoffen mag verwerken.

Onderafdeling 5.2.9. Afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten

Artikel 5.2.9.1. (01/06/2012- ...)

Het is verboden afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen, gefluoreerde broeikasgassen of resten van die stoffen bevatten, te verwerken zonder dat voorafgaandelijk een bewerking heeft plaatsgevonden als vermeld in artikel 5.2.2.5.2, § 9, van titel II van het VLAREM.

[Onderafdeling 5.2.10. Afval van schepen van de zeevaart (verv. BVR 2 juli 2021, art. 58, I: 1 januari 2022)]

Artikel 5.2.10.1. (01/01/2022- ...)

De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op:
1° alle schepen, ongeacht hun vlag, die een haven aandoen of daar in bedrijf zijn;
2° alle havens die gewoonlijk worden aangedaan door schepen die binnen het toepassingsgebied van punt 1° vallen.

Schepen die havendiensten verrichten in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de transparantie van havens, oorlogsschepen, marinehulpschepen en andere schepen in eigendom of onder beheer van de overheid die, op dat moment, uitsluitend op niet-commerciële basis door de overheid worden gebruikt, hoeven niet te voldoen aan de bepalingen van deze onderafdeling, met uitzondering van, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de afgifteplicht van afval van schepen.

Voor de toepassing van deze onderafdeling, en om onnodig oponthoud voor schepen te vermijden, kan de OVAM besluiten ankerplaatsen van havens uit te sluiten van de toepassing van de artikelen 5.2.10.6, 5.2.10.7 en 5.2.10.8.

Artikel 5.2.10.2. (01/01/2022- ...)

§ 1. Elke beheerder van een haven zorgt voor de beschikbaarheid van havenontvangstvoorzieningen die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die hun havens gewoonlijk aandoen, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken.

De havenontvangstvoorzieningen zijn toereikend als:
1° ze over de nodige capaciteit beschikken om de soorten en hoeveelheden afval te ontvangen van de schepen die de haven gewoonlijk aandoen, rekening houdend met:
a) de operationele behoeften van de gebruikers van de haven;
b) de grootte en de geografische ligging van de haven;
c) het type schepen dat de haven aandoet;
d) de vrijstellingen die verleend worden volgens de procedure, vermeld in artikel 5.2.10.9;
2° de formaliteiten en praktische regelingen in het verband met het gebruik van de havenontvangstvoorzieningen eenvoudig en vlot verlopen om onnodig oponthoud voor de schepen te vermijden;
3° de vergoedingen die voor de afgifte in rekening worden gebracht, schepen niet ontmoedigen om de havenontvangstvoorzieningen te gebruiken;
4° de havenontvangstvoorzieningen het mogelijk maken afval van schepen op milieuvriendelijke wijze te beheren, conform de bepalingen van het Materialendecreet en dit besluit. Om hergebruik en recycling te vergemakkelijken, wordt het afval van schepen gescheiden ingezameld in de havens overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. Om dat proces te vergemakkelijken, kunnen havenontvangstvoorzieningen de gescheiden afvalfracties inzamelen volgens de in het MARPOL-verdrag omschreven afvalcategorieën, rekening houdend met de daarin vervatte richtsnoeren en zonder afbreuk te doen aan de strengere eisen voor het beheer van keukenafval en etensresten van internationaal vervoer die worden opgelegd door Verordening (EG) nr. 1069/2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten.

§ 2. De beheerder van de haven zorgt ervoor dat de handelingen voor de afgifte en ontvangst van afvalstoffen met voldoende veiligheidsmaatregelen worden uitgevoerd om zowel persoonlijke als milieurisico's in de havens te voorkomen.

Artikel 5.2.10.3. (01/01/2022- ...)

§ 1. De beheerder van een haven stelt een passend plan op voor de ontvangst en verwerking van afval van schepen. Het plan wordt door de OVAM goedgekeurd.

§ 2. Het plan wordt uitgewerkt en toegepast in overleg met de betrokken partijen, in het bijzonder met de havengebruikers of hun vertegenwoordigers en, in voorkomend geval, bevoegde lokale instanties, exploitanten van havenontvangstvoorzieningen, organisaties die uitvoering geven aan de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld. Dat overleg vindt zowel tijdens de opstelling van het afvalontvangst- en afvalverwerkingsplan als na de goedkeuring ervan plaats, met name als aanzienlijke wijzigingen van de eisen, vermeld in de artikelen 5.2.10.2, 5.2.10.6 en 5.2.10.7, hebben plaatsgevonden.

§ 3. Het plan heeft betrekking op alle soorten afval van schepen die gewoonlijk de haven in kwestie aandoen, en is afgestemd op de grootte van de haven en het soort schepen dat die haven aandoet.

De volgende elementen maken deel uit van het plan:
1° een beschrijving van de haven, met vermelding van:
a) het soort schepen dat de haven gewoonlijk aandoet;
b) de geografische afbakening van de haven;
2° een beschrijving van de aanwezige inzamelfaciliteiten, met vermelding van:
a) het soort havenontvangstvoorzieningen en de capaciteit ervan;
b) de soorten afvalstoffen die de havenontvangstvoorzieningen inzamelen;
c) eventuele voorbehandelingsinstallaties en -processen in de haven;
3° een beoordeling van de behoefte aan inzamelfaciliteiten, gelet op de behoefte van de schepen die de haven gewoonlijk aandoen;
4° een beschrijving van de aanmeldingsprocedure;
5° een beschrijving van de procedures voor ontvangst en inzameling van het afval van schepen, met vermelding van:
a) de methoden voor het registreren van het feitelijke gebruik van de havenontvangstvoorzieningen;
b) een gedetailleerde beschrijving van de procedures voor ontvangst en inzameling van afval van schepen;
c) de toepasselijke wetgeving en formaliteiten voor de afgifte;
d) de methoden voor het registreren van de ontvangen hoeveelheden afval van schepen;
e) de soort en hoeveelheden ontvangen en verwerkt afval van schepen;
f) de wijze waarop het afval van schepen wordt verwerkt;
6° een beschrijving van de procedure voor het melden van vermoedens van ontoereikendheid van de havenontvangstvoorzieningen;
7° een beschrijving van het kostendekkingssysteem;
8° een beschrijving van de procedures voor structureel overleg met havengebruikers, afvalbedrijven, terminalexploitanten en andere belanghebbende partijen;
9° een vermelding van de personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het plan, met inbegrip van het contactadres in de haven.

§ 4. Als dat nodig is om redenen van efficiëntie kunnen de plannen voor ontvangst en verwerking van afval van schepen door twee of meer naburige havens in dezelfde geografische regio samen worden opgesteld, met passende inschakeling van elke haven, op voorwaarde dat de behoefte aan havenontvangstvoorzieningen en de beschikbaarheid daarvan voor elke haven apart worden vermeld.

Artikel 5.2.10.4. (01/01/2022- ...)

§ 1. De plannen, vermeld in artikel 5.2.10.3, worden behandeld als volgt:
1° de beheerder van een haven stuurt een voorstel van plan met een beveiligde zending naar de OVAM. De OVAM onderzoekt het plan op volledigheid als vermeld in artikel 5.2.10.3, § 3, en onderzoekt of de procedures in het plan voldoen aan de bepalingen, vermeld in de artikelen 5.2.10.6, 5.2.10.7, 5.2.10.8 en 5.2.10.9;
2° binnen zestig kalenderdagen na de ontvangst van het volledig bevonden voorstel van plan doet de OVAM uitspraak over het plan;
3° de OVAM zendt die beslissing of een eensluidend verklaard afschrift ervan aan de beheerder van de haven binnen tien kalenderdagen na de datum van de beslissing.

§ 2. De conform paragraaf 1 goedgekeurde plannen voor ontvangst en verwerking van afval van schepen zijn geldig voor maximaal vijf jaar. Elke beslissing die voor een kortere termijn geldt, moet gemotiveerd zijn.

Als er gedurende de periode van vijf jaar geen aanzienlijke veranderingen hebben plaatsgevonden in de werking van de haven, kan de hernieuwde goedkeuring bestaan in een validering door OVAM van de bestaande plannen.

§ 3. Als er mogelijk aanzienlijke veranderingen zijn in de werking van de haven meldt de beheerder van de haven dat onmiddellijk aan de OVAM. Onder aanzienlijke veranderingen wordt onder meer verstaan: structurele veranderingen in het verkeer naar de haven, de ontwikkeling van nieuwe infrastructuur, wijzigingen in de vraag naar en terbeschikkingstelling van havenontvangstvoorzieningen en nieuwe technieken om afval aan boord te behandelen. Op basis van de door de beheerder van de haven gemelde wijzigingen kan de OVAM binnen vijftien kalenderdagen beslissen dat het indienen van een nieuw plan noodzakelijk is. Een nieuw plan wordt ingediend volgens de procedure, vermeld in paragraaf 1.

De OVAM kan bij wijzigingen in de wetgeving of een herziening van het beleid ambtshalve wijzigingen in het plan doorvoeren.

§ 4. Kleine niet-commerciële havens die worden gekenmerkt door schaars of weinig verkeer van uitsluitend pleziervaartuigen, kunnen door de OVAM worden uitgesloten van de verplichtingen, vermeld in de artikelen 5.2.10.3 en 5.2.10.4 als hun havenontvangstvoorzieningen zijn geïntegreerd in het afvalverwerkingssysteem dat door of namens de gemeente in kwestie wordt beheerd en de informatie over het afvalbeheersysteem beschikbaar wordt gesteld aan de gebruikers van die havens.

Artikel 5.2.10.5. (01/01/2022- ...)

De beheerder van de haven zorgt ervoor dat aan elke havengebruiker de volgende informatie uit het afvalontvangst- en afvalverwerkingsplan wordt verstrekt:
1° de locatie van de havenontvangstvoorzieningen voor iedere aanlegplaats, en, indien relevant, hun openingstijden;
2° een lijst van afval van schepen dat gewoonlijk door de haven wordt beheerd;
3° een lijst van de contactpunten, de exploitanten van de havenontvangstvoorzieningen en de aangeboden diensten;
4° een beschrijving van de afgifteprocedures;
5° een beschrijving van het kostendekkingssysteem, waaronder, in voorkomend geval, de afvalbeheerregelingen en -fondsen.

De informatie, vermeld in het eerste lid, wordt duidelijk meegedeeld aan de havengebruikers, en openbaar en gemakkelijk toegankelijk gemaakt in het Nederlands, het Frans en het Engels.

De informatie, vermeld in het eerste lid, wordt door de OVAM beschikbaar gesteld en actueel gehouden in het informatie-, monitoring- en handhavingssysteem dat de Europese Commissie daarvoor ter beschikking stelt.

Artikel 5.2.10.6. (01/01/2022- ...)

§ 1. De exploitant, agent of kapitein van een schip dat onder het toepassingsgebied van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum valt en op weg is naar een Vlaamse haven, vult het aanmeldingsformulier waarheidsgetrouw en nauwkeurig in en verstrekt de informatie aan de instantie die daarvoor door de OVAM is aangewezen:
1° ten minste 24 uur voor aankomst, als de aanloophaven bekend is;
2° zodra de aanloophaven bekend is, als die informatie minder dan 24 uur voor aankomst beschikbaar is;
3° uiterlijk bij vertrek uit de vorige haven, als de duur van de reis minder dan 24 uur bedraagt.

De agent of de vertegenwoordiger die de ingevulde aanmelding ontvangt van de kapitein van het schip, bezorgt die onveranderd aan de beheerder van de haven. Een model van aanmeldingsformulier is opgenomen in bijlage 5.2.10.A.

§ 2. De informatie, vermeld in paragraaf 1, wordt ten minste tot na de volgende aanloophaven aan boord bewaard, en wordt desgevraagd ter beschikking gesteld van de bevoegde handhavingsinstanties.

§ 3. De informatie van de afvalvooraanmelding wordt door de beheerder van de haven via het Belgisch centraal beheerssysteem en SafeSeaBelgium elektronisch gemeld in het informatie-, monitoring- en handhavingssysteem dat de Europese Commissie daarvoor ter beschikking stelt.

Artikel 5.2.10.7. (01/01/2022- ...)

§ 1. De kapitein van een schip dat een haven aandoet, geeft voor zijn vertrek uit de haven al zijn aan boord meegevoerde afval af aan een havenontvangstvoorziening overeenkomstig de toepasselijke lozingsnormen van het MARPOL-verdrag.

§ 2. Bij de afgifte vult de exploitant van de havenontvangstvoorziening of de beheerder van de haven waar het afval is afgegeven, het afvalontvangstbewijs dat is opgenomen in bijlage 5.2.10.B, waarheidsgetrouw en nauwkeurig in en zorgt hij er zonder onnodige vertraging voor dat aan de kapitein van het schip een afvalontvangstbewijs wordt verstrekt. Dat geldt niet voor kleine havens met onbemande voorzieningen of veraf gelegen havens, op voorwaarde dat de naam en locatie van die havens door de OVAM is gemeld in het informatie-, monitoring- en handhavingssysteem dat de Europese Commissie daarvoor ter beschikking stelt.

De exploitant, agent of kapitein van een schip dat onder het toepassingsgebied van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum valt, meldt de informatie van het afvalontvangstbewijs vóór vertrek of zodra het afvalontvangstbewijs is ontvangen, aan de beheerder van de haven. Deze informatie wordt door de beheerder van de haven via het Belgisch centraal beheersysteem en SafeSeaBEL elektronisch gemeld in het informatie-, monitoring- en handhavingssysteem dat de Europese Commissie daarvoor ter beschikking stelt.

De informatie uit het afvalontvangstbewijs is gedurende ten minste twee jaar, in voorkomend geval samen met het passende oliejournaal, ladingjournaal, afvalstoffenjournaal of afvalbeheersplan, beschikbaar aan boord en wordt op verzoek ter beschikking gesteld van de bevoegde handhavingsinstanties.

§ 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 kan een schip doorvaren naar een volgende aanloophaven zonder afgifte van zijn afval als:
1° uit de aanmelding, vermeld in artikel 5.2.10.6, § 1, en het afvalontvangstbewijs, vermeld in artikel 5.2.10.7, § 2, blijkt dat er voldoende specifiek daarvoor bestemde opslagcapaciteit aan boord is voor al het afval dat zich al aan boord bevindt en het afval dat zal ontstaan tijdens de geplande reis van het schip naar de volgende aanloophaven;
2° uit de informatie aan boord van schepen die buiten het toepassingsgebied van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum vallen, blijkt dat er aan boord van het schip voldoende specifiek daarvoor bestemde opslagcapaciteit is voor al het afval dat zich al aan boord bevindt en het afval dat zal ontstaan tijdens de geplande reis van het schip naar de volgende aanloophaven;
3° het schip minder dan 24 uur of in slechte weersomstandigheden voor anker gaat, tenzij de ankerplaats buiten het toepassingsgebied van de havens valt.

De criteria voor het bepalen van de voldoende specifieke opslagcapaciteit als vermeld in het eerste lid, punt 1° en 2°, worden vastgelegd via de daartoe door de Europese Commissie vastgestelde uitvoeringshandelingen overeenkomstig Verordening (EU) 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren.

§ 4. Het schip is verplicht om al zijn afval vóór vertrek af te geven als:
1° op basis van de beschikbare informatie, waaronder informatie die elektronisch beschikbaar is in het informatie-, monitoring- en handhavingssysteem dat de Europese Commissie daarvoor ter beschikking stelt of in GISIS is gemeld, niet kan worden vastgesteld of er in de volgende aanloophaven toereikende havenontvangstvoorzieningen beschikbaar zijn;
2° de volgende aanloophaven niet bekend is.

§ 5. De bepalingen, vermeld in paragraaf 3 blijven gelden met behoud van de toepassing van strengere afgiftevoorschriften voor schepen die overeenkomstig het internationale recht zijn vastgesteld.

Artikel 5.2.10.8. (01/01/2022- ...)

§ 1. De kosten van de exploitatie van havenontvangstvoorzieningen voor de ontvangst en verwerking van afval van schepen, met uitzondering van ladingresiduen, worden gedekt door inning van een bijdrage van schepen. Die kosten omvatten de elementen die opgenomen zijn in bijlage 5.2.10.C.

§ 2. De kostendekkingssystemen mogen schepen er niet toe aanzetten hun afval in zee te lozen. Daartoe worden de volgende beginselen toegepast bij het ontwerp en de toepassing van de kostendekkingssystemen:
1° schepen betalen een indirecte bijdrage, ongeacht of er afval wordt afgegeven aan een havenontvangstvoorziening;
2° de indirecte bijdrage dekt:
a) de indirecte administratieve kosten;
b) een aanzienlijk gedeelte van de directe exploitatiekosten, vermeld in bijlage 5.2.10.C, dat minstens 30% van de totale directe kosten voor de werkelijke afvalafgifte tijdens het voorgaande jaar bedraagt, waarbij het mogelijk is rekening te houden met de kosten in verband met het voor het komende jaar verwachte verkeersvolume;
3° om te voorzien in een zo sterk mogelijke prikkel voor de afgifte van afval in de zin van bijlage V bij het MARPOL-verdrag, wordt voor dergelijk afval, met uitzondering van ladingresiduen, geen directe vergoeding in rekening gebracht, om te zorgen voor een recht van afgifte zonder aanvullende kosten op basis van het afgegeven afvalvolume, behalve als het afgegeven afvalvolume de maximale specifiek daarvoor bestemde opslagcapaciteit als vermeld in het aanmeldingsformulier dat opgenomen is in bijlage 5.2.10.A, te boven gaat. Passief opgevist afval valt ook onder deze regeling, met inbegrip van het recht van afgifte;
4° om te voorkomen dat de kosten van de inzameling en verwerking van passief opgevist afval uitsluitend door havengebruikers worden gedragen, worden die kosten, in voorkomend geval, gedekt met inkomsten uit alternatieve financieringsregelingen;
5° om de afgifte te bevorderen van residuen uit tankwaswater dat persistente drijvende stoffen met een hoge viscositeit bevat, kan in passende financiële prikkels voor de afgifte ervan worden voorzien;
6° de indirecte bijdrage heeft geen betrekking op afval van uitlaatgasreinigingssystemen. De kosten daarvan worden in rekening gebracht op basis van de soorten en hoeveelheden afval die worden afgegeven.

§ 3. Het gedeelte van de kosten dat eventueel niet wordt gedekt door de indirecte bijdrage, wordt in rekening gebracht op basis van de soorten en hoeveelheden afval die feitelijk door het schip afgegeven zijn.

§ 4. De bijdragen kunnen worden gedifferentieerd op grond van de volgende elementen:
1° de categorie, het type en de grootte van het schip;
2° het verlenen van diensten buiten de normale werktijd aan schepen in de haven;
3° het gevaarlijke karakter van de afvalstoffen.

§ 5. De bijdragen worden verlaagd op grond van de volgende elementen:
1° het soort handel waarvoor het schip wordt gebruikt, in het bijzonder als een schip voor de korte vaart wordt ingezet;
2° uit het ontwerp, de apparatuur en de exploitatie van het schip blijkt dat het schip beperkte hoeveelheden afval produceert en zijn afval op duurzame en milieuvriendelijke wijze beheert.

De criteria om te bepalen of een schip voldoet aan de criteria, vermeld in het eerste lid, punt 2°, worden bepaald via de daartoe door de Europese Commissie vastgestelde uitvoeringshandelingen overeenkomstig Verordening (EU) 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren.

§ 6. Om te verzekeren dat de bijdragen billijk, transparant, gemakkelijk herkenbaar en niet-discriminerend zijn en de kosten van de ter beschikking gestelde en, voor zover van toepassing, gebruikte voorzieningen en diensten weerspiegelen, worden de bedragen ervan en de grondslag waarop ze zijn berekend, in het Nederlands en het Engels aan de havengebruikers meegedeeld in het afvalontvangst- en afvalverwerkingsplan.

Artikel 5.2.10.9. (01/01/2022- ...)

§ 1. Een schip kan vrijgesteld worden van de verplichtingen, vermeld in de artikelen 5.2.10.6, 5.2.10.7, § 1, en 5.2.10.8, als is aangetoond dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het schip neemt deel aan geregeld verkeer en doet frequent en regelmatig havens aan;
2° er is een regeling getroffen om ervoor te zorgen dat het afval wordt afgegeven en de bijdragen worden betaald in een haven die op de route van het schip ligt, die;
a) wordt aangetoond door een ondertekende overeenkomst met een haven of een afvalbedrijf, en door afvalontvangstbewijzen;
b) is gemeld aan alle havens op de route van het schip,
c) is aanvaard door de haven waar de afgifte en de betaling plaatsvinden, dat een haven in de Europese Unie of een andere haven kan zijn, waar, als vastgesteld op basis van de informatie die elektronisch in het daartoe door de Europese Commissie ter beschikking gestelde informatie-, monitoring- en handhavingssysteem en in GISIS is gemeld, toereikende voorzieningen beschikbaar zijn;
3° de vrijstelling heeft geen negatieve gevolgen voor de maritieme veiligheid, de gezondheid, het leven of de werkomstandigheden aan boord of het mariene milieu.

§ 2. Een aanvraag voor een vrijstelling wordt elektronisch ingediend bij de OVAM. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van het webloket scheepvaart, dat ter beschikking wordt gesteld via de website van de OVAM.

De vrijstelling kan verleend worden voor de termijn van de opgegeven dienstregeling of voor een maximale periode van vijf jaar.

De OVAM onderzoekt de aanvraag op volledigheid.

De beheerder van de haven waar de vrijstelling voor wordt aangevraagd, wordt uitgenodigd om binnen twintig kalenderdagen na de ontvangst van het dossier een advies over de aanloopfrequentie aan de OVAM te verstrekken.

De OVAM neemt een beslissing binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de beheerder van de haven en stuurt de beslissing door naar de aanvrager, de beheerder van de haven in kwestie, de met scheepvaartcontrole belaste dienst van het federale Directoraat-generaal Maritiem Vervoer en het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust.

Als de vrijstelling wordt toegekend, geeft de OVAM een vrijstellingscertificaat af op basis van het formaat dat is opgenomen in bijlage 5.2.10.D, waarmee wordt bevestigd dat het schip voldoet aan de noodzakelijke voorwaarden en voorschriften voor de toepassing van de vrijstelling en waarin de duur van de vrijstelling is vermeld. De informatie uit dit vrijstellingscertificaat en de eventuele opheffing van de vrijstelling worden door de OVAM, via het Belgisch centraal beheersysteem en SafeSeaBEL, elektronisch gemeld en actueel gehouden in het informatie-, monitoring- en handhavingssysteem dat de Europese Commissie daarvoor ter beschikking stelt.

§ 3. Een verleende vrijstelling kan met terugwerkende kracht gelden vanaf de dag van de ontvangst van de volledig bevonden aanvraag.

§ 4. Een vrijstelling kan door de OVAM worden opgeheven als er door wijzigingen in de route van het schip of in de regelingen voor de afgifte van het scheepsafval niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.

§ 5. Met behoud van de toepassing van paragraaf 4 blijft de vrijstelling geldig in de volgende situaties:
1° als het schip uitzonderlijk een andere haven aanloopt dan de haven die bepaald is in de vastgelegde route om redenen van overmacht, veiligheid, noodzakelijk technisch onderhoud of omdat het noodzakelijk is een noodhaven aan te lopen. De OVAM wordt daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht;
2° als een schip tijdelijk gedurende een periode van maximaal één maand vervangen wordt door een ander vaartuig wegens een ongeval, een technisch defect of een gepland onderhoud. De verleende vrijstelling wordt gedurende die periode overgedragen aan het vervangende schip voor die route. In dergelijk geval wordt de OVAM daarvan op de hoogte gebracht. Als het oorspronkelijke schip niet binnen de periode van een maand opnieuw in dienst wordt genomen, vervalt de vrijstelling, zowel voor het oorspronkelijke als voor het vervangende schip, tenzij na goedkeuring van de OVAM.

§ 6. Niettegenstaande de verleende vrijstelling vaart een schip niet door naar de volgende aanloophaven als er onvoldoende specifiek daarvoor bestemde opslagcapaciteit is voor al het afval dat zich al aan boord bevindt en tijdens de geplande reis van het schip naar de volgende aanloophaven zal ontstaan.

Artikel 5.2.10.9/1. (01/01/2022- ...)

 De exploitant van de havenontvangstvoorziening zorgt ervoor dat alle personeelsleden de nodige opleiding krijgen om de kennis te vergaren die onontbeerlijk is voor het verrichten van hun werkzaamheden op het gebied van afvalbeheer, met bijzondere aandacht voor de gezondheids- en veiligheidsaspecten van het werken met gevaarlijke stoffen. De exploitant van de havenontvangstvoorziening zorgt er ook voor dat de opleidingseisen regelmatig worden geactualiseerd om aan de uitdagingen van technologische innovatie tegemoet te komen.

Onderafdeling 5.2.11. Afval van de binnenvaart

Artikel 5.2.11.1. (01/06/2012- ...)

Deze onderafdeling voorziet in de gedeeltelijke uitvoering van het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, ondertekend in Straatsburg op 9 september 1996.

Artikel 5.2.11.2. (01/06/2012- ...)

Deze onderafdeling is van toepassing op schepen die zich bevinden op binnenwateren die openstaan voor het scheepvaartverkeer.

In afwijking van het eerste lid is deze onderafdeling niet van toepassing op zeeschepen en op pleziervaartuigen.

Artikel 5.2.11.3. (01/06/2012- ...)

De havenbeheerders die binnenschepen ontvangen, en de waterwegbeheerders moeten voorzien in een voldoende dicht netwerk van ontvangstinrichtingen voor de inzameling van scheepsafval en afval van lading. De beheerders kunnen daarin zelf voorzien of daarin laten voorzien.

Artikel 5.2.11.4. (01/06/2012- ...)

§ 1. De havenbeheerders die binnenschepen ontvangen en de waterwegbeheerders stellen een passend plan op voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval, restlading, overslagresten, ladingsrestanten en waswater. Het plan wordt door de minister, na overleg met de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, goedgekeurd.

§ 2. Het plan wordt uitgewerkt in overleg met de betrokken partijen, in het bijzonder met de havengebruikers of hun vertegenwoordigers.

§ 3. Het plan moet betrekking hebben op alle soorten scheepsafval, restlading, overslagresten, ladingrestanten en waswater, afkomstig van schepen die gebruikmaken van de vaarwegen.

De volgende elementen maken deel uit van het plan :
1° een beschrijving van het toepassingsgebied :
a) de geografische afbakening en oplijsting van de vaarwegen;
b) de schepen waarvoor de ontvangstinrichtingen bestemd zijn;
2° een beschrijving van de toepasselijke wetgeving waarin minstens de volgende elementen worden verwerkt :
a) een verwijzing naar het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart en de ratificatie ervan in het Vlaamse Gewest;
b) een oplijsting van de begrippen en definities die relevant zijn voor het gebruik en de uitbating van het netwerk van ontvangstinrichtingen;
3° een beschrijving en oplijsting van de ontvangstvoorzieningen die binnen het geografische toepassingsgebied aanwezig zijn :
a) per haven of waterwegbeheerder;
b) per afvalstroom;
4° een beschrijving van de mate waarin het netwerk van ontvangstvoorzieningen een voldoende dicht netwerk vormt voor de inzameling van scheepsafval en afval van lading. Daarbij wordt minstens aandacht geschonken aan de geografische spreiding, het aantal voorzieningen per afvalstof en de behoeften van schepen die ervan gebruikmaken. Bij de toetsing van het voldoende dichte netwerk wordt aandacht geschonken aan :
a) ontvangstinrichtingen voor huisvuil :
1) bij overslaginstallaties of in havens;
2) aan aanlegplaatsen voor passagiersschepen;
3) bij ligplaatsen en sluizen;
b) ontvangstinrichtingen voor slops en klein gevaarlijk scheepsafval in havens;
c) ontvangstinrichtingen voor huishoudelijk afvalwater bij ligplaatsen van passagiersschepen waaraan de toestemming is verleend om meer dan vijftig personen te vervoeren;
5° een beschrijving van de procedures voor ontvangst en inzameling van scheepsafval en afval van lading, alsook een gedetailleerde beschrijving van het tariefsysteem, opgesplitst in de volgende deelstromen :
a) olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval;
b) afval van de lading;
c) overig scheepsbedrijfsafval;
6° een beschrijving van de procedure voor het melden van vermeende tekortkomingen van ontvangstinrichtingen;
7° een beschrijving van de procedures voor structureel overleg met alle actoren die betrokken zijn bij het gebruik en de uitbating van de ontvangstinrichtingen.

Artikel 5.2.11.5. (17/06/2019- ...)

Het plan, vermeld in artikel 5.2.11.4, voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval en afval van lading van de binnenvaart wordt behandeld als volgt :
1° de havenbeheerders die binnenschepen ontvangen, en de waterwegbeheerders sturen een voorstel van plan voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval en afval van lading per beveiligde zending naar de OVAM. De OVAM onderzoekt het plan op volledigheid als vermeld in artikel 5.2.11.4, § 3, en onderzoekt of de procedures in het plan voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 5.2.11.4;
2° binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de ontvangst van het voorstel van plan voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval van de binnenvaart verleent OVAM daarover advies aan de minister;
3° de minister doet na overleg met de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, uitspraak over het plan binnen een termijn van maximaal vier maanden na de datum van de ontvangst van het voorstel van plan bij de OVAM;
4° de OVAM zendt binnen een termijn van tien kalenderdagen na de datum van die beslissing, die beslissing of een eensluidend verklaard afschrift ervan aan de beheerders.

Het plan voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval, vermeld in lid 1, is geldig voor een termijn van maximaal vijf jaar. Elke beslissing die voor een kortere termijn geldt, moet ter zake gemotiveerd zijn.

Bij significante veranderingen in de werking van het netwerk van ontvangstinrichtingen moeten de havenbeheerders die binnenschepen ontvangen, en de waterwegbeheerders dat onmiddellijk meedelen aan de OVAM met een beveiligde zending. Op basis van de door de beheerder meegedeelde wijzigingen kan de OVAM binnen vijftien kalenderdagen na de mededeling ervan beslissen dat het noodzakelijk is om een nieuw plan in te dienen. Een nieuw plan moet ingediend worden volgens de procedure, vermeld in het eerste lid. Bovendien kan de minister in geval van wijzigingen in de wetgeving of een herziening van het beleid, na advies van de OVAM, ambtshalve wijzigingen in het plan doorvoeren.

Artikel 5.2.11.6. (01/06/2012- ...)

De havenbeheerders die binnenschepen ontvangen, en de waterwegbeheerders zorgen ervoor dat voor de binnenschepen de volgende informatie beschikbaar is :
1° een korte verwijzing naar het fundamentele belang van een behoorlijke afgifte van scheepsafval;
2° de locatie van de vaste ontvangstvoorzieningen, met een tekening of kaart;
3° een lijst van de afvalstromen die worden aanvaard;
4° een lijst van contactadressen, exploitanten en geboden diensten;
5° een beschrijving van de afgifteprocedures en van het tariefsysteem;
6° een beschrijving van de procedures voor het melden van vermeende tekortkomingen van havenontvangstvoorzieningen.

Artikel 5.2.11.7. (01/06/2012- ...)

De kosten voor de inname en verwijdering van het olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval worden in eerste instantie betaald door de beheerders van de havens en de waterwegen. De beheerders kunnen die kosten verhalen op het Instituut voor het Transport langs de Binnenwateren vzw.

De beheerders van de havens en de waterwegen zijn verplicht om per kwartaal de volgende gegevens te rapporteren aan het Instituut voor het Transport langs de Binnenwateren vzw :
1° de totale hoeveelheid ingenomen en verwijderd olie- en vethoudend afval;
2° de totale inname- en verwijderingskosten voor de hoeveelheden, vermeld in 1°.

[Onderafdeling 5.2.12. Gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong (ing. BVR 23 september 2016, art. 35, I: 16 december 2016)]

Artikel 5.2.12.1. (16/12/2016- ...)

Naast de gemeentelijke inzameling in het kader van de zorgplicht kan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon een inzameling van gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong opzetten onder de volgende voorwaarden :
1° de gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong worden ingezameld op het privéterrein van eindverkopers die dierlijke en plantaardige vetten en oliën voor huishoudelijk gebruik te koop aanbieden;
2° de eindverkoper heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de organisator van de inzameling;
3° de ingezamelde hoeveelheden gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong staan in verhouding tot de te koop aangeboden hoeveelheden;
4° de ingezamelde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong worden opgeslagen zonder schade, hinder of verontreiniging aan mens, milieu of de directe omgeving;
5° er wordt gezorgd voor een georganiseerde regelmatige afvoer van de ingezamelde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong;
6° de recipiënten waarin de gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong ingezameld en getransporteerd worden, zijn technisch geschikt. De recipiënten worden in goede staat van werking gehouden;
7° de ingezamelde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong worden nuttig toegepast.

Artikel 5.2.12.2. (16/12/2016- ...)

§ 1. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 5.2.12.1, houdt een register bij dat de volgende gegevens bevat :
1° de naam, het adres en het identificatienummer van de eindverkoper waar de inzameling heeft plaatsgevonden, van Belgische eindverkopers het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer;
2° de datum van de afvoer bij de eindverkoper;
3° de hoeveelheid in het Vlaamse Gewest ingezamelde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong in kilogram;
4° als dat van toepassing is, de naam, het adres en het identificatienummer van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar die ingeschakeld wordt voor de inzameling, van Belgische inzamelaars, afvalstoffen-handelaars of -makelaars het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer;
5° de verwerkings- of toepassingswijze van de gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong : hergebruik, composteren, recyclage, sortering, andere voorbehandeling, verbranden met energierecuperatie (R1), andere afvalverbranding (D10), storten;
6° de naam, het adres en het identificatienummer van de verwerker van de gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong, van Belgische verwerkers het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer.

Het register wordt ten minste elke maand aangevuld met de meest recente gegevens.

Het register wordt gedurende vijf jaar bijgehouden. Het register ligt ter inzage op de exploitatiezetel.

Als afvalstoffenregister kan een verzameling van handelsdocumenten als vermeld in artikel 12, § 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2013 betreffende de dierlijke bijproducten en afgeleide producten gebruikt worden.

§ 2. Van de plicht tot het bijhouden van een register als vermeld in paragraaf 1 kan worden afgeweken als de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van de afgevoerde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong aan de toezichthoudende overheid online-inzagerecht geeft in zijn register, vermeld in onderafdeling 7.2.1, op voorwaarde dat de bepalingen van het online-inzagerecht zijn goedgekeurd door de OVAM.

Artikel 5.2.12.3. (16/12/2016- ...)

§ 1. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 5.2.12.1, stelt voor 1 april van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM :
1° de hoeveelheid ingezamelde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong;
2° de inrichtingen waar en de wijze waarop de ingezamelde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën van huishoudelijke oorsprong zijn verwerkt.

De OVAM kan voor de rapportage, vermeld in het eerste lid, een sjabloon en een formaat opleggen.

§ 2. De eindverkopers en de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, vermeld in artikel 5.2.12.1, verstrekken op verzoek van OVAM alle aanvullende informatie die de OVAM nuttig acht voor de evaluatie en de controle van de inzameling.

[Onderafdeling 5.2.13. Afvalolie (ing. BVR 2 juli 2021, art. 59, I: 27 augustus 2021)]

Artikel 5.2.13.1. (27/08/2021- ...)

Afvaloliën met uiteenlopende eigenschappen mogen niet worden gemengd met elkaar en met andere soorten afval of stoffen, als dat mengen een belemmering vormt voor de regeneratie ervan of voor andere recyclinghandelingen die gelijkwaardige of betere algehele milieuresultaten opleveren dan regeneratie.

[Onderafdeling 5.2.14. Afgedankte matrassen (ing. BVR 2 juli 2021, art. 60, I: 27 augustus 2021)]

Artikel 5.2.14.1. (27/08/2021- ...)

Afgedankte matrassen worden droog ingezameld, opgeslagen en getransporteerd.

Artikel 5.2.14.2. (27/08/2021- ...)

De afvalstoffenproducent, de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, of de kennisgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afgedankte matrassen inzamelt, verwerkt of met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde, behaalt de doelstellingen inzake hergebruik, recyclage en nuttige toepassing, vermeld in artikel 3.4.8.2. Op verzoek van de OVAM verstrekt hij daarover informatie.

Onderafdeling 5.2.15. Gebruikte wegwerpluiers

Artikel 5.2.15.1. (08/04/2024- ...)

De gebruikte wegwerpluiers, inclusief urine, uitwerpselen en eventueel gebruikte vochtige doekjes, mogen gerecycleerd worden als het gaat om:
1° wegwerpluiers van kinderdagverblijven en groepsopvang;
2° wegwerpluiers van woonzorgcentra;
3° wegwerpluiers van huishoudens;
4° wegwerpluiers die onbruikbaar of onverkoopbaar zijn.

De volgende stromen mogen niet gerecycleerd worden:
1° gebruikte wegwerpluiers van ziekenhuizen;
2° gebruikte inlegkruisjes of gebruikt maandverband;
3° gebruikte wegwerpluiers van mensen die behandeld worden met cytostatica;
4° gebruikte wegwerpluiers die gecontamineerd zijn met radioactieve stoffen, gevaarlijk afval of bloed.

Artikel 5.2.15.2. (08/04/2024- ...)

De te recycleren materialen moeten selectief ingezameld worden. Er moet voldoende visuele controle mogelijk zijn.  

De te recycleren materialen moeten bij inzameling in een geschikt recipiënt opgeslagen worden, die geur- en lekdicht is en handelingen op een hygiënische wijze toelaat.

Artikel 5.2.15.3. (08/04/2024- ...)

Het recyclageproces dat gebruikt wordt om wegwerpluiers te verwerken, moet minstens voldoen aan de eisen van het sterilisatieproces, vermeld in CMA/4/B. 

Artikel 5.2.15.4. (08/04/2024- ...)

§1. De uitgaande stromen kunnen plastic, SAP, cellulose, slurry of andere uitgaande stromen zijn.

§2. De uitgaande stromen moeten voldoen aan de grenswaarden voor geneesmiddelen en hormonen, vermeld in bijlage 5.2.15.A, en aan de voorwaarden voor afwezigheid van pathogenen, vermeld in bijlage 5.2.15.B.  

De uitgaande stromen moeten geregeld geanalyseerd worden op de aanwezige concentratie van geneesmiddelen, hormonen en pathogenen. Dat gebeurt minimaal bij ingebruikname van het recyclageproces, na zes maanden en na twaalf maanden. De procedure, vermeld in CMA/4/B en CMA/3/M, wordt daarbij gevolgd. Als de analyse van een teruggewonnen grondstof drie keer na elkaar voldoet aan de grenswaarde, wordt overgegaan tot een jaarlijkse analysefrequentie. 

§3. De inzamelaar en afvalstoffenproducent moeten elke wijziging die invloed heeft op de samenstelling van de afvalstof steeds aan het bedrijf dat de recyclage uitvoert melden.

§4. Als een of meer uitgaande stromen een grenswaarde overschrijden, moeten het bedrijf dat de recyclage uitvoert en de inzamelaar van de gebruikte wegwerpluiers de volgende acties ondernemen:
1° de oorzaak van overschrijding onderzoeken en de nodige aanpassingen aan het inputmateriaal of recyclageproces uitvoeren om toekomstige overschrijdingen te vermijden. De inzamelaar en afvalstoffenproducent moeten hiertoe bijdragen door op verzoek van het bedrijf dat de recyclage uitvoert te onderzoeken of er bij hen een oorzaak voor de overschrijding is en de nodige aanpassingen uitvoeren om toekomstige overschrijdingen te vermijden. Het resultaat van dit onderzoek en de bijhorende aanpassingen worden overgemaakt aan het bedrijf dat de recyclage uitvoert; 
2° de toezichthouder binnen zeven kalenderdagen op de hoogte brengen van de overschrijding en de bijhorende maatregelen die uitgevoerd worden;
3° de stalen uit alle batchen van dezelfde materiaalstroom afzonderlijk testen vanaf de vorige controle waarbij de grenswaarde niet overschreden werd. De batchen die overschrijdingen vertonen of waarvoor geen stalen getest kunnen worden, moeten verwerkt worden volgens de afvalhandelingen, vermeld in paragraaf 6;  
4° de uitgaande stromen waarvoor een overschrijding van de grenswaarde is vastgesteld, moet weer minstens om de zes maanden worden geanalyseerd. Na drie opeenvolgende gunstige zesmaandelijkse metingen van die materiaalstroom wordt opnieuw overgegaan tot een jaarlijkse analysefrequentie.

§5. Om een uitgaande stroom uit het recyclageproces als grondstof op de markt te brengen, moet altijd een grondstofverklaring verkregen worden conform de procedure, vermeld in afdeling 2.4.

§6. De voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 2, 3 en 4, zijn niet van toepassing op een uitgaande stroom die afgevoerd wordt voor:
1° een vergassings- of pyrolyse-installatie, waarbij de componenten chemisch worden omgezet; 
2° vergisting waarvan het digestaat niet wordt toegepast als meststof of bodemverbeterend middel; 
3° verbranding.

Onderafdeling 5.2.16. Bepalingen over het beheer van gemengd bouw- en sloopafval

Artikel 5.2.16.1. (01/07/2024- ...)

Deze afdeling bevat de voorwaarden die vervuld moeten zijn bij het inzamelen, handelen en makelen, alsook het behandelen en verwerken van gemengd bouw- en sloopafval. 

Deze afdeling is voor wat betreft het inzamelen, handelen en makelen niet van toepassing als voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 
1° het bouw- en sloopafval komt vrij bij werkzaamheden uitgevoerd door een particulier;
2° het bouw- en sloopafval is vergelijkbaar naar aard, samenstelling en hoeveelheid met huishoudelijke afvalstoffen;
3° het bouw- en sloopafval wordt ingezameld via de gemeentelijke kanalen voor het huishoudelijk afval;
4° voor de inzameling van het bouw- en sloopafval worden de kosten aangerekend overeenkomstig artikel 10 van het Materialendecreet;

Deze afdeling is niet van toepassing op het inzamelen, handelen en makelen en verwerken van bouw- en sloopafval dat op basis van andere wetgeving of op bevel van de politie of bevoegde autoriteiten op andere wijze beheerd moet worden.

Artikel 5.2.16.2. (01/07/2024- 31/07/2024)

§1. De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar of de vergunde inrichting die rechtstreeks van de afvalstoffenproducent gemengd bouw- en sloopafval aanvaardt informeert de afvalstoffenproducent individueel en aantoonbaar over de fracties die gesorteerd en selectief moeten worden aangeboden conform artikel 4.3.2 en dat die nooit in een recipiënt voor gemengd bouw- en sloopafval mogen worden aangeboden, tenzij aan de voorwaarden van artikel 4.3.2, achtste lid is voldaan. 

Bewijsstukken over de effectieve informatieverstrekking per afvalstoffenproducent en de inhoud van de informatieverstrekking worden minstens 5 jaar bijgehouden.

§2. Het verspreiden van foutieve informatie aan de afvalstoffenproducenten over de sorteerplicht en het aanzetten tot het aanbieden van verplicht selectief aan te bieden fracties of afvalstoffen, inclusief bedrijfsrestafval, die niet onder de definitie vallen van bouw- en sloopafval in overeenstemming met artikel 1.2.1.§2.11°/1 in een recipiënt voor gemengd bouw- en sloopafval is verboden.

Artikel 5.2.16.3. (01/07/2024- ...)

§1. Er gebeurt een visuele controle op het conform artikel 4.3.2 gescheiden aanbieden van afvalstoffen door middel van een inspectie van de afvalstoffen die aan de oppervlakte van de recipiënt zichtbaar zijn wanneer dit in veilige omstandigheden kan gebeuren:
1° door de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar of de door hem aangestelde vervoerder op het moment dat het gemengd bouw- en sloopafval wordt opgehaald bij de afvalstoffenproducent, vooraleer het afval op het voertuig wordt geladen;
2° door de vergunde verwerker, verwerker voor tussenopslag of inrichting vergund voor het sorteren, die rechtstreeks gemengd bouw- en sloopafval van een afvalstoffenproducent aanvaardt op het moment dat de container wordt aangeboden en voor het uitkippen op de site. 

§2. Als bij de visuele controle afvalstoffen worden waargenomen in de container voor gemengd bouw- en sloopafval waarvoor een nultolerantie met weigeringsplicht geldt, wordt het afval geweigerd en mag de inhoud van de recipiënt niet worden meegenomen door de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, of de door hem aangestelde vervoerder of niet worden aanvaard door de vergunde verwerker.

Voor volgende stromen geldt een nultolerantie met weigeringsplicht:
1° gevaarlijk afval;
2° AEEA;
3° KGA;
4° asbestcement, asbesthoudende en asbestverdachte materialen.

Er wordt een non-conformiteit opgemaakt zoals vermeld in artikel 5.2.16.5. De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar of vergunde verwerker brengt de afvalstoffenproducent op de hoogte van de non-conformiteit en van de weigering en vraagt aan de afvalstoffenproducent om de afvalstoffen waarvoor nultolerantie geldt uit de recipiënt te verwijderen en als afzonderlijke fracties aan te bieden. 

§3. Als bij de visuele controle afvalstoffen worden waargenomen die volgens artikel 4.3.2 niet in aanmerking komen voor gemengde inzameling of die niet voldoen aan de definitie van bouw- en sloopafval, maar waarvoor geen nultolerantie met weigeringsplicht geldt zoals vermeld in paragraaf 2, dan maakt de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar of vergunde verwerker een non-conformiteit op zoals vermeld in artikel 5.2.16.5 en moet hij vervolgens: 
1° ofwel het afval weigeren, dat wil zeggen de inhoud van de recipiënt niet meenemen of niet aanvaarden;
2° ofwel het afval meenemen of aanvaarden. Vervolgens moet hij het afval nasorteren conform artikelen 5.2.16.6 en 5.2.16.7.  

Deze verplichtingen zijn ook van toepassing als er verpakkingen en inboedelafval worden waargenomen bij deze visuele controle, aangezien deze afvalstoffen expliciet zijn uitgesloten van de definitie bouw- en sloopafval in artikel 1.2.1 11°/1.

Artikel 5.2.16.4. (01/07/2024- ...)

§1. Een recipiënt voor gemengd bouw- en sloopafval moet steeds afgevoerd worden naar een vergunde inrichting, waar het inzamelrecipiënt wordt geledigd en ook de ondoorzichtige zakken en bigbags worden geledigd. De exploitant doet vervolgens een visuele controle van de volledige inhoud van het inzamelrecipiënt op het gescheiden aanbieden van afvalstoffen conform artikel 4.3.2.

§2. Als bij de visuele controle in de inrichting vergund voor het sorteren of tussenopslag voor sortering, afvalstoffen worden waargenomen die niet aan het gescheiden aanbieden van afvalstoffen conform art. 4.3.2 voldoen en die nog niet werden vastgesteld conform artikel 5.2.16.3, wordt er eveneens een non-conformiteit opgesteld overeenkomstig artikel 5.2.16.5.

Artikel 5.2.16.5. (01/07/2024- ...)

§1. Als bij de verschillende visuele controles afvalstoffen worden waargenomen die in overeenstemming met artikel 4.3.2 niet in het recipiënt voor gemengd bouw- en sloopafval mochten worden aangeboden,  wordt er een non-conformiteit opgesteld. Elke non-conformiteit wordt bijgehouden in een non-conformiteitenregister waarin volgende elementen worden beschreven:
1°    de datum van de non-conformiteit;
2°    de naam, adres en het ondernemingsnummer van de afvalstoffenproducent waarbij de non-conformiteit werd opgesteld;
3°    een duidelijke omschrijving van de non-conformiteit, met minstens een beschrijving van de afvalstoffen die zijn waargenomen en die onder de sorteerplicht vallen.
4°    de vermelding dat de recipiënt is geweigerd indien dat het geval is. 

Het non-conformiteitenregister wordt bijgehouden op een elektronische drager met het oog op een eenvoudige uitwisseling van registergegevens tussen de OVAM, de toezichthouders en de houder van het register. 
De OVAM voorziet in een standaardformaat voor het non-conformiteitenregister en stelt dat op de website ter beschikking. Bij de uitwisseling is het gebruik van dat sjabloon verplicht.

Als alternatief kan de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar of de vergunde verwerker zijn non-conformiteiten bijhouden in een centraal non-conformiteitenregister dat wordt beheerd door de OVAM, waarin overtreders in kaart worden gebracht. 
De gegevens in dat centraal non-conformiteitenregister zijn niet openbaar, wel raadpleegbaar door toezichthouders in het kader van handhaving. De gegevens in het centraal non-conformiteitenregister worden gewist na 18 maanden.

De afvalstoffenproducent waarbij de non-conformiteit is vastgesteld, wordt uiterlijk de volgende werkdag op de hoogte gebracht van de opgemaakte non-conformiteit door de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar of de inrichting vergund voor het sorteren of de tussenopslag voor sortering. Alle elementen, vermeld in paragraaf 1, worden daarbij aan de afvalstoffenproducent meegedeeld, alsook de melding dat hij vermoedelijk het gescheiden aanbieden van afvalstoffen conform artikel 4.3.2 niet heeft nageleefd.

Artikel 5.2.16.6. (01/07/2024- ...)

§1. De inrichting voor tussenopslag doet enkel op- en overslag en voert geen behandeling uit op de opgeslagen fracties bouw- en sloopafval. 

De inrichting voor tussenopslag moet kunnen aantonen dat de opgeslagen partijen gemengd bouw- en sloopafval voldoen aan de acceptatiecriteria van de respectieve vergunde verwerker naar waar wordt afgevoerd.

De minister kan de bepalingen waaraan de inrichting voor tussenopslag moet voldoen verder bepalen in een kwaliteitsborgingssysteem in overeenstemming met art. 5.2.16.9.

§2. Bij vergunde verwerkers die zowel gemengd bouw- en sloopafval uitsorteren, alsook bedrijfsrestafval dat niet voldoet aan de definitie van bouw- en sloopafval in overeenstemming met artikel 1.2.1.§2.11°/1, worden deze stromen steeds via aparte te verwerken batchen uitgesorteerd. Het gelijktijdig behandelen op één sorteerlijn van gemengd bouw- en sloopafval en bedrijfsrestafval dat niet voldoet aan de definitie van bouw- en sloopafval is verboden.

De vergunde verwerker die gemengd bouw- en sloopafval sorteert of verwerkt moet de werking van zijn inrichting specifiek afstemmen op de te verwerken fracties.  

§3. Het verkleinen van stukken afval, voorafgaand aan een proces van nasortering, is alleen toegestaan indien dit gevolgd wordt door het gebruik van een geautomatiseerde sorteerlijn die erop gericht is de fracties uitgebreid na te sorteren zodat voldaan wordt aan artikel 5.2.16.7 §1. 
Het verkleinen voorafgaand aan het gebruik van de sorteerlijn is enkel toegestaan als dat de effectiviteit van het sorteerproces aantoonbaar ten goede komt en ervoor zorgt dat er bij de nasortering meer recycleerbaar materiaal uitgehaald wordt. 

De verkleining moet voorafgaand aan de sorteerlijn beperkt worden tot stukken afval die zonder verkleining niet door een sorteerlijn verwerkt kunnen worden. De allergrootste stukken afval en gevaarlijk afval moeten voorafgaand aan het verkleinen nog maximaal door een kraan of handmatig worden uitgesorteerd. Het is verboden om te verkleinen alleen om de bepalingen rond stukgrootte vermeld in artikel 5.2.16.7, §1, punt 1° makkelijker te behalen. Als er nog verkleind wordt na het sorteerproces, moet een controle van de hoeveelheden, vermeld in artikel 5.2.16.7 §1, nog mogelijk zijn voorafgaand aan dat verkleiningsproces en gelden de voorschriften omtrent de hoeveelheden ook voorafgaand aan dat verkleiningsproces.

Als er een nasortering gebeurt, gelden de voorschriften over de hoeveelheden, vermeld in artikel 5.2.16.7, §1 op het gemengd bouw- en sloopafval dat de laatste stap van het sorteerproces heeft ondergaan alvorens het afval naar verbranding of storten wordt afgevoerd. Degene die een nasortering verricht, kan duidelijk aantonen hoe het sorteerproces in elkaar zit, wat de laatste stap is en welk afval op de site al alle stappen heeft ondergaan. Als dat niet kan, gelden de voorschriften over de hoeveelheden, vermeld in artikel 5.2.16.7, §1 op al het afval dat aanwezig is op de site.

§4. De uitgesorteerde fracties worden gescheiden van elkaar opgeslagen.
 
§5. De uitgesorteerde fracties moeten worden afgevoerd in functie van hergebruik of materiaalrecyclage.  

Wanneer deze uitgesorteerde fracties niet voldoen aan de acceptatiecriteria van diegene die afvalstoffen recycleert moeten deze afgevoerd worden naar een vergunde inrichting die deze fracties verder kan bewerken zodat ze wel in aanmerking komen voor hergebruik of materiaalrecyclage.

Artikel 5.2.16.7. (01/07/2024- 31/12/2026)

Elke willekeurige partij van 10 m³ gemengd bouw- en sloopafval ongeacht de dichtheid, die al dan niet na verdere uitsortering wordt aangeboden voor verbranden, storten of reinigen, mag maximaal samengesteld zijn uit:
 

a) maximum drie stukken recycleerbaar papier en karton met een oppervlakte van meer dan 0,5 m²;
b) maximum dertig liter samen verpakt papier en karton;
c) maximum drie stukken houtafval met een oppervlakte van meer dan 0,5 m² met inbegrip van stukken houtafval waar metalen aan vastgemaakt zijn;
d) maximum dertig liter samen verpakt houtafval;
e) maximum drie stukken groenafval met een lengte van meer dan 0,5 m;
f) maximum zestig liter samen verpakt groenafval;
g) maximum drie stukken metaal met een oppervlakte van meer dan 0,25 m² of met een lengte van meer dan 1 m;
h) maximum drie stukken recycleerbaar textielafval met een oppervlakte van meer dan 0,25 m2;
i) maximum drie stukken inert puin met een oppervlakte van meer dan 0,5 m²;
j) maximum zestig liter inert puinafval;
k) maximum één pakket transparante of witte kunststoffolie van meer dan 30 liter; 
l) maximum drie stukken EPS en recycleerbare harde kunststoffen met een oppervlakte van meer dan 0,5 m2;
m) maximum vijftig stukken PMD;
n) nul afvalbanden;
o) nul stukken gevaarlijk afval, AEEA, kga, asbestcement en asbesthoudende en asbestverdachte materialen; 
p) Nul stukken niet-teerhoudend asfaltpuin, funderingsmaterialen die niet conform de bepalingen van het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten kunnen verwerkt worden met een korrelgrootte boven 60 mm;
q) Nul stukken cellenbeton met een korrelgrootte boven 60 mm;
r) Nul stukken gipskartonplaten, gipsblokken met een oppervlakte van meer dan 0,5m²;

Artikel 5.2.16.8. (01/07/2024- ...)

De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van gemengd bouw- en sloopafval of de vergunde verwerker die gemengd bouw- en sloopafval aanvaardt, kan te allen tijde de nodige bewijsstukken voorleggen die aantonen dat hij voldoet aan alle voorwaarden, vermeld in deze afdeling. Die bewijsstukken worden minstens vijf jaar lang bijgehouden.

Verschillende inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars van gemengd bouw- en sloopafval of vergunde verwerkers kunnen samenwerken om aan de voorwaarden, vermeld in deze afdeling te voldoen. In dat geval wordt contractueel vastgelegd:
1° voor welke vrachten gemengd bouw- en sloopafval de samenwerking geldt; 
2° welke actor de verantwoordelijkheid neemt voor welke verplichting, vermeld in deze afdeling, waarbij alle verplichtingen in de contracten worden opgenomen.

Als niet aan al de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan, zijn alle actoren betrokken in de samenwerking elk afzonderlijk verantwoordelijk voor alle verplichtingen, vermeld in deze afdeling en overtreden ze elk afzonderlijk het verbrandingsverbod en stortverbod, vermeld in artikel 4.5.2 en 4.5.1, als ze gemengd bouw- en sloopafval aanleveren voor verbranding of storten of gemengd bouw- en sloopafval verbranden of storten dat niet overeenkomstig afdeling 5.2.16 is beheerd.

Artikel 5.2.16.9. (01/07/2024- ...)

De minister werkt de voorwaarden uit voor een intern kwaliteitsborgingsysteem voor inrichtingen die gemengd bouw- en sloopafval verwerken en waar relevant ook voor inrichtingen voor tussenopslag. 

Als de minister deze bepalingen vaststelt, moeten alle inrichtingen die gemengd bouw- en sloopafval verwerken binnen de door de minister vastgestelde termijn beschikken en werken volgens een geactualiseerd intern kwaliteitsborgingsysteem dat aan deze voorwaarden voldoet.  

Deze kwaliteitsborging moet de tracering van de in- en uitgaande stromen garanderen en de kwaliteit van de bekomen fracties na verwerking monitoren zodat voldaan is aan onderafdeling 5.2.16 en er een continue optimalisatie is van de sorteerprocessen en het rendement van de sortering. Het kwaliteitsborgingsysteem is er op gericht dat maatregelen worden genomen om het sorteer(zeef)residu van gemengd bouw- en sloopafval dat bekomen wordt na het uitsorteren van het gemengd bouw- en sloopafval tot het minimum te beperken en de uitgesorteerde fracties die worden afgevoerd in functie van hergebruik of materiaalrecyclage te maximaliseren. Dit kan door een strikt acceptatiebeleid of door de gebruikte sorteertechnieken aan te passen.

De kwaliteitsborging bevat bepalingen over:
1° de vereisten inzake aard en samenstelling van de geaccepteerde stromen, de registratie van de geaccepteerde en geweigerde vrachten, het acceptatiebeleid en de opmaak en terugkoppeling van non-conformiteiten overeenkomstig artikel 5.2.16.5; 
2° het voldoen aan de acceptatiecriteria van de respectieve vergunde verwerker naar waar wordt afgevoerd;
3° de indeling in te verwerken batchen en de minimale vereisten waaraan het behandelen moet voldoen. Het omvat een beschrijving van het productieproces en hoe de geaccepteerde stromen kunnen verwerkt worden zodat voldaan is aan de bepalingen van deze onderafdeling; 
4° de opvolging van de correcte afvoer van de verschillende uitgesorteerde fracties in functie van hergebruik en materiaalrecyclage en van de correcte afvoer van de fijne en grove fractie van het afgezeefde sorteerresidu van gemengd bouw- en sloopafval; 
5° het monitoren van de massabalans en van de effectiviteit van de sortering op basis van het gehalte recycleerbare fracties in de fijne fractie van het afgezeefde sorteerresidu van gemengd bouw- en sloopafval, zoals bepaald in paragraaf 2 van dit artikel; 
6° niet-conformiteiten in kader van de kwaliteitsborging en, indien van toepassing, de opvolging van de remediërende acties om de kwaliteit van de uitgesorteerde fracties te verbeteren en de effectiviteit van de sortering te verbeteren zoals de aanpassing of optimalisatie van de sorteertechnieken, het aanscherpen van het acceptatiebeleid en soortgelijke acties. 

De minister kan de methode bepalen voor de bepaling van de effectiviteit van de sortering op basis van het gehalte van een aantal recycleerbare fracties in de fijne fractie van het afgezeefde sorteerresidu van gemengd bouw- en sloopafval. De minister kan tevens bepalen wanneer maatregelen genomen moeten worden om de effectiviteit van de sortering te verbeteren.

Afdeling 5.3. Bepalingen over het beheer van specifieke materialen die geen afvalstof zijn

Onderafdeling 5.3.1. Algemene bepalingen

Artikel 5.3.1.1. (01/06/2012- ...)

Deze afdeling bevat de voorwaarden die moeten zijn vervuld bij het gebruik van grondstoffen.

Artikel 5.3.1.2. (01/06/2012- ...)

Als de gebruiksvoorwaarden, vermeld in deze afdeling, niet worden gerespecteerd of als de grondstoffen niet worden gebruikt voor de in de grondstofverklaring opgenomen toepassing, worden de betreffende materialen beschouwd als afvalstoffen.

De grondstoffen blijven ook tijdens het transport en gedurende de tussentijdse opslag met het oog op het effectieve gebruik grondstoffen.

Onderafdeling 5.3.2. Voorwaarden voor het gebruik van grondstoffen als meststof of bodemverbeterend middel

Artikel 5.3.2.1. (05/03/2018- ...)

Bij het gebruik van grondstoffen, bestemd voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel,  mag de dosering, vermeld in bijlage 2.3.1.C, niet worden overschreden. Als er meer dan één grondstof  wordt gebruikt, mag de som van de toegevoegde individuele verontreinigingen de maximaal toelaatbare dosering, vermeld in bijlage 2.3.1.C, niet overschrijden.

Voor grondstoffen, gebruikt als meststof of bodemverbeterend middel, moet de dosering van de grondstof gebaseerd zijn op de landbouwkundige vereisten en op de landbouwkundige eigenschappen van de meststof of het bodemverbeterend middel zonder de concentraties, vermeld in bijlage 2.3.1.C, te overschrijden. De grondstof wordt opgevolgd door de bevoegde autoriteit of de erkende keuringsinstantie.

Artikel 5.3.2.2. (01/06/2012- ...)

In het kader van een driejarig teeltplan mag om de drie jaar het drievoud gebruikt worden van de dosis, berekend op basis van de samenstelling en de gebruiksvoorwaarden, vermeld in bijlage 2.3.1.C.

Artikel 5.3.2.3. (05/03/2018- ...)

Bij het gebruik van compost en eindmaterialen van de biologische behandeling van organisch-biologische afvalstoffen voor de heraanleg van de bouwvoor voor groenvoorzieningen, infrastructuurwerken of andere cultuurtechnische werken mag een veelvoud van de maximaal toelaatbare bodemdosering gebruikt worden, berekend op het aantal jaar dat geldt als normale levensduur van de heraangelegde bouwvoor.

Artikel 5.2.3.4. (22/09/2014- ...)

Het gebruik van behandeld zuiveringsslib is alleen toegelaten als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° de concentraties in de bodem, bepaald volgens punt 4 en 5 van bijlage 2.3.1.D, overschrijden voor geen enkel metaal de concentraties, vermeld in bijlage 2.3.1.E;
2° de bodem bezit een pH-waarde die hoger is dan 6;
3° bij de toepassing op grasland of akkerland wordt injectie in de bodem toegepast of wordt het behandeld zuiveringsslib onmiddellijk ondergeploegd.

Het gebruik van behandeld zuiveringsslib is verboden :
1° op weideland dat wordt beweid of op velden voor de teelt van voedergewassen als die voedergewassen worden geoogst vóór het verstrijken van een wachttermijn van ten minste zes weken;
2° op groente- en fruitaanplant gedurende de groeiperiode, met uitzondering van de aanplant van fruitbomen;
3° op bodems die bestemd zijn voor de teelt van groenten of vruchten die normaliter in rechtstreeks contact met de bodem staan en die normaliter rauw worden geconsumeerd, gedurende een periode van tien maanden, voorafgaand aan de oogst en tijdens de oogst zelf;
4° in gebieden die volgens de vigerende plannen van aanleg overeenstemmen met een van de bestemmingen, opgesomd onder bestemmingstype I van het VLAREBO, in stadstuinen en op alle verstedelijkte plaatsen die toegankelijk zijn voor publiek.

Onderafdeling 5.3.3. Voorwaarden voor het gebruik van grondstoffen als bouwstoffen

Artikel 5.3.3.1. (22/09/2014- ...)

De voorwaarden voor gebruik, vermeld in afdeling 2 van bijlage 2.2, gelden voor het gebruik van grondstoffen als bouwstoffen.

Artikel 5.3.3.2. (01/06/2012- ...)

In afwijking van artikel 5.3.1.2, tweede lid, worden gerecycleerde granulaten rechtstreeks en zonder tussenopslag afgevoerd naar de aanwendingslocatie, tenzij voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in het eenheidsreglement.

Artikel 5.3.3.3. (01/06/2012- ...)

Puin, verkregen bij selectieve bouw- en sloopactiviteiten door particulieren zonder tussenkomst van een bedrijf of aannemer, kan alleen als grondstof in toepassingen van minder dan 100 ton worden gebruikt. Artikel 2.2.3. is in dat geval niet van toepassing.

Artikel 5.3.3.4. (27/08/2021- ...)

...

Artikel 5.3.3.5. (08/04/2024- ...)

§1. De bouwstof moet bij het gebruik een bouwtechnische functie vervullen. Bij het gebruik van de bouwstof op of in de bodem moet de bouwstof duidelijk visueel en planmatig te onderscheiden zijn van de bodem.

§2. Het gebruik van een niet-vormgegeven bouwstof moet gebeuren volgens de lijst van toepassingen van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik, vermeld in artikel 171 van het VLAREBO, tenzij het anders bepaald is in de grondstofverklaring of in de afleveringsbon in het geval van gerecycleerde granulaten onder het eenheidsreglement. 

§3. Bouwstoffen komen niet in aanmerking voor het ophogen van terreinen en het aanvullen van bouwputten, tenzij het anders bepaald is in de grondstofverklaring.

Bouwstoffen die gebruikt worden in tijdelijke werfconstructies voor het toegankelijk maken of het inrichten van de werf moeten worden verwijderd voor de oplevering van de werken als ze hun functie hebben vervuld, tenzij ze binnen de werf als bouwstoffen kunnen gebruikt worden.

Onderafdeling 5.3.4. [... (opgeh. BVR 21 september 2018, art. 71, I: 1 april 2019)]

Artikel 5.3.4.1. (01/04/2019- ...)

...

Artikel 5.3.4.2. (01/04/2019- ...)

...

Artikel 5.3.4.3. (01/04/2019- ...)

...

Artikel 5.3.4.4. (01/04/2019- ...)

...

Artikel 5.3.4.5. (01/04/2019- ...)

...

Artikel 5.3.4.6. (01/04/2019- ...)

...

Artikel 5.3.4.7. (01/04/2019- ...)

...

Onderafdeling 5.3.5. ...

Artikel 5.3.5.1. (08/04/2024- ...)

...

Onderafdeling 5.3.6. Voorwaarden voor het gebruik van rubbergranulaat van gerecycleerde afvalbanden als instrooimateriaal in kunstgrasvelden

Artikel 5.3.6.1. (01/06/2012- ...)

Rubbergranulaat dat afkomstig is van de recyclage van afvalbanden mag als instrooimateriaal worden gebruikt in kunstgrasvelden onder de voorwaarden, vermeld in deze onderafdeling.

Artikel 5.3.6.2. (01/06/2012- ...)

De kunstgrasvelden moeten worden aangelegd op een onderlaag die duidelijk herkenbaar gescheiden wordt van de onderliggende bodem die van nature aanwezig is. Het kunstgrasveld en de onderlaag worden zo ontworpen dat de uitloging van schadelijke stoffen in de bodem maximaal wordt voorkomen. De minister kan normen vastleggen voor de uitloging van schadelijke stoffen uit het kunstgrasveld en de onderlaag. De minister kan ook termijnen vastleggen waarbinnen bestaande kunstgrasvelden moeten voldoen aan de uitlogingsnormen.

Artikel 5.3.6.3. (01/06/2012- ...)

De kunstgrasvelden, ingestrooid met rubbergranulaat van gerecycleerde afvalbanden, moeten altijd vrij van rottend plantenafval worden gehouden.

Het rubbergranulaat dat verspreid raakt in de omgeving rond het kunstgrasveld, moet regelmatig worden opgeveegd en opgeruimd.

Artikel 5.3.6.4. (01/06/2012- ...)

Bij vervanging van de kunstgrasmat moet worden gecontroleerd of de onderlaag nog een compacte structuur heeft. Scheurvormingen of onregelmatigheden moeten hersteld worden.

De onderlaag moet worden vervangen wanneer de belasting met schadelijke stoffen te hoog is. De minister kan hiervoor normen vastleggen

Bij afdanking van de kunstgrasvelden moeten alle componenten waaronder het rubbergranulaat, de kunstgrasmatten en de onderlaag afgevoerd worden naar inrichtingen die vergund zijn voor de verwerking van dergelijke afvalstoffen.

[Onderafdeling 5.3.7. Voorwaarden voor het gebruik van afvalbanden als afdekmateriaal op voedersilo's (ing. BVR 16 november 2012, art. 13, I: 1 januari 2013)]

Artikel 5.3.7.1. (01/01/2013- ...)

Afvalbanden mogen worden gebruikt als afdekmateriaal op voedersilo's onder de volgende voorwaarden :
1° het aantal silobanden dat aanwezig is op een landbouwbedrijf, moet in verhouding staan tot het aantal banden dat nodig is om de voedersilo's van dat bedrijf af te dekken;
2° als de banden op een bepaald moment niet gebruikt worden als afdekmateriaal op de voedersilo's, moeten ze ordelijk worden gestapeld op een vloeistofdichte vloer.

[Onderafdeling 5.3.8. Voorwaarden voor het beheer van kabels en leidingen (ing. BVR 23 mei 2014, art. 57, I: 22 september 2014)]

Artikel 5.3.8.1. (23/02/2017- ...)

Deze onderafdeling is van toepassing op alle infrastructuur die bestemd is voor de transit, het transport, de transmissie of de distributie van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, energie of informatie, hierna genoemd kabels en leidingen, die zich bevinden onder, op of boven het openbaar domein. Ze geldt evenwel niet als de kabels of leidingen deel uitmaken van een ingedeelde inrichting of activiteit zoals vermeld in artikel 5.1.1, 8°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Ze geldt eveneens niet voor vervoersinstallaties die vallen onder de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere, door middel van leidingen.

Artikel 5.3.8.2. (22/09/2014- ...)

 Met behoud van de toepassing van andere wettelijke bepalingen neemt de kabel- en leidingbeheerder die een kabel of leiding definitief buiten dienst stelt volgens afnemende prioriteit, de volgende initiatieven voor het beheer van die kabel of leiding:
1° ze hergebruikt de kabel of leiding of delen ervan voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, eventueel op een andere locatie;
2° ze hergebruikt de onderscheiden stoffen of materialen waaruit die kabel of leiding bestaat;
3° ze neemt de kabel of leiding weg die zichtbaar is in de opgebroken sleuf en beheert ze vervolgens volgens de regels die gelden voor het beheer van afvalstoffen;
4° ze laat de kabel of leiding ter plaatse nadat ze alle nodige maatregelen heeft genomen om schade en verontreiniging ten gevolge van de kabel of leiding of de aanwezigheid ervan te voorkomen;
5° ze neemt de kabels en leidingen weg wanneer geen van de vorige initiatieven aangewezen is.

Het bepalen van de te nemen maatregelen en de uitvoering ervan gebeurt met toepassing van de best beschikbare technieken. Daarbij houdt men in het bijzonder rekening met de gevaarseigenschappen van de kabels en leidingen of van de stoffen of materialen waaruit ze bestaan, zowel in eigen beheer als in de onmiddellijke nabijheid.

De kabel- en leidingbeheerder informeert de beheerder van het openbaar domein over de initiatieven en maatregelen die overeenkomstig het eerste lid worden genomen en over de termijn waarbinnen die worden uitgevoerd. De termijn mag, als de kabels en leidingen overeenkomstig het eerste lid, 3° en 5° weggenomen worden, niet meer dan 36 maanden bedragen na het definitief buiten dienst stellen van de kabel of leiding, tenzij de openbaar domeinbeheerder verzoekt de termijn te verlengen.

Artikel 5.3.8.3. (22/09/2014- ...)

Kabels en leidingen die met toepassing van artikel 5.3.8.2, eerste lid, 4°, ter plaatse worden gelaten, worden geïnventariseerd overeenkomstig het KLIP-decreet van 14 maart 2008.

De kabel- en leidingbeheerder blijft verantwoordelijk voor het beheer van die kabels en leidingen.

[Onderafdeling 5.3.9. Voorwaarden voor het verstoken van gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 1-, 2- en 3-materiaal (ing. BVR 22 december 2017, art. 41, I: 5 maart 2018)]

Artikel 5.3.9.1. (05/03/2018- ...)

Gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 1-, 2- en 3-materiaal mogen verstookt worden als aan al de volgende criteria voldaan wordt:
1° de dierlijke vetten ontstaan in een conform verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 erkende verwerkingsinstallatie;
2° de verbrandingsinstallatie waarin de dierlijke vetten als brandstof verstookt of verbrand worden, is vergund en erkend voor het verstoken of het verbranden van dierlijke vetten;
3° voor de gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal werd conform artikel 4.5.3 van dit besluit een afwijking op het verbrandingsverbod verkregen.

In dit artikel wordt verstaan onder:
1° categorie 1-materiaal: categorie 1-materiaal als vermeld in artikel 8 van de verordening (EG) 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
2° categorie 2-materiaal: categorie 2-materiaal als vermeld in artikel 9 van de verordening (EG) 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002.

[Onderafdeling 5.3.10. Voorwaarden voor het gebruik van boerderijcompost als meststof of als bodemverbeterend middel (ing. BVR 22 december 2017, art. 42, I: 5 maart 2018)]

Artikel 5.3.10.1. (08/04/2024- ...)

Artikel 2.3.1.3./2, §2 is niet van toepassing op boerderijcompost verkregen uit een composteringsproces dat op het bedrijf plaatsvindt waarbij bedrijfseigen plantaardige organische restproducten, al dan niet vermengd met bedrijfseigen stalmest, gecomposteerd worden, en de boerderijcompost vervolgens op de bedrijfseigen landbouwgronden wordt gebruikt.

[Onderafdeling 5.3.11 Voorwaarden voor het gebruik van draagtassen voor eenmalig gebruik (ing. BVR 22 maart 2019, art. 65, I: 17 juni 2019)]

Artikel 5.3.11.1. (17/06/2019- ...)

Het gratis ter beschikking stellen van lichte plastic draagtassen voor eenmalig gebruik is verboden bij aankoop in de detailhandel. De bijdrage per draagtas moet zichtbaar worden gemaakt aan de consument. Onder detailhandel moet worden verstaan elk verkooppunt en elke vorm van verkoop aan consumenten, al dan niet overdekt.

De minister kan op het verbod, vermeld in het eerste lid, uitzonderingen met een vastgelegde duurtijd voorzien om rekening te houden met milieuoverwegingen of met vereisten inzake hygiëne, behandeling of veiligheid van bepaalde producten of vormen van verkoop wanneer er geen gepaste alternatieven beschikbaar zijn. De minister kan de eigenschappen en de voorwaarden nader vaststellen waaraan de draagtassen, waarvoor een uitzondering wordt voorzien, moeten voldoen.

Artikel 5.3.11.2. (17/06/2019- ...)

Het gratis ter beschikking stellen van lichte plastic draagtassen wordt voor bestaande voorraden die aangekocht werden voor de ingangsdatum van het verbod, toegelaten tot zes maanden na de inwerkingtreding van het verbod.

[Onderafdeling 5.3.12. Voorwaarden voor het gebruik van cateringmateriaal (ing. BVR 22 maart 2019, art. 66, I: 17 juni 2019)]

Artikel 5.3.12.1. (03/06/2023- ...)

Vanaf 15 juni 2023 is het serveren van drank in recipiënten voor eenmalig gebruik bij evenementen verboden, met uitzondering van petflessen en blikjes als de eventorganisator daarvoor in een systeem voorziet dat garandeert dat minstens 95% van die eenmalige recipiënten gescheiden wordt ingezameld voor recyclage.

Voor evenementen, vermeld in het eerste lid, georganiseerd in 2023 kan de minister uitzonderingen voorzien als de eventorganisator kan aantonen dat ondanks tijdige en behoorlijke inspanningen voor een bepaald evenement er onvoldoende capaciteit aan herbruikbare recipiënten en/of wasfaciliteiten beschikbaar is.

De uitzondering, vermeld in het eerste lid, vervalt vanaf 1 januari 2025.

Artikel 5.3.12.2. (17/06/2019- ...)

Vanaf 1 januari 2020 is het voor Vlaamse overheden en lokale besturen in hun eigen werking en door hen georganiseerde evenementen verboden drank te serveren in recipiënten voor eenmalig gebruik. Vanaf 1 januari 2022 is dit verbod ook van toepassing op het aanbieden van bereide voedingsmiddelen in cateringmateriaal voor eenmalig gebruik.

Artikel 5.3.12.3. (08/04/2024- ...)

De minister kan uitzonderingen voorzien op artikel 5.3.12.1, 5.3.12.2 en 5.3.12.2/1 als het verbod in kwestie voor bepaalde types cateringmateriaal in bepaalde toepassingen niet zal leiden tot milieuwinst.

Artikel 5.3.12.4. (03/06/2023- ...)

Bij het gebruik van herbruikbare recipiënten en herbruikbaar cateringmateriaal, met uitzondering van recipiënten uit glas en porselein, is het verplicht om in een systeem te voorzien dat garandeert dat minstens 90% van deze recipiënten en dit cateringmateriaal wordt ingezameld voor hergebruik. Bij evenementen is dit de verantwoordelijkheid van de eventorganisator.

[Onderafdeling 5.3.13. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen afvalzakken (ing. BVR 22 maart 2019, art. 67, I: 17 juni 2019)]

Artikel 5.3.13.1. (08/04/2024- ...)

§ 1. Het gebruik van kunststoffen afvalzakken die niet worden geproduceerd op basis van gerecycleerde kunststoffen, is verboden vanaf 1 januari 2021.

Het minimaal gehalte aan gerecycleerde kunststoffen in afvalzakken is vastgelegd op:
1° 80% vanaf 1 januari 2021, waarvan minstens de helft bestaat uit gerecycleerde postconsumer kunststoffen;
2° 100% vanaf 1 januari 2025, waarvan minstens de helft bestaat uit gerecycleerde postconsumer kunststoffen.
Het verbod is niet van toepassing op de treklinten van de afvalzak die dienen om de afvalzak te sluiten.

Bij het inzetten van gerecycleerde kunststoffen dient het gedeclareerde gehalte gerecycleerde kunststoffen bewezen te worden door een gecertificeerd management systeem (zoals QA-CER of gelijkwaardig) dat uitgereikt wordt door een geaccrediteerde instelling, die oorsprong en gehalte gerecycleerde kunststoffen in de zakken garandeert.

§ 2. Op het verbod vermeld in § 1 gelden volgende uitzonderingen:
1° biodegradeerbare afvalzakken bestemd voor groen- of gft-afval;
2° afvalzakken bestemd voor risicohoudend medisch afval, zoals bedoeld in artikel 5.2.3.3, en afvalzakken bestemd voor niet-risicohoudend medisch afval, zoals bedoeld in artikel 5.2.3.5;
3° afvalzakken bestemd voor asbesthoudende materialen;
4° afvalzakken bestemd voor bouwpuin.

De minister kan bijkomende uitzonderingen voorzien om rekening te houden met milieuoverwegingen of met vereisten inzake hygiëne of veiligheid. De minister kan de eigenschappen en de voorwaarden nader vaststellen waaraan de afvalzakken, waarvoor een uitzondering wordt voorzien, moeten voldoen.

§ 3. Het gebruik van kunststoffen afvalzakken zonder gerecycleerde kunststoffen wordt voor bestaande voorraden die aangekocht werden voor de ingangsdatum van het verbod, toegelaten tot maximaal 6 maanden na de ingang van het verbod.

Artikel 5.3.13.2. (03/06/2023- ...)

Onverminderd de bepaling in art. 5.3.13.1, is het vanaf 1 januari 2022 verboden voor afvalstoffenproducenten om niet-transparante afvalzakken te gebruiken bij het aanbieden van bedrijfsrestafval in containers. Tot 1 januari 2023 geldt dit verbod enkel voor afvalzakken met een inhoud groter dan 60 liter, daarna voor alle afvalzakken.

Het eerste lid geldt niet voor afvalzakken die gebruikt worden op schepen en niet voor afvalzakken die gebruikt worden voor risicohoudend of niet-risicohoudend medisch afval.

[Onderafdeling 5.3.14 Voorwaarden voor het gebruik van stickers op groenten en fruit (ing. BVR 22 maart 2019, art. 68, I: 1 januari 2021)]

Artikel 5.3.14.1. (08/04/2024- ...)

Het is verboden om stickers te gebruiken op groenten en fruit, tenzij de stickers industrieel composteerbaar of thuiscomposteerbaar zijn.

Onderafdeling 5.3.15. Voorwaarden voor het gebruik van houtsnippers als bodembedekker

Artikel 5.3.15.1. (08/04/2024- ...)

§1. Het gebruiken van houtsnippers als bodembedekker buiten landbouwgebieden is alleen toegelaten als de houtsnippers geproduceerd zijn uit:
1° hout en schors die vrij zijn van plagen, van invasieve soorten en van besmettelijke plantenziekten; 
2° houtresten en schors, die afkomstig zijn van de eerste bewerking van boomstammen, die vrij zijn van plagen, van invasieve soorten en van besmettelijke plantenziekten.

§2. De bodembedekker mag niet worden geproduceerd uit:
1° gras, bladeren, naalden en haagscheersel;
2° houtafval dat afkomstig is van bouw- en sloopactiviteiten, verpakkingen en houtverwerkende industrie.”

§3. Paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op particulieren die groenafval uit het onderhoud van de eigen tuin, in hun eigen tuin terug toepassen als bodembedekker.

Onderafdeling 5.3.16. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen compostvaten en compostbakken

Artikel 5.3.16.1. (08/04/2024- ...)

§1. Het gebruik van kunststoffen compostvaten en compostbakken, aanbesteed door de gemeentelijke, provinciale of Vlaamse overheid, die niet worden geproduceerd op basis van gerecycleerde kunststoffen, is verboden vanaf 1 januari 2024. 

Het minimale gehalte aan gerecycleerde kunststoffen is vastgelegd op: 
1° 80% vanaf 1 januari 2024, en van dit percentage moet minstens 75% bestaan uit postconsumerkunststoffen;
2° 100% vanaf 1 januari 2026, waarvan minstens 75% bestaand uit postconsumerkunststoffen.

Bij het inzetten van gerecycleerde kunststoffen moet het gedeclareerde gehalte aan gerecycleerde kunststoffen bewezen worden door een certificatie, zoals QA-CER of gelijkwaardig, dat uitgereikt wordt door een geaccrediteerde instelling die de oorsprong en het gehalte aan gerecycleerde kunststoffen in het compostvak of compostbak garandeert.

§2. Het verbod, vermeld in paragraaf 1, geldt niet voor de bewegende delen van de compostbak of het compostvat. 

§3. Bestaande compostbakken en compostvaten die in gebruik genomen zijn voor 1 januari 2024, vallen niet onder het verbod, vermeld in paragraaf 1. 

Kunststoffen compostbakken en compostvaten uit bestaande voorraden die aangekocht zijn voor de ingangsdatum van het verbod, vermeld in paragraaf 1, mogen nog onbeperkt in gebruik genomen worden na de ingang van het verbod.

Onderafdeling 5.3.17. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen rolcontainers voor afval

Artikel 5.3.17.1. (08/04/2024- ...)

§1. Het gebruik van kunststoffen rolcontainers voor afval, aanbesteed door de gemeentelijke, provinciale of Vlaamse overheid, die niet worden geproduceerd op basis van gerecycleerde kunststoffen, is verboden vanaf 1 januari 2024. 

Het minimale gehalte aan gerecycleerde kunststoffen is vastgelegd op: 
1° 50% vanaf 1 januari 2024, waarvan minstens de helft bestaat uit postconsumerkunststoffen;
2° 80% vanaf 1 januari 2026, waarvan minstens de helft bestaat uit postconsumerkunststoffen.

Bij het inzetten van gerecycleerde kunststoffen moet het gedeclareerde gehalte aan gerecycleerde kunststoffen bewezen worden door een certificatie, zoals QA-CER of gelijkwaardig, dat uitgereikt wordt door een geaccrediteerde instelling die de oorsprong en het gehalte aan gerecycleerde kunststoffen in de rolcontainer voor afval garandeert.

§2. Het verbod, vermeld in paragraaf 1, is alleen geldig voor de romp van de rolcontainer voor afval en niet voor het deksel, het onderstel en de wielen.  

§3. Bestaande kunststoffen rolcontainers voor afval die in gebruik genomen zijn voor 1 januari 2024, vallen niet onder het verbod, vermeld in paragraaf 1.

Kunststoffen rolcontainers voor afval uit bestaande voorraden die aangekocht zijn voor de ingangsdatum van het verbod, vermeld in paragraaf 1, mogen nog onbeperkt in gebruik genomen worden na de ingang van het verbod.

Onderafdeling 5.3.18. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen kweekpotten, kweektrays en plantentrays

Artikel 5.3.18.1. (08/04/2024- ...)

§1. Het gebruik van kunststoffen kweekpotten, kweektrays en plantentrays, aanbesteed door de gemeentelijke, provinciale of Vlaamse overheid, die gebruikt worden voor het opkweken van bloemen en planten, die niet worden geproduceerd op basis van gerecycleerde kunststoffen, is verboden vanaf 1 januari 2024. 

Het minimale gehalte aan gerecycleerde kunststoffen is vastgelegd op: 
1° 80% vanaf 1 januari 2024, geheel bestaand uit postconsumerkunststoffen;
2° 100% vanaf 1 januari 2026, geheel bestaand uit postconsumerkunststoffen.

Bij het inzetten van gerecycleerde kunststoffen moet het gedeclareerde gehalte aan gerecycleerde kunststoffen bewezen worden door een certificatie, zoals QA-CER of gelijkwaardig, dat uitgereikt wordt door een geaccrediteerde instelling die de oorsprong en het gehalte aan gerecycleerde kunststoffen in de kweekpotten, kweektrays en plantentrays garandeert.

§2. Kweekpotten, plantentrays en kweektrays die als verpakking worden ingezet, vallen niet onder het verbod.

Bestaande kweekpotten, plantentrays en kweektrays die voor een eerste keer in gebruik genomen zijn voor 1 januari 2024, vallen niet onder het verbod, vermeld in paragraaf 1. 

Kunststoffen kweekpotten, plantentrays en kweektrays uit bestaande voorraden die aangekocht zijn voor de ingangsdatum van het verbod, vermeld in paragraaf 1, mogen nog onbeperkt in gebruik genomen worden na de ingang van het verbod.

Onderafdeling 5.3.19. Voorwaarden voor het gebruik van meubilair met kunststoffen onderdelen in de openbare buitenruimte

Artikel 5.3.19.1. (08/04/2024- ...)

§1. Het gebruik van meubilair met kunststoffen onderdelen in de openbare buitenruimte, waarbij de kunststofonderdelen niet geproduceerd zijn op basis van gerecycleerde kunststoffen, is verboden vanaf 1 januari 2024. 

Het minimale gehalte aan gerecycleerde kunststoffen is vastgelegd op: 
1° 80% vanaf 1 januari 2024, en van dit percentage moet minstens 75% bestaan uit postconsumerkunststoffen;
2° 100% vanaf 1 januari 2026, waarvan minstens 75% bestaand uit postconsumerkunststoffen.

Bij het inzetten van gerecycleerde kunststoffen moet het gedeclareerde gehalte aan gerecycleerde kunststoffen bewezen worden door een certificatie, zoals QA-CER of gelijkwaardig, dat uitgereikt wordt door een geaccrediteerde instelling die de oorsprong en het gehalte aan gerecycleerde kunststoffen in de kunststofonderdelen van het meubilair garandeert. 

§2. Verbindingselementen in kunststof die bestemd zijn om de verschillende onderdelen van het meubilair met elkaar te verbinden tot één structureel geheel, vallen niet onder het verbod, vermeld in paragraaf 1.

§3. Bestaand meubilair met kunststoffen onderdelen voor de openbare buitenruimte dat al in gebruik genomen is voor 1 januari 2024, valt niet onder het verbod, vermeld in paragraaf 1. 

Meubilair met kunststoffen onderdelen uit bestaande voorraden dat aangekocht is voor de ingangsdatum van het verbod, vermeld in paragraaf 1, mag nog onbeperkt in gebruik genomen worden na de ingang van het verbod.

Onderafdeling 5.3.20. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen geluidsschermen

Artikel 5.3.20.1. (08/04/2024- ...)

§1. Het gebruik van niet-transparante kunststoffen geluidsschermen voor buitentoepassingen, aanbesteed door de gemeentelijke, provinciale en Vlaamse overheid, die niet worden geproduceerd op basis van gerecycleerde kunststoffen, is verboden vanaf 1 januari 2026. 

Het minimale gehalte aan gerecycleerde kunststoffen is vastgelegd op 80% vanaf 1 januari 2026, waarvan minstens de helft bestaat uit postconsumerkunststoffen. 

Bij het inzetten van gerecycleerde kunststoffen moet het gedeclareerde gehalte aan gerecycleerde kunststoffen bewezen worden door een certificatie, zoals QA-CER of gelijkwaardig, dat uitgereikt wordt door een geaccrediteerde instelling, die de oorsprong en het gehalte aan gerecycleerde kunststoffen in de kunststoffen geluidsschermen garandeert. 

§2. Bestaande kunststoffen geluidsschermen die bestemd zijn voor openbare aanbestedingen en die al in gebruik genomen zijn voor 1 januari 2026, vallen niet onder het verbod, vermeld in paragraaf 1. 

Kunststoffen geluidsschermen uit bestaande voorraden die aangekocht zijn voor de ingangsdatum van het verbod, vermeld in paragraaf 1, mogen nog onbeperkt in gebruik genomen worden na de ingang van het verbod.

Onderafdeling 5.3.21. Voorwaarden voor het gebruik van ondergrondse drukloze kunststoffen buizen voor de afvoer van regen- en afvalwater

Artikel 5.3.21.1. (08/04/2024- ...)

§1. Het gebruik van ondergrondse drukloze kunststoffen buizen voor de afvoer van regen- en afvalwater, aanbesteed door de gemeentelijke, provinciale en Vlaamse overheid, die niet worden geproduceerd op basis van gerecycleerde kunststoffen, is verboden vanaf 1 januari 2027. 

Het minimale gehalte aan gerecycleerde kunststoffen is vastgelegd op 20% vanaf 1 januari 2027. 

Bij het inzetten van gerecycleerde kunststoffen moet het gedeclareerde gehalte aan gerecycleerde kunststoffen bewezen worden door een certificatie, zoals QA-CER of gelijkwaardig, dat uitgereikt wordt door een geaccrediteerde instelling die de oorsprong en het gehalte aan gerecycleerde kunststoffen in de kunststoffen buizen voor de afvoer van regenwater en afvalwater garandeert. 

§2. Bestaande drukloze ondergrondse kunststoffen buizen voor de afvoer van regen- en afvalwater, aanbesteed door de overheid, die al in gebruik genomen zijn voor 1 januari 2026, vallen niet onder het verbod, vermeld in paragraaf 1. 

Drukloze ondergrondse kunststoffen buizen voor de afvoer van regen- en afvalwater, uit bestaande voorraden, die aangekocht zijn voor de ingangsdatum van het verbod, vermeld in paragraaf 1, mogen nog onbeperkt in gebruik genomen worden na de ingang van het verbod.

Onderafdeling 5.3.22. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen afdekplaten voor kabels, gasleidingen en andere nutsvoorzieningen

Artikel 5.3.22.1. (08/04/2024- ...)

§1. Het gebruik van kunststoffen afdekplaten voor kabels, gasleidingen en andere nutsvoorzieningen in buitentoepassingen, aanbesteed door de gemeentelijke, provinciale en Vlaamse overheid, die niet worden geproduceerd op basis van gerecycleerde kunststoffen, is verboden vanaf 1 januari 2026. 

Het minimaal gehalte aan gerecycleerde kunststoffen is vastgelegd op: 
1° 50% vanaf 1 januari 2026, waarvan minstens de helft bestaande uit postconsumer kunststoffen. 
2° 100% vanaf 1 januari 2028, waarvan minstens de helft bestaande uit postconsumer kunststoffen. 

Bij het inzetten van gerecycleerde kunststoffen moet het gedeclareerde gehalte aan gerecycleerde kunststoffen bewezen worden door een certificatie, zoals QA-CER of gelijkwaardig, dat uitgereikt wordt door een geaccrediteerde instelling die de oorsprong en het gehalte aan gerecycleerde kunststoffen in de afdekplaten voor kabels, gasleidingen en andere nutsvoorzieningen garandeert. 

§2. Bestaande kunststoffen afdekplaten voor kabels, gasleidingen en andere nutsvoorzieningen in buitentoepassingen die bestemd zijn voor openbare aanbestedingen en die al in gebruik genomen zijn voor 1 januari 2026, vallen niet onder het verbod, vermeld in paragraaf 1. 

Kunststoffen afdekplaten voor kabels, gasleidingen en andere nutsvoorzieningen voor buitentoepassingen uit bestaande voorraden, die aangekocht zijn voor de ingangsdatum van het verbod, vermeld in paragraaf 1, mogen nog onbeperkt in gebruik genomen worden na de ingang van het verbod.

Onderafdeling 5.3.23. Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen raamsystemen

Artikel 5.3.23.1. (08/04/2024- ...)

§1. Het gebruik van kunststoffen raamsystemen, aanbesteed door de gemeentelijke, provinciale en Vlaamse overheid, die niet gedeeltelijk geproduceerd zijn op basis van gerecycleerde kunststoffen, is verboden vanaf 1 januari 2026. 
    
De kunststoffen raamsystemen moeten gemiddeld over de totale hoeveelheid kunststoffen in het raamsysteem, voor minimaal 30% uit gerecycleerde kunststoffen bestaan vanaf 1 januari 2026.  
    
Bij het inzetten van gerecycleerde kunststoffen moet het gedeclareerde gehalte aan gerecycleerde kunststoffen bewezen worden door een certificatie, zoals QA-CER of gelijkwaardig, dat uitgereikt wordt door een geaccrediteerde instelling die de oorsprong en het gehalte aan gerecycleerde kunststoffen in de kunststoffen raamprofielen garandeert. 
    
§3. Bestaande kunststoffen raamsystemen die bestemd zijn voor openbare aanbestedingen en die al in gebruik genomen zijn voor 1 januari 2026, vallen niet onder het verbod, vermeld in paragraaf 1. 
    
Kunststoffen raamsystemen uit bestaande voorraden die aangekocht zijn voor de ingangsdatum van het verbod, vermeld in paragraaf 1, mogen nog onbeperkt in gebruik genomen worden na de ingang van het verbod.

[Afdeling 5.4 Bepalingen over het beheer van asbesthoudende materialen (ing. BVR 2 juli 2021, art. 63, I: 27 augustus 2021)]

Artikel 5.4.1. (01/07/2024- ...)

De OVAM stelt het inspectieprotocol asbestinventarisatie op, vastgesteld door de minister. Het inspectieprotocol asbestinventarisatie bevat de standaardprocedure die gecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie moeten volgen om op een correcte manier een geldige asbestinventaris op te maken.

Het inspectieprotocol asbestinventarisatie regelt minstens:
1° de richtlijnen voor de afbakening van het te inventariseren inspectiegebied en de eventuele inspectiebeperkingen;
2° de inspanningsverplichtingen voor de asbestdeskundige inventarisatie;
3° de richtlijnen voor monstername;
4° de richtlijnen voor de invoer van inspectiegegevens in de databank asbestinventarisatie;
5° de risico-evaluatie om een uitspraak te doen over de asbesthoudende materialen en de asbestveiligheid;
6° de richtlijnen voor het formuleren van adviezen over het veilige beheer en het veilig verwijderen van de asbesthoudende materialen;
7° de modaliteiten van de aflevering, raadpleging en ontsluiting van een asbestinventarisattest via de databank asbestinventarisatie;
8° de voorwaarden waaronder de geldigheidsduur van het asbestinventarisattest verkort kan worden, vermeld in artikel 5.4.16, eerste lid;
9° de voorschriften en modaliteiten voor de opmaak van de asbestinventaris voor de gemeenschappelijke delen van toegankelijke constructies met risicobouwjaar die onder het stelsel van mede-eigendom vallen;
10° de voorschriften en modaliteiten voor het opmaken van een asbestinventaris per gebouw, per gebouweenheid, per wooneenheid en voor de gemeenschappelijke delen onder één eigendom;
11° de richtlijnen voor de afbakening en het bepalen van de som van de grondoppervlaktes, vermeld in artikel 5.4.2;
12° de verdere inhoud van het asbestinventarisattest.

Artikel 5.4.2. (08/04/2024- ...)

De eigenaar van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar hoeft niet te beschikken over een geldig asbestinventarisattest als de grondoppervlakte van die constructie kleiner is dan 20 m2. Als meerdere toegankelijke constructies met risicobouwjaar aanwezig zijn, moet de som van de grondoppervlaktes kleiner dan 20 m2 zijn. Onder grondoppervlakte wordt verstaan: de loodrechte, horizontale projectie op het maaiveld van het dak gemeten aan de buitenzijden.

In afwijking van het eerste lid moet een eigenaar van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar met een grondoppervlakte kleiner dan 20 m², die deel uitmaakt van een grotere toegankelijke constructie met een grondoppervlakte gelijk aan of groter dan 20 m², beschikken over een asbestinventarisattest.

Artikel 5.4.3. (01/07/2024- ...)

Om als certificatie-instelling asbest erkend te worden en de erkenning te behouden, voldoet de organisatie aan de volgende voorwaarden:
1° de organisatie is opgericht in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zonder winstoogmerk;
2° de effectieve leden, de bestuurders, hun vaste vertegenwoordigers en de personen die de organisatie kunnen verbinden, oefenen geen actieve opdracht of mandaat uit voor een bedrijf met asbestactiviteiten, meer bepaald activiteiten inzake expertise en begeleiding, inzake asbestinventarisatie, -beheer, -verwijdering en -analyse;
3° de effectieve leden, de bestuurders, hun vaste vertegenwoordigers en de personen die de organisatie kunnen verbinden, beschikken over burgerlijke en politieke rechten en hebben de laatste vijf jaar voor de aanvraagdatum tot erkenning geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen voor overtredingen van de milieu- of arbeidswetgeving met betrekking tot asbest in een lidstaat van de Europese Unie;
4° de organisatie is niet bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de rechtspersoon in kwestie in ernstige mate aantast;
5° de organisatie beschikt over een interne, onafhankelijke beroepscommissie;
6° de organisatie beschikt over een eerstelijns telefonische en digitale helpdesk voor de bij haar aangesloten certificaathouders. Aangesloten certificaathouders zijn de persoonsgecertificeerde asbestdeskundige inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.10, derde lid, en de procesgecertificeerde asbestdeskundige inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.12;
7° de organisatie beschikt over en werkt volgens een intern kwaliteitshandboek met bijbehorende stukken, dat alle procedures beschrijft van de werking en taken die onder de erkenning vallen en de manier om deze correct en kwaliteitsvol uit te voeren, inclusief klachtenprocedure met klachtenregister omtrent de werking van de organisatie in het kader van het kwaliteitsbeheersysteem;
8° de organisatie beschikt over een digitaal informatiebeheersysteem dat een eenvoudige informatie-uitwisseling mogelijk maakt met de OVAM voor de procedures beschreven in het kwaliteitshandboek. Dat omvat onder meer een actueel gegevensbeheer van de geldige, geschorste of opgeheven certificaten;
9° de organisatie kan een beroep doen op voldoende, gekwalificeerde auditeurs voor de controle op aangesloten persoons- en procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie als vermeld in artikel 5.4.10, derde lid, en in artikel 5.4.12. Onder gekwalificeerde auditeur wordt verstaan iemand die: 
a) zelf een geldig persoonscertificaat als asbestdeskundige inventarisatie heeft; 
b) ervaring heeft als auditeur of daarvoor een opleiding heeft gevolgd ; 
c) kennis heeft van de beoordelingsrichtlijnen voor de audits van de certificaathouders, zoals beschreven in het certificatiereglement voor certificatie-instellingen asbest; 
d) relevante werkervaring heeft met de opmaak van asbestinventarissen; 
e) ervaring heeft met het uitvoeren van veldwerk voor asbestinventarisaties, in het bijzonder voor het nemen van materiaalmonsters;
10° de organisatie kan een beroep doen op voldoende, gekwalificeerde lesgevers en de faciliteiten voor het geven van de verplichte opleiding aan kandidaat asbestdeskundigen inventarisatie. Onder gekwalificeerde lesgever wordt verstaan iemand die: 
a) beschikt over ervaring met lesgeven; 
b) relevante werkervaring heeft met de opmaak van asbestinventarissen; 
c) ervaring heeft met het uitvoeren van veldwerk voor asbestinventarisaties, in het bijzonder voor het nemen van materiaalmonsters; 
d) geslaagd is voor het eindexamen, vermeld in artikel 5.4.10, dat de eindcompetenties toetst;
e) de opleiding voor de lesgevers bij de OVAM gevolgd heeft; 
f) de jaarlijkse bijscholing voor lesgevers volgt bij de OVAM;
11° de organisatie kan een beroep doen op de faciliteiten voor het organiseren van het verplichte praktijkgedeelte binnen de verplichte opleiding aan kandidaat-asbestdeskundigen inventarisatie;
12° de organisatie beschikt over een verzekeringspolis beroepsaansprakelijkheid voor kosten die voortvloeien uit haar werking als certificatie-instelling asbest;
13° de organisatie werkt onder strikte geheimhouding naar derden uitgezonderd de toezichthoudende overheden;
14° de organisatie voert de toegewezen taken objectief, onafhankelijk en onpartijdig uit en verstrekt de juiste informatie over de geldende wettelijke bepalingen.

De certificatie-instelling asbest meldt elke wijziging waardoor ze niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, onmiddellijk aan de OVAM.

De minister werkt de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, verder uit in een certificatiereglement. Het certificatiereglement bepaalt minstens de vereisten voor het gegevensbeheer en het digitaal informatiebeheerssysteem van een certificatie-instelling asbest, de modaliteiten van de werking van een interne beroepscommissie van een certificatie-instelling asbest, de modaliteiten van een intern kwaliteitshandboek van een certificatie-instelling asbest, de voorwaarden voor de organisatie van een eerstelijns digitale en telefonische helpdesk door een certificatie-instelling asbest.

Artikel 5.4.4. (08/04/2024- ...)

§ 1. De aanvraag om erkend te worden als certificatie-instelling asbest gebeurt met een aanvraagformulier, waarvan het model bepaald wordt door de minister en bevat:
1° de statuten van de organisatie;
2° een kopie van het intern kwaliteitshandboek dat alle procedures beschrijft van de werking en taken die onder de erkenning vallen;
3° een door de bestuurders ondertekende organisatiebeschrijving met:
a) de namen en functies van de personen die de organisatie kunnen verbinden;
b) een door de bestuurders ondertekende verklaring op eer dat de organisatie voldoet aan alle erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 5.4.3;
4° een recent attest waaruit blijkt dat de organisatie aan haar sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft;
5° een bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 9.2.2.

§ 2. De erkenningsaanvraag als certificatie-instelling asbest wordt behandeld als volgt:
1° de aanvraag om erkend te worden, wordt met een beveiligde zending gericht aan de OVAM;
2° de OVAM onderzoekt de aanvraag om erkend te worden, vermeld in punt 1°, op haar volledigheid overeenkomstig de bepalingen in paragraaf 1:
a) als de aanvraag onvolledig wordt bevonden, wordt de aanvrager binnen dertig kalenderdagen na de indiening van de aanvraag daarvan door de OVAM schriftelijk in kennis gesteld, met vermelding van de documenten en gegevens die ontbreken of nadere toelichting vereisen. Een nieuwe termijn van dertig kalenderdagen begint te lopen vanaf de datum van ontvangst van de ontbrekende documenten en gegevens of de nadere toelichting om de aanvraag onvolledig te bevinden;
b) als de aanvraag volledig wordt bevonden, wordt de aanvrager daarvan binnen dertig kalenderdagen na de indiening van de aanvraag of na de indiening van de gevraagde bijkomende documenten, gegevens en nadere toelichting door de OVAM met een beveiligde zending in kennis gesteld;
c) als de OVAM uiterlijk dertig kalenderdagen na de indiening van de aanvraag of na de indiening van de bijkomende gevraagde documenten, gegevens en nadere toelichting de aanvrager niet met een beveiligde zending in kennis heeft gesteld van een beslissing over de volledigheid, wordt de aanvraag geacht volledig te zijn;
3° binnen zestig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van verzending van de beveiligde zending, vermeld in punt 2°, b), of, in voorkomend geval, vanaf de datum van het verstrijken van de termijn, vermeld in punt 2°, c), doet de OVAM uitspraak over de inhoudelijke kwaliteit van de aanvraag om erkend te worden, vermeld in punt 1° ;
4° de OVAM betekent binnen negentig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van verzending van de beveiligde zending, vermeld in punt 2°, b), of, in voorkomend geval, vanaf de datum van het verstrijken van de termijn, vermeld in punt 2°, c), de beslissing over de erkenning aan de aanvrager. De erkenningsbeslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

§ 3. De erkenning is geldig voor onbepaalde duur en is niet overdraagbaar.

§ 4. De minister kan de procedure voor de aanvraag van de erkenning als certificatie-instelling asbest, vermeld in paragraaf 2, verder uitwerken in een certificatiereglement.

Artikel 5.4.5. (27/04/2022- ...)

§ 1. De OVAM kan de erkenning, vermeld in artikel 5.4.4, op elk moment schorsen voor een termijn van maximaal zes maanden in de volgende gevallen:
1° de houder van de erkenning voert de taken waarmee hij belast is, niet reglementair, objectief, onafhankelijk of onpartijdig uit;
2° de houder van de erkenning voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 5.4.3.

De OVAM brengt de houder van de erkenning met een beveiligde zending op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot schorsing, met vermelding van de motieven. De houder van de erkenning beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen na ontvangst van de beveiligde zending om de nodige formaliteiten te vervullen om de schorsing te voorkomen of zijn verweermiddelen aan de OVAM kenbaar te maken. Als die termijn verstrijkt zonder dat de OVAM een verdediging heeft ontvangen of zonder dat de houder de nodige formaliteiten vervuld heeft, treedt de schorsing in werking. Als de OVAM een verdediging ontvangt of bewijsstukken dat aan de formaliteiten voldaan is, beschikt ze over een termijn van zestig kalenderdagen na ontvangst hiervan om een beslissing te nemen over de voorgenomen schorsing. De OVAM kan voor de beoordeling aanvullende documenten, gegevens en nadere toelichting opvragen.

De beslissing tot schorsing wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

De schorsing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkenen.

§ 2. De houder van de erkenning die overeenkomstig artikel 5.4.5, § 1, eerste lid, 2°, geschorst is, kan na het ingaan van de schorsing een aanvraag tot opheffing van de schorsing indienen bij de OVAM via een beveiligde zending. Bij de aanvraag tot opheffing van de schorsing voegt de houder van de erkenning de bewijsstukken die aantonen dat hij niet meer verkeert in een geval als vermeld in artikel 5.4.5, § 1, eerste lid, 2°. De OVAM beschikt over een termijn van zestig kalenderdagen nadat ze de aanvraag heeft ontvangen om een beslissing te nemen over de opheffing van de schorsing. De OVAM kan voor de beoordeling aanvullende documenten, gegevens en nadere toelichting opvragen.

Voor de houder van de erkenning die bij het verstrijken van de schorsingsperiode nog altijd niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij met toepassing van artikel 5.4.5, § 1, eerste lid, 2°, geschorst is, wordt de schorsing van rechtswege met zes maanden verlengd.

§ 3. Tijdens de schorsingsperiode mag de houder van de erkenning alleen de taken uitvoeren die beschreven zijn in artikel 5.4.8, eerste lid, 4° en 5°. Trajecten van de taken die beschreven zijn in artikel 5.4.8, eerste lid, 1°, 2° en 3°, die bij het ingaan van de schorsing reeds liepen, kunnen wel afgewerkt worden.

§ 4. De minister kan de voorwaarden tot schorsing, de schorsingsprocedure en de werking tijdens de schorsingsperiode, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, verder uitwerken in een certificatiereglement.

Artikel 5.4.6. (27/04/2022- ...)

§ 1. De OVAM kan de erkenning, vermeld in artikel 5.4.4, op elk moment opheffen in de volgende gevallen:
1° de houder van de erkenning voert de taken waarmee hij is belast herhaaldelijk of in ernstige mate niet reglementair, niet onafhankelijk, niet onpartijdig of niet objectief uit;
2° de houder van de erkenning voldoet bij het verstrijken van de schorsingsperiode, vermeld in artikel 5.4.5, § 1, nog altijd niet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij met toepassing van artikel 5.4.5, § 1, eerste lid, 2°, geschorst is;
3° de houder van de erkenning is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de rechtspersoon in kwestie in ernstige mate aantast;
4° een persoon die de houder van de erkenning kan verbinden is bij vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gaan, veroordeeld voor overtredingen van de milieu- of arbeidswetgeving in een lidstaat van de Europese Unie.

De OVAM brengt de houder van de erkenning met een beveiligde zending op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot opheffing, met vermelding van de motieven. De houder van de erkenning beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen nadat hij de beveiligde zending heeft ontvangen om de nodige formaliteiten te vervullen om de opheffing te voorkomen of zijn verweermiddelen aan de OVAM kenbaar te maken. Als die termijn verstrijkt zonder dat de OVAM een verdediging heeft ontvangen of zonder dat de houder de nodige formaliteiten vervuld heeft, treedt de opheffing in werking. Als de OVAM een verdediging ontvangt of bewijsstukken dat aan de formaliteiten voldaan is, beschikt ze over een termijn van zestig kalenderdagen na ontvangst hiervan om een beslissing te nemen over de voorgenomen opheffing. De OVAM kan voor de beoordeling aanvullende documenten, gegevens of nadere toelichting opvragen.

De beslissing tot opheffing wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

De opheffing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkenen.

§ 2. De erkenning wordt van rechtswege opgeheven als de houder van de erkenning na het verstrijken van de verlengde schorsingsperiode, vermeld in artikel 5.4.5, § 2, tweede lid, nog altijd niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij met toepassing van artikel 5.4.5, § 1, eerste lid, 2,° geschorst is.

§ 3. Om opnieuw in aanmerking te komen als certificatie-instelling asbest na opheffing van de erkenning, wordt een nieuwe aanvraag ingediend conform artikel 5.4.4.

§ 4. De minister kan de voorwaarden tot opheffing van de erkenning en de opheffingsprocedure, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, verder uitwerken in een certificatiereglement.

Artikel 5.4.7. (08/04/2024- ...)

De OVAM of een door de OVAM aangestelde onafhankelijke instantie controleert minimaal één keer per jaar of de certificatie-instelling asbest nog voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 5.4.3, en de kwalitatieve uitvoering van de taken waarmee ze is belast, vermeld in artikel 5.4.8.

De OVAM of een door de OVAM aangestelde onafhankelijke instantie kan altijd stukken en informatie opvragen die noodzakelijk zijn om de werking van de certificatie-instellingen asbest te beoordelen.

De certificatie-instelling asbest bezorgt de OVAM voor 1 maart van elk jaar een jaarverslag van de periode van 1 januari tot en met 31 december van het voorgaande werkingsjaar. De minister kan de inhoud van het jaarverslag verder uitwerken in een certificatiereglement.

De minister kan de modaliteiten van de controle, vermeld in het eerste en tweede lid verder uitwerken in een certificatiereglement voor certificatie-instellingen asbest.

Artikel 5.4.8. (08/04/2024- ...)

De certificatie-instelling asbest heeft als taak:
1° het organiseren van een opleiding inzake het inspectieprotocol asbestinventarisatie, de databank asbestinventarisatie, aangevuld met een praktijkgedeelte,  met aflevering van een opleidingsattest;
2° het verlenen, schorsen en opheffen van een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie als vermeld in artikel 5.4.10;
3° het verlenen, schorsen en opheffen van een procescertificaat asbestdeskundige inventarisatie vermeld in artikel 5.4.12;
4° het aanbieden van een eerstelijns telefonische en digitale helpdesk voor de bij haar aangesloten persoons- en procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.10, derde lid, en in artikel 5.4.12, en het beheren en opvolgen van klachten over hun werking;
5° het waarborgen van het kwaliteitsvolle gebruik van de certificaten van de bij haar aangesloten persoonsgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.10, derde lid, en de procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.12, in het bijzonder door audits en controles, klachtenregeling met klachtenregister, sanctionering, informatieverstrekking aan de certificaathouders en het organiseren van een jaarlijkse verplichte bijscholing, met aflevering van een opleidingsattest. De sanctieregeling voor de bij haar aangesloten persoons- en procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.10, en de procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.12, omvat een systeem voor schorsing, opheffing, voorwaardelijke opheffing en waarschuwing. De minister kan de taken, vermeld in dit lid, verder uitwerken in een certificatiereglement.

De certificatie-instelling asbest vraagt jaarlijks minstens vijftien euro vaste kosten aan de persoonsgecertificeerde asbestdeskundige inventarisatie per door hem opgemaakte asbestinventaris waarvoor een asbestinventarisattest is afgeleverd in het jaar van aansluiting. 

De certificatie-instelling asbest kan bijkomende kosten vragen voor de behandeling van de aanvraag van een persoons- of procescertificaat asbestdeskundige inventarisatie en het organiseren van controle en audits en de jaarlijks verplichte bijscholing. De minister kan een minimum tarief opleggen voor deze bijkomende kosten in een certificatiereglement.

Artikel 5.4.9. (27/04/2022- ...)

In de volgende gevallen neemt een door de OVAM aangestelde organisatie de taken van een certificatie-instelling asbest over:
1° bij het ontbreken van erkende certificatie-instellingen asbest;
2° bij ontoereikende operationaliteit van certificatie-instellingen asbest als daardoor een vlotte marktwerking voor het opmaken en het uitreiken van asbestinventarisattesten wordt verhinderd.

Om in voorkomend geval een vlotte overname te kunnen garanderen, verleent de certificatie-instelling asbest de door de OVAM aangestelde organisatie altijd een vlotte toegang tot haar actuele gegevensbeheer en digitaal informatiebeheerssysteem.

Bij tijdelijke overname van de taken van certificatie-instelling asbest kan de door de OVAM aangestelde organisatie de gemaakte kosten terugvorderen van de certificatie-instelling asbest in kwestie.

Artikel 5.4.10. (08/04/2024- ...)

Een natuurlijk persoon kan een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie verkrijgen van een certificatie-instelling asbest als die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° beschikken over een diploma secundair onderwijs type ASO of TSO of een gelijkwaardig diploma of beschikken over minimaal twee jaar relevante beroepservaring, opgedaan in de afgelopen zes jaar. De relevante beroepservaring wordt aangetoond door een verklaring op erewoord;
2° doorlopen van de verplichte opleiding met praktijkgedeelte inzake het inspectieprotocol asbestinventarisatie via een erkende certificatie-instelling asbest;
3° slagen voor het eindexamen dat de eindcompetenties toetst;
4° op erewoord verklaren onafhankelijk en onpartijdig te werken en geen gebruik te maken van hun certificaat als de onafhankelijke en onpartijdige uitvoering van de dienstverlening niet kan worden gewaarborgd ten aanzien van de opdrachtgever of de uitvoerder van asbestverwijderings- of inkapselingswerken van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar waarvoor de persoonsgecertificeerde asbestdeskundige inventarisatie de asbestinventaris opstelt.

Het eindexamen, vermeld in de artikelen 5.4.3, 5.4.8 en 5.4.10, eerste lid, 3°, wordt opgesteld, afgenomen en beoordeeld door de OVAM of een door haar daartoe aangestelde organisatie.

Persoonsgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie kunnen het beroep van asbestdeskundige inventarisatie alleen actief uitoefenen als ze in dienst zijn bij of bestuurder-zaakvoerder zijn van een procesgecertificeerde asbestdeskundige inventarisatie, vermeld in artikel 5.4.12. Een persoonsgecertificeerde asbestdeskundige inventarisatie kan zich maar bij één certificatie-instelling asbest aansluiten. De aansluiting gebeurt bij de certificatie-instelling asbest waarbij het jaarlijkse tarief, vermeld in artikel 5.4.8, tweede lid, betaald wordt.

Persoonsgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie moeten jaarlijks een verplichte bijscholing volgen bij een erkende certificatie-instelling asbest.

De minister werkt de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, verder uit in een certificatiereglement.

Opleidingen over asbestinventarisatie die gevolgd zijn gedurende drie maanden voor de afgifte van de eerste erkenning als certificatie-instelling asbest, vermeld in artikel 5.4.3, kunnen door een erkende certificatie-instelling asbest aanvaard worden als een opleiding, vermeld in het eerste lid, 2°. Het certificatiereglement bepaalt minstens de werkwijze voor de beoordeling of de onafhankelijke en onpartijdige uitvoering van een dienstverlening, vermeld in het eerste lid, punt 4°, kan worden gewaarborgd. De voormelde werkwijze bevat een niet-limitatieve opsomming van de gevallen waarin, tot het bewijs van het tegendeel, wordt vermoed dat de persoonsgecertificeerde asbestdeskundige inventarisatie zich in een situatie van onverenigbaarheid bevindt.

De OVAM stelt een register van de verleende, geschorste en opgeheven persoonscertificaten asbestdeskundige inventarisatie, ter beschikking via haar website.

Artikel 5.4.11. (08/04/2024- ...)

Overeenkomstig artikel 33/10, § 3, laatste lid Materialendecreet kunnen interne preventieadviseurs of interne milieucoördinators voor een toegankelijke constructie met risico-bouwjaar in eigendom of exploitatie van de werkgever een asbestinventaris opmaken voor het deel van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar waar de werkgever werknemers tewerkstelt, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° ze bezitten een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie;
2° ze treden op als werknemer van de eigenaar of exploitant;
3° de werkgever is geregistreerd bij een erkende certificatie-instelling asbest.

De erkende certificatie-instelling asbest houdt toezicht op de geregistreerde interne preventieadviseur of intern milieucoördinator.

De minister kan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, verder uitwerken in een certificatiereglement.

Artikel 5.4.12. (08/04/2024- ...)

Een bedrijf kan een procescertificaat asbestdeskundige inventarisatie verkrijgen van een certificatie-instelling asbest als het aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° beschikken over een verzekeringspolis beroepsaansprakelijkheid voor kosten die voortvloeien uit haar werking als procesgecertificeerd asbestdeskundige inventarisatie;
2° op erewoord verklaren om onafhankelijk en onpartijdig te werken, de persoonsgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie de tijd en middelen te bieden om kwaliteitsvol asbestinventarissen te kunnen opmaken, alleen een beroep te doen op persoonsgecertificeerde asbestdeskundigen asbestinventarisatie voor de uitvoering en opmaak van asbestinventarissen. Procesgecertificeerde asbestdeskundigen inventarisatie mogen geen gebruik maken van hun certificaat als de onafhankelijke en onpartijdige uitvoering van de dienstverlening niet kan worden gewaarborgd ten aanzien van de opdrachtgever of de uitvoerder van asbestverwijderings- of inkapselingswerken van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar waarvoor de procesgecertificeerde asbestdeskundige inventarisatie de asbestinventaris opstelt;
3° beschikken over een zaakvoerder of werknemer die beschikt over een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie;
4° werken volgens een intern kwaliteitsbeheerssysteem.

Een bedrijf kan maar over één procescertificaat asbestdeskundige inventarisatie beschikken en is aangesloten bij de certificatie-instelling asbest dat het procescertificaat heeft uitgereikt.

De minister werkt de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, verder uit in een certificatiereglement. Het certificatiereglement bepaalt de minimumvereisten voor het kwaliteitsbeheersysteem dat ze moeten volgen en de werkwijze voor de beoordeling of de onafhankelijke en onpartijdige uitvoering van een dienstverlening, vermeld in het eerste lid, punt 2°, kan worden gewaarborgd. De voormelde werkwijze bevat een niet-limitatieve opsomming van de gevallen waarin, tot het bewijs van het tegendeel, wordt vermoed dat de persoonsgecertificeerde asbestdeskundige inventarisatie zich in een situatie van onverenigbaarheid bevindt.

De OVAM stelt een register van de verleende, geschorste en opgeheven procescertificaten asbestdeskundigen inventarisatie ter beschikking via haar website.

Artikel 5.4.13. (27/08/2021- ...)

§ 1. De asbestdeskundige inventarisatie kan conform de bepalingen van de regelgeving over de bescherming en verwerking van persoonsgegevens de volgende persoonsgegevens verwerken:
1° persoonlijke contactgegevens van de eigenaar van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar:
a) naam en voornaam;
b) adresgegevens: straat, nummer, bus, postnummer en gemeente;
c) telefoniereferenties;
d) e-mail;
2° kenmerken van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar:
a) kadastrale basisgegevens van de constructie;
b) adresgegevens: straat, nummer, bus, postnummer en gemeente;
c) ouderdom van de constructie;
d) type constructie;
e) fysieke kenmerken van de constructie;
f) eigendomstoestand van de constructie;
3° rijksregisternummer of identificatienummer van de sociale zekerheid van de eigenaar van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar.

§ 2. De OVAM kan conform de bepalingen van de regelgeving over de bescherming en verwerking van persoonsgegevens de volgende persoonsgegevens verwerken:
1° kenmerken van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar:
a) kadastrale basisgegevens van de constructie;
b) adresgegevens: straat, nummer, bus, postnummer en gemeente;
c) ouderdom van de constructie;
d) type constructie;
e) fysieke kenmerken van de constructie;
f) eigendomstoestand van de constructie;
2° rijksregisternummer of identificatienummer van de sociale zekerheid van de eigenaar van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar.

§ 3. De persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, 2°, worden door de asbestdeskundige inventarisatie gedurende 10 jaar bewaard. De persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 2, 1°, worden door de OVAM bewaard zolang een opvolging van het behoud van een asbestveilige toestand dit vereist.

Artikel 5.4.14. (01/07/2024- ...)

§ 1. De volgende actoren kunnen leesrecht krijgen tot de databank asbestinventarisatie, ofwel rechtstreeks ofwel via een gegevensdelingsplatform van de Vlaamse overheid:
1° een eigenaar van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar voor zijn asbestinventarisattest;
2° een medewerker van een procesgecertificeerd asbestdeskundige inventarisatie voor de door haar opgestelde asbestinventarissen en de bijbehorende asbestinventarisattesten;
3° een syndicus die is aangesteld voor de mede-eigendom voor het asbestinventarisattest opgesteld voor de gemeenschappelijke delen;
4° een notaris voor het asbestinventarisattest voor een toegankelijke constructie met risicobouwjaar dat het voorwerp is van een overdracht;
5° een toezichthouder wooninspectie voor een geografisch afgebakend gebied waarvoor de toezichthouder bevoegd is;
6° een medewerker van een hulpdienst voor een geografisch afgebakend gebied waarvoor de medewerker van de hulpdienst bevoegd is;
7° een medewerker van een bij de certificatie-instelling asbest geregistreerde werkgever, zoals vermeld in artikel 5.4.11, 3°, voor de asbestinventarissen opgesteld voor de toegankelijke constructie met risicobouwjaar in eigendom of exploitatie van de werkgever en de bijbehorende asbestinventarisattesten;
8° een vastgoedmakelaar voor het asbestinventarisattest van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar dat via bemiddeling van de vastgoedmakelaar te koop of te huur wordt aangeboden;
9° een toezichthouder milieu voor een geografisch afgebakend gebied waarvoor de toezichthouder bevoegd is.
10° een lokaal bestuur dat specifieke projecten asbestafbouw heeft;
11° een vastgoedcommissaris van de dienst Vastgoedtransacties van de Vlaamse overheid voor het asbestinventarisattest voor een toegankelijke constructie met risicobouwjaar dat het voorwerp is van een overdracht;
12° een conform artikel 4.3.6 erkende sloopbeheerorganisatie voor een toegankelijke constructie met risicobouwjaar die het voorwerp is van een sloopopvolgingsplan;
13° een medewerker van het Agentschap Onroerend Erfgoed voor de asbestinventarissen en de bijbehorende asbestinventarisattesten voor de toegankelijke constructies met risicobouwjaar die zijn opgenomen in de Inventaris van het Onroerend Erfgoed.

§ 2. De volgende actoren kunnen lees- en schrijfrecht krijgen tot de databank asbestinventarisatie:
1° persoonsgecertificeerd asbestdeskundige inventarisatie voor de asbestinventarissen waarvoor zijn bedrijf een formele opdracht tot aanmaak of actualisatie heeft ontvangen van de eigenaar;
2° een medewerker of auditeur die is aangesteld door de erkende certificatie-instelling asbest voor de asbestinventarissen van de bij haar aangesloten certificaathouders en de daartoe behorende persoonsgecertificeerde asbestdeskundige inventarisatie;
3° een medewerker van de OVAM die is aangesteld door de leidend ambtenaar van de OVAM.

De minister werkt de verdere regels over het toegangsbeheer en de mogelijke aanpassing van de lees- en schrijfrechten minstens na sanctionering van de certificatie instelling asbest, vermeld in artikel 5.4.8, eerste lid, 5° van de databank asbestinventarisatie, vermeld in § 1 en § 2, uit in het certificatiereglement.

Artikel 5.4.15. (08/04/2024- ...)

De standaard geldigheidsduur van een asbestinventarisattest bedraagt tien jaar, maar kan door de gecertificeerd asbestdeskundige asbestinventarisatie verminderd worden op basis van de richtlijnen die beschreven zijn in het inspectieprotocol asbestinventarisatie, vermeld in artikel 5.4.1.

Indien geen asbesthoudende materialen werden aangetroffen, is de geldigheid van het asbestinventarisattest van onbepaalde duur.

De geldigheidstermijnen, vermeld in het eerste lid en tweede lid, gelden alleen bij een ongewijzigde toestand van het inspectiegebied, zoals opgenomen in het asbestinventarisattest. Bij gewijzigde toestand vraagt de eigenaar een nieuw asbestinventarisattest aan binnen een termijn van één jaar na de vaststelling van de wijziging. Er is sprake van een gewijzigde toestand als:
1° er nieuwe asbesthoudende materialen zijn aangetroffen;
2° er werken zijn gebeurd die tot gevolg hebben dat het inspectiegebied, zoals opgenomen in het bestaand asbestinventarisattest als asbestveilig beschouwd kan worden;
3° de toestand van de asbesthoudende materialen zichtbaar gewijzigd is door een calamiteit of een incident.

De minister kan de modaliteiten van de vaststelling van een gewijzigde toestand en het verkrijgen van een geactualiseerd asbestinventarisattest verder uitwerken in het inspectieprotocol.

Artikel 5.4.16. (08/04/2024- ...)

§1. In de sectorraad asbest worden minstens de volgende partijen vertegenwoordigd:
1° de OVAM; 
2° de sectorvertegenwoordiging van asbestdeskundigen inventarisatie; 
3° de sectorvertegenwoordiging van erkende asbestlabo’s;
4° de sectorvertegenwoordiging van de erkende asbestverwijderaars;
5° Constructiv, als vertegenwoordiger van de bouw en de sociale partners;
6° een vertegenwoordiger van elke erkende certificatie-instelling asbest;
7° een vertegenwoordiger van een erkende slachtoffervereniging inzake asbest.
    
De minister kan de samenstelling van de sectorraad asbest, vermeld in het eerste lid, verder uitwerken in het certificatiereglement asbest.

§2. De sectorraad bestaat uit twee comités:
1° het technisch comité, samengesteld door de partijen, vermeld in paragraaf 1, punt 1° tot en met 6°. Dit technisch comité geeft niet-bindend advies als vermeld in artikel 33/17, tweede lid, punt 1° en 2°, van het Materialendecreet;
2° het algemeen comité, samengesteld door de partijen, vermeld in paragraaf 1, punt 1° tot en met 7°. Het algemeen comité geeft niet-bindend advies als vermeld in artikel 33/17, tweede lid, punt 3°, van het Materialendecreet.

[Afdeling 5.5. Bepalingen over het beheer van bedrijfsrestafval (ing. BVR 2 juli 2021, art. 64, I: 27 augustus 2021)]

[Onderafdeling 5.5.1. Algemene bepalingen (ing. BVR 2 juli 2021, art. 64, I: 27 augustus 2021)]

Artikel 5.5.1.1. (01/07/2024- ...)

Deze afdeling bevat voorwaarden die vervuld moeten zijn bij het inzamelen, handelen en makelen, alsook het behandelen en verwerken van bedrijfsrestafval.

Deze afdeling is evenwel niet van toepassing als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent is vergelijkbaar naar aard, samenstelling en hoeveelheid met huishoudelijke afvalstoffen;
2° het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent wordt ingezameld via de gemeentelijke inzamelkanalen voor het huishoudelijk afval;
3° voor de inzameling van het bedrijfsrestafval worden de kosten aangerekend overeenkomstig artikel 10 van het Materialendecreet.

Deze afdeling is ook niet van toepassing op risicohoudend en niet-risicohoudend medisch afval.

Deze afdeling is ook niet van toepassing op bedrijfsrestafval dat op basis van andere wetgeving of op bevel van de politie of bevoegde autoriteiten onmiddellijk vernietigd moet worden zonder verdere bewerkingen.

Deze afdeling is niet van toepassing op bedrijfsrestafval afkomstig van schepen.

Deze afdeling is niet van toepassing op afvalstoffen die niet voldoen aan de definitie van bedrijfsrestafval op het moment dat de afvalstoffen worden ingezameld bij de eerste afvalstoffenproducent, en die door bewerkingen erop pas later in de keten aan de definitie van bedrijfsrestafval voldoen.

Deze afdeling is niet van toepassing op zwerfvuil dat ontstaat en wordt opgeruimd op vrij toegankelijke openbare domeinen die beheerd worden voor of door provinciebesturen, de Vlaamse Milieumaatschappij, het Agentschap voor Natuur en Bos, het Agentschap Wegen en Verkeer en De Vlaamse Waterweg of op openbare havendomeinen, steeds op voorwaarde dat het zwerfvuil als een aparte fractie wordt ingezameld.

Onderafdeling 5.5.2. Regels voor inzamelaars, afvalstoffenhandelaars en -makelaars van bedrijfsrestafval inzake de algemene informatieverstrekking aan de eerste afvalstoffenproducent

Artikel 5.5.2.1. (27/08/2021- ...)

Het contract, vermeld in artikel 6.1.1.4, eerste lid, 1° /1, vermeldt expliciet dat de fracties die gesorteerd en selectief moeten worden aangeboden conform artikel 4.3.2, nooit in het recipiënt voor bedrijfsrestafval mogen worden aangeboden.

Artikel 5.5.2.2. (27/08/2021- ...)

De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van bedrijfsrestafval stelt op basis van zijn ervaring in en kennis van de sector of een bevraging bij de klant vast welke verplicht te sorteren afvalstoffen vrijkomen bij elke afvalstoffenproducent. De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar informeert elke afvalstoffenproducent actief over de sorteerplicht voor die fracties, bovenop de algemene informatie in het contract, vermeld in de artikelen 5.5.2.1 en 6.1.1.4. De informatie is in goed begrijpbare taal geschreven op maat van de klant en is correct overeenkomstig de geldende wetgeving. Bewijsstukken over de informatieverstrekking worden bijgehouden.

Artikel 5.5.2.3. (27/08/2021- ...)

Het verspreiden van foutieve informatie aan de afvalstoffenproducenten over de sorteerplicht is verboden.

Artikel 5.5.2.4. (27/08/2021- ...)

De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar mag afvalstoffenproducenten er nooit toe aanzetten verplicht te sorteren afvalstoffen aan te bieden in het recipiënt voor restafval.

Artikel 5.5.2.5.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2026- ...)

De inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar van bedrijfsrestafval, alsook de verwerker die bedrijfsrestafval rechtstreeks van een afvalstoffenproducent aanvaardt, weegt elk recipiënt waarin het bedrijfsrestafval wordt aangeboden en vermeldt dat gewicht op de factuur voor de klant. De kosten die gepaard gaan met de verwerking van dit werkelijk aangeboden gewicht aan bedrijfsrestafval, worden door de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar of verwerker op basis van dat gewicht gefactureerd aan de afvalstoffenproducent. De kosten die gepaard gaan met de door het Vlaamse gewest bepaalde heffingen, vermeld in artikel 46 van het Materialendecreet, worden daarbij altijd apart op de factuur vermeld. Dat geldt ook als de inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar of de verwerker zelf niet heffingsplichtig is, maar het bedrijfsrestafval in een latere fase wordt afgevoerd naar een heffingsplichtige. Deze verplichting geldt niet voor de gemeentelijke opcentiemen.

Het eerste lid is niet van toepassing als het bedrijfsrestafval uitsluitend wordt ingezameld of aangeboden in zakken met een inhoud die kleiner dan 120 liter is. In dat geval kan de factuur worden opgesteld aan de hand van een gemiddeld gewicht van dergelijke zakken.

[Onderafdeling 5.5.3. Regels voor de inzamelaars, afvalstoffenhandelaars en -makelaars van bedrijfsrestafval als de inzameling bij meerdere afvalstoffenproducenten in één ronde met één voertuig gebeurt, waarbij het bedrijfsrestafval van die afvalstoffenproducenten in dat voertuig gemengd raakt (ing. BVR 2 juli 2021, art. 64, I: 27 augustus 2021)]

Artikel 5.5.3.1. (08/04/2024- ...)

Er gebeurt een visuele controle op de sorteerplicht op het moment dat het bedrijfsrestafval wordt opgehaald bij de eerste afvalstoffenproducent, vooraleer het afval in het voertuig wordt geladen.

In afwijking van het eerste lid kan een visuele controle ook gebeuren tijdens de lediging van de recipiënten in het voertuig, als de afvalstoffen worden herkend via een camerasysteem en een dergelijk systeem aantoonbaar performanter werkt dan een visuele controle die voorafgaat aan de lediging van de recipiënt. Een dergelijk camerasysteem moet door de OVAM goedgekeurd worden voor het in gebruik kan worden genomen. De OVAM baseert zich daarbij op de informatie die de inzamelaar, handelaar of makelaar aanlevert en die de performantie aantoont.

Artikel 5.5.3.2. (08/04/2024- ...)

De visuele controle gebeurt door minstens een inspectie van de afvalstoffen die aan de oppervlakte van het recipiënt zichtbaar zijn. Als de inzameling gebeurt door middel van containers met deksel, wordt het deksel van de container geopend om de controle uit te voeren. Gesloten zakken hoeven niet te worden geopend. Als de zak doorzichtig is, of als er afvalstoffen gedeeltelijk uit de zak steken, wordt het zichtbare materiaal gecontroleerd voor zover dat mogelijk is zonder de zak te openen. Dat geldt zowel voor de ophaling die alleen met zakken gebeurt, als voor de ophaling met zakken die in een container of ander recipiënt aan de oppervlakte zichtbaar zijn.

Artikel 5.5.3.3. (27/08/2021- ...)

De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar mag een afvalstoffenproducent er nooit toe aanzetten gebruik te maken van ondoorzichtige zakken, voor zover dat als doel heeft de sorteerplicht of de visuele controle op die sorteerplicht te ontwijken.

Artikel 5.5.3.4. (01/09/2021- ...)

Als bij de visuele controle afvalstoffen worden waargenomen die onder de sorteerplicht vallen, wordt een non-conformiteit opgesteld. Elke non-conformiteit wordt bijgehouden in een non-conformiteitenregister, met uitzondering van non-conformiteiten die betrekking hebben op eenmanszaken zonder rechtspersoonlijkheid, waarin de volgende elementen worden beschreven:
1° de datum van de non-conformiteit;
2° de naam en het ondernemingsnummer van de afvalstoffenproducent waarbij de non-conformiteit werd opgesteld;
3° het vestigingsnummer of ophaaladres van de afvalstoffenproducent waarbij de non-conformiteit werd opgesteld;
4° een duidelijke omschrijving van de non-conformiteit, met minstens een beschrijving van de afvalstoffen die zijn waargenomen en die onder de sorteerplicht vallen.

Het non-conformiteitenregister wordt bijgehouden op een elektronische drager met het oog op een eenvoudige uitwisseling van registergegevens tussen de OVAM, de toezichthouders en de houder van het non-conformiteitenregister. De OVAM voorziet in een standaardformaat voor het non-conformiteitenregister en stelt dat op de website ter beschikking. Bij de uitwisseling is het gebruik van dat sjabloon verplicht.

Als alternatief kan de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar zijn non-conformiteiten bijhouden in een centraal non-conformiteitenregister dat wordt beheerd door de OVAM, waarin overtreders in kaart worden gebracht. De gegevens in dat centraal non-conformiteitenregister zijn niet openbaar, wel raadpleegbaar door toezichthouders in het kader van handhaving. De gegevens in het centraal non-conformiteitenregister worden gewist na 18 maanden.

Artikel 5.5.3.5. (01/09/2021- ...)

De afvalstoffenproducent waarbij een non-conformiteit is vastgesteld, wordt door de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar uiterlijk de volgende werkdag op de hoogte gebracht van de opgemaakte non-conformiteit. Alle elementen, vermeld in artikel 5.5.3.4, worden daarbij aan de afvalstoffenproducent meegedeeld, alsook de melding dat hij vermoedelijk de wettelijke sorteerplicht heeft overtreden.

Artikel 5.5.3.5/1. (08/04/2024- ...)

Als bij één afvalstoffenproducent tijdens dezelfde ophaling het bedrijfsrestafval uit verschillende recipiënten wordt meegenomen, gebeurt de visuele controle bij elke recipiënt. Als in meerdere recipiënten afvalstoffen worden waargenomen die onder de sorteerplicht vallen, wordt er maar één non-conformiteit opgemaakt. 

Als de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar bij de visuele controle een niet-transparante afvalzak waarneemt, zoals verboden door artikel 5.3.13.2, behandelt hij dat als een non-conformiteit op dezelfde manier als bij het waarnemen van afvalstoffen die onder de sorteerplicht vallen.

Artikel 5.5.3.6. (27/08/2021- ...)

Als bij de visuele controle gevaarlijke afvalstoffen worden waargenomen, wordt het afval geweigerd en mag de inhoud van het recipiënt niet in het voertuig worden meegenomen.

Artikel 5.5.3.7. (01/09/2021- ...)

Als bij de visuele controle niet-gevaarlijke afvalstoffen worden waargenomen die onder de sorteerplicht vallen, kan de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar:
1° het afval weigeren en de inhoud van het recipiënt niet meenemen in het voertuig. Als de weigering gebeurt bij elk recipiënt waarvoor een sorteerfout is opgemerkt tijdens de ophaalronde, mag het bedrijfsrestafval dat wel meegenomen wordt tijdens de ophaalronde naar verbranding worden afgevoerd, ook al zijn er alsnog niet-gevaarlijke afvalstoffen die onder de sorteerplicht vallen in aanwezig. Er zijn daarvoor geen verdere resultaatsvoorschriften van toepassing. Voor gevaarlijke afvalstoffen blijft een nultolerantie gelden voor afvoer naar verbranding of storten;
2° het afval meenemen in het voertuig en de non-conformiteit, met alle elementen, vermeld in artikel 5.5.3.4 uiterlijk de volgende werkdag ingeven in het centraal non-conformiteitenregister beheerd door de OVAM, met uitzondering voor non-conformiteiten bij eenmanszaken zonder rechtspersoonlijkheid. Als dat gebeurt bij elk recipiënt waarvoor een sorteerfout is opgemerkt tijdens de ophaalronde, mag het bedrijfsrestafval naar verbranding worden afgevoerd, ook al zijn er alsnog niet-gevaarlijke afvalstoffen die onder de sorteerplicht vallen aanwezig. Er zijn daarvoor geen verdere resultaatsvoorschriften van toepassing. Voor gevaarlijke afvalstoffen blijft een nultolerantie gelden voor afvoer naar verbranding;
3° het afval meenemen in het voertuig en de volledige vracht uitkiepen op een daartoe vergunde locatie. Vervolgens moet het afval van de volledige vracht, waar nodig door middel van nasortering, voldoen aan de resultaatsvoorschriften van artikel 5.5.4.4 alvorens naar verbranding te worden afgevoerd.

Artikel 5.5.3.8. (01/09/2021- ...)

Elke weigering van gevaarlijk of niet-gevaarlijk afval, waarbij het afval niet wordt meegenomen, wordt bijkomend genoteerd in het register, vermeld in artikel 5.5.3.4.

Artikel 5.5.3.9. (01/09/2021- ...)

Het non-conformiteitenregister wordt minstens elke werkdag aangevuld met de meest recente gegevens. De gegevens in het non-conformiteitenregister worden minstens vijf jaar bijgehouden. Enkel de gegevens in het centraal non-conformiteitenregister beheerd door de OVAM worden na 18 maanden niet meer uitgewisseld met de toezichthouders en gewist.

[Onderafdeling 5.5.4. Regels voor de inzamelaars, afvalstoffenhandelaars en -makelaars van bedrijfsrestafval als de inzameling individueel per afvalstoffenproducent gebeurt, waarbij bedrijfsrestafval van meerdere afvalstoffenproducenten niet in één voertuig gemengd raakt (ing. BVR 2 juli 2021, art. 64, I: 27 augustus 2021)]

Artikel 5.5.4.1. (08/04/2024- ...)

Het bedrijfsafval van elke eerste afvalstoffenproducent wordt uitgekipt op een daartoe vergunde locatie. Daar gebeurt een grondige visuele controle op de sorteerplicht. Tijdens de controle hoeven gesloten zakken niet te worden geopend. Als de zak doorzichtig is of als er afvalstoffen gedeeltelijk uit de zak steken, wordt het zichtbare materiaal gecontroleerd volgens een visuele controle en voor zover dat mogelijk is zonder de zak te openen.

Artikel 5.5.4.2. (01/09/2021- ...)

Als bij de visuele controle afvalstoffen worden waargenomen die onder de sorteerplicht vallen, wordt er een non-conformiteit opgesteld. Elke non-conformiteit wordt bijgehouden in een non-conformiteitenregister, met uitzondering van non-conformiteiten die betrekking hebben op eenmanszaken zonder rechtspersoonlijkheid, waarin volgende elementen worden beschreven:
1° de datum van de non-conformiteit;
2° de naam en het ondernemingsnummer van de afvalstoffenproducent waarbij de non-conformiteit werd opgesteld;
3° het vestigingsnummer of ophaaladres van de afvalstoffenproducent waarbij de non-conformiteit werd opgesteld;
4° een duidelijke omschrijving van de non-conformiteit, met minstens een beschrijving van de afvalstoffen die zijn waargenomen en die onder de sorteerplicht vallen.

Het non-conformiteitenregister wordt bijgehouden op een elektronische drager met het oog op een eenvoudige uitwisseling van registergegevens tussen de OVAM, de toezichthouders en de houder van het register. De OVAM voorziet in een standaardformaat voor het register en stelt dat op de website ter beschikking. Bij de uitwisseling is het gebruik van dat sjabloon verplicht.

Als alternatief kan de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar zijn non-conformiteiten bijhouden in een centraal non-conformiteitenregister dat wordt beheerd door de OVAM en waarin overtreders in kaart worden gebracht. De gegevens in dat centraal non-conformiteitenregister zijn niet openbaar, wel raadpleegbaar door toezichthouders in het kader van handhaving. De gegevens in het centraal non-conformiteitenregister worden gewist na 18 maanden.

Artikel 5.5.4.3. (01/09/2021- ...)

De afvalstoffenproducent waarbij de non-conformiteit is vastgesteld, wordt uiterlijk de volgende werkdag op de hoogte gebracht van de opgemaakte non-conformiteit door de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar. Alle elementen, vermeld in artikel 5.5.4.2, worden daarbij aan de afvalstoffenproducent meegedeeld, alsook de melding dat hij vermoedelijk de wettelijke sorteerplicht heeft overtreden.

Artikel 5.5.4.3/1. (08/04/2024- ...)

Als de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar bij de visuele controle een niet-transparante afvalzak waarneemt, zoals verboden door artikel 5.3.13.2, behandelt hij dat als een non-conformiteit op dezelfde manier als bij het waarnemen van afvalstoffen die onder de sorteerplicht vallen.

Artikel 5.5.4.4. (01/07/2024- 31/12/2026)

Elke willekeurige partij van 10 m3 bedrijfsrestafval, ongeacht de dichtheid, die naar verbranding wordt afgevoerd of verbrand, mag voor de afvalstromen, vermeld in punt 1° en 2°, samengesteld zijn uit:
1° tot 1 januari 2023:
a) maximum drie stukken recycleerbaar papier en karton met een oppervlakte van meer dan 1 m2;
b) maximum drie stukken houtafval met een oppervlakte van meer dan 1 m2;
c) maximum drie stukken stammig groenafval met een lengte van meer dan 1 m;
d) maximum drie stukken metaal met een oppervlakte van meer dan 1 m2 of met een lengte van meer dan 1 m;
e) maximum drie stukken recycleerbaar textielafval met een oppervlakte van meer dan 1 m2;
f) maximum drie stukken puin met een oppervlakte van meer dan 1 m2;
g) maximum één pakket transparante of witte kunststoffolie van meer dan 60 liter;
h) maximum drie stukken recycleerbare harde kunststoffen met een oppervlakte van meer dan 1 m2;
i) nul doorzichtige zakken gevuld met PMD;
j) nul doorzichtige zakken gevuld met EPS;
k) nul stukken gevaarlijk afval, AEEA, kga, afvalbanden en asbestcement en asbesthoudende afvalstoffen;
2° vanaf 1 januari 2023:
a) maximum drie stukken recycleerbaar papier en karton met een oppervlakte van meer dan 0,5 m2;
b) maximum dertig liter samen verpakt papier en karton;
c) maximum drie stukken houtafval met een oppervlakte van meer dan 0,5 m2 met inbegrip van stukken houtafval waar metalen aan vastgemaakt zijn;
d) maximum dertig liter samen verpakt houtafval;
e) maximum drie stukken groenafval met een lengte van meer dan 0,5 m;
f) maximum zestig liter samen verpakt groenafval;
g) maximum drie stukken metaal met een oppervlakte van meer dan 0,25 m2 of met een lengte van meer dan 1 m;
h) maximum drie stukken recycleerbaar textielafval met een oppervlakte van meer dan 0,25 m2;
i) maximum drie stukken puin met een oppervlakte van meer dan 0,5 m2;
j) maximum zestig liter puinafval;
k) maximum één pakket transparante of witte kunststoffolie van meer dan 30 liter;
l) maximum drie stukken EPS en recycleerbare harde kunststoffen met een oppervlakte van meer dan 0,5 m2;
m) maximum vijftig stukken PMD;
n) nul afvalbanden;
o) nul stukken gevaarlijk afval, AEEA, kga, asbestcement en asbesthoudende en asbestverdachte afvalstoffen;
p) Nul stukken niet-teerhoudend asfaltpuin, funderingsmaterialen die niet conform de bepalingen van het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten kunnen verwerkt worden met een korrelgrootte boven 60 mm;
q) Nul stukken cellenbeton met een korrelgrootte boven 60 mm;
r) Nul stukken gipskartonplaten, gipsblokken met een oppervlakte van meer dan 0,5  m²;

De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar is tot 1 januari 2023 vrij om zelf te kiezen of hij al dan niet overgaat tot nasortering om de hoeveelheden, vermeld in het eerste lid, punt 1°, te halen, alsook welke middelen hij daarvoor gebruikt.
De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar is vrij om te bepalen of gesloten zakken worden geopend en of de inhoud daarvan wordt nagesorteerd. Ondoorzichtige zakken met een inhoud van meer dan 60 liter tellen mee voor de hoeveelheden, vermeld in het eerste lid, punt 1°. Ondoorzichtige zakken met een inhoud tot en met 60 liter tellen niet mee voor de hoeveelheden, vermeld in het eerste lid, punt 1°, en moeten niet geopend worden.

De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar is vanaf 1 januari 2023 vrij om zelf te kiezen of hij al dan niet overgaat tot nasortering om de hoeveelheden, vermeld in het eerste lid, punt 2°, te halen, alsook welke middelen hij daarvoor gebruikt. De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar is vrij om te bepalen of gesloten zakken worden geopend en of de inhoud daarvan wordt nagesorteerd. De hoeveelheden, vermeld in het eerste lid, punt 2°, moeten evenwel gehaald worden en zijn van toepassing op al het afval dat zich in zakken bevindt.

Zowel voor als na 1 januari 2023 gelden de volgende bepalingen:
1° sterk vervuild papier en karton en sterk vervuilde kunststoffen worden als niet-recycleerbaar beschouwd en mogen nog in het restafval aanwezig zijn dat naar verbranding wordt afgevoerd of verbrand wordt;
2° het verkleinen van stukken afval, voorafgaand aan een proces van nasortering, is alleen toegestaan indien dit gevolgd wordt door het gebruik van een geautomatiseerde sorteerlijn die erop gericht is de fracties vermeld in het eerste lid, punt 1° en punt 2° uitgebreid na te sorteren. Het verkleinen voorafgaand aan het gebruik van de sorteerlijn is enkel toegestaan als dat de effectiviteit van het sorteerproces aantoonbaar ten goede komt en ervoor zorgt dat er bij de nasortering meer recycleerbaar of gevaarlijk afval uitgehaald wordt. In ieder geval moet de verkleining voorafgaand aan de sorteerlijn beperkt worden tot stukken afval die zonder verkleining niet door een sorteerlijn verwerkt kunnen worden. De allergrootste stukken afval en gevaarlijk afval moeten voorafgaand aan het verkleinen nog maximaal door een kraan of handmatig worden uitgesorteerd. Het is verboden om te verkleinen alleen om de bepalingen rond stukgrootte makkelijker te behalen. Als er no